Het terugbrengen van een verloren voorwerp naar de rechtmatige eigenaar is een gebod dat berust op fundamentele menselijke fatsoensnormen.
Vertrouwen dat burgers in een beschaafde samenleving in elkaar moeten kunnen hebben: dat men elkaars eigendom respecteert. In Deuteronomium 21:1-3 gaat het om de os of de ezel van ‘uw broeder’. Dit herhaalt een verplichting die eerder al in Exodus 23:8 werd uitgesproken. Daar betreft het echter de os of ezel van ‘uw vijand’.
Het is interessant om te zien dat het idee van ‘uw vijand liefhebben’ niet oorspronkelijk uit het Nieuwe Testament afkomstig is (Matteüs 5:44). Het is duidelijk een edelmoedig gebod van solidariteit om zelfs het verloren voorwerp van een vijand terug te brengen.
Maar wat als men moet kiezen welk verloren voorwerp men terugbrengt, die van de broeder of de vijand, als niet allebei mogelijk is? Deze theoretische vraag wordt in de Talmoed gesteld (Baba Metzia 32b).
Een voor de hand liggende reactie is begrijpelijk: de verantwoordelijkheid tegenover de familie komt eerst. Juist hier slaat de Talmoed echter een zeer vernieuwende ethische richting in door voorrang te geven aan de vijand, „om de kwade neiging van de mens te beteugelen”, die wellicht plezier zou beleven aan het ongemak van de vijand.
Esau versus Jakob
Een vergelijkbaar voorbeeld van deze vooruitstrevende stroming binnen de Joodse traditie vinden we in de tegengestelde opvattingen van twee rabbijnse tijdgenoten uit de tweede eeuw. De klassieke vijand in de Joodse rabbijnse overlevering wordt geïllustreerd door Rabbi Simeon ben Jochai en zijn ideologische wantrouwen tegenover Esau, de zoon van Isaak. De Bijbelse figuur Esau vertegenwoordigt in de rabbijnse literatuur de niet-Joden, terwijl Jakob Israël vertegenwoordigt: „Het is een regel dat Esau Jakob haat” (Midrasj, Sifre, Numeri 69).
Hoe onaangenaam dit ook moge klinken voor onze moderne gevoeligheid, men kan dit gevoel van wantrouwen begrijpen wanneer men de lange geschiedenis van de betrekkingen overziet van Joods met niet-Joods gedurende de afgelopen twee millennia.
Maar binnen dezelfde rabbijnse cultuur bestaat ook een andere visie, die van Rabbi Simeon ben Gamaliël. Zijn bewondering voor Esau toont een (edel)moediger hart. Bij zijn commentaar op het moeilijke gebod om zijn ouders te eren, merkt hij op: „Mijn hele leven heb ik mijn vader gediend, en toch heb ik nog niet een honderdste deel gedaan van de dienst die Esau voor zijn vader, Isaak, verrichtte” (Genesis Rabba 65:16).
Hij verwees naar het verslag over Esaus bijzondere voorliefde voor het favoriete eten van zijn vader (Genesis 25:28).
Diep respect
Een vijand is niet per definitie een vijand, maar door de omstandigheden. En omstandigheden kunnen veranderen. Daarin ligt de hoop op vernieuwing en het antwoord op cynisme.
Misschien zit er een les in deze twee onderwerpen: het terugbrengen van het verloren voorwerp van een vijand en het diepe respect voor iemand wiens algemene ideologie men zelfs kan verafschuwen, een les die ons vandaag kan helpen om boven een bekrompen vorm van ‘Joods denken’ uit te stijgen.
Streven naar verlichte heiligheid betekent het overwinnen van morele bekrompenheid.
De vaak overdreven loyaliteit aan de eigen familie wordt in zulke vooruitstrevende uitspraken en houdingen kritisch ter discussie gesteld. Streven naar een verlichte heiligheid betekent het overwinnen van morele bekrompenheid.
Voor de Bijbelse geest vindt de strijd om morele verheffing plaats in de alledaagse ethiek van de verantwoordelijkheid jegens de medemens. Juist daar wordt het ware karakter gevormd.
cover: collage Bloom, 2021
Verhelderend
Mooi Tzvi, wij zijn het een keer eens met elkaar. Ons daden zijn de basis, belangrijke dan ideologie.