Een belangrijk deel van parasjat Sjemini is gewijd aan de regels ten aanzien van welke dieren wel en niet gegeten mogen worden.
Dat gaat aan de hand van categorieën – bijvoorbeeld wél herkauwende landdieren met gespleten hoeven, maar níet die zonder beide kenmerken (Lev. 11, 2-7). Of wél vissen met schubben en vinnen maar níet die zonder (Lev. 11, 9-10).
Of nog specifieker: wél bepaalde kruipers met vleugels die op vier poten lopen en die boven de voet een verbinding hebben tussen hun poten waarmee ze kunnen springen maar sowieso níet kruipers met vleugels die op vier poten lopen en niet van die verbonden poten hebben waarmee ze kunnen springen (Lev. 11, 20-21).
Achterliggende reden
Het gebruik van een categoriserend criterium impliceert dat er een achterliggende reden is voor het onderscheid. Net zoals die er is bij bijvoorbeeld de regel dat inwoners boven de achttien wél mogen stemmen en die onder de achttien níet. Het is immers niet de leeftijd op zich die verklaart waarom een individu wel of juist niet mag stemmen, maar de veronderstelde ontwikkeling van politiek bewustzijn en verantwoordelijkheidsgevoel dat gepaard gaat met het bereiken van een bepaalde leeftijd.
Dit roept dan direct de vraag op welke kwaliteiten verband houden met de vorm van de hoeven of met het al dan niet hebben van schubben (en vinnen) of verbonden springpoten. Maar de onderbouwing ontbreekt, zoals vaker het geval is bij ge- en verboden in Tora.
Bij de vogels zijn er geen categorieën, maar een opsomming en ook daarbij ontgaat mij de logica: waarom is het wel toegestaan een duif of een kalkoen te eten maar een witte uil of een buizerd niet (Lev. 11, 18)?
Voorloper Voedsel- en Warenautoriteit
Naar die logica wordt soms gezocht. Varkens zouden vieze beesten zijn en daarom zou het beter zijn ze niet te eten. Roofvogels zouden per ongeluk dierenlijkjes opgepeuzeld kunnen hebben met alle kans op ziekte van dien. Van garnalen kan je gemakkelijk een voedselvergiftiging oplopen. Alsof de Tora een voorloper was van de Voedsel- en Warenautoriteit.
Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit allemaal speculatie is en – belangrijker – de plank misslaat. De geboden staan in Tora en dáarom zijn ze verplicht; daar is geen rationale voor nodig. Althans, zo kun je er ook naar kijken.
Overtuigingen, identiteit
Weer een andere invalshoek is om niet te zoeken naar een rationale achter de kasjroet regels, maar naar het nuttig resultaat ervan. Bijvoorbeeld door te stellen dat kosjer eten je bewuster maakt van wat je wel en niet in je mond stopt en je zo meer mindful maakt. Of: dat het je wilskracht traint omdat je tegen sommige etenswaren nee zegt. Of: dat het je kan inspireren om bewust met de schepping om te gaan en zo ecologisch te leven. Zo worden de regels een canvas waar je je overtuigingen op kunt schilderen.
En er is nog een manier om kasjroet te benaderen. Je kunt het gebruiken als expressie van je identiteit. Bijvoorbeeld: het niet-eten van garnalen is dan een onderdeel van wíe je bent. Je kunt kasjroet overigens ook omgekeerd benutten: dan is je identiteit dat je Joods bent en wél garnalen eet. Die variant trof ik overigens vaker in Israël aan dan hier in Nederland.
Betekenisvol en nuttig
Alle benaderingen aanschouwend zie ik er vooral de diep menselijke eigenschap in om het ondoorgrondelijke betekenisvol en nuttig te maken.
Sjabbat Sjalom
cover: collage Bloom, 2021
Mary Douglas geeft met haar Purity and Danger een antropologische verklaring.