Eiberste, stuur een refoe’o sjeleimo voor mijn zusje

mijn eigen weg #38 

Toli of Naftoli, jongeman met peijes en pet op tegen de achtergrond van Londen

19 maart 2014

‘Maar mammie, wat is er aan de hand met Chayele? Ik wil haar spreken!’ 

‘Naftoli, dat lukt niet.’ Ik hoor een diepe zucht. ‘Chayele is in het ziekenhuis’. ‘Ik dacht dat ze al weer thuis was’ ‘Lieverd, Chayele was thuis. Maar gisteren moest ze weer terugkomen.’ 

‘Mammie, wat is er met haar aan de hand, ik moet het weten!’ Weer die zucht.’ 

Naftoli, zo gauw we opnieuw met de dokter hebben gesproken, zal ik je precies vertellen hoe het verder gaat’ 

Dit is zo typisch. Altijd als er iemand ziek is, wordt er niet verteld wat er aan de hand is. Dan wordt er een beetje omheen gepraat. De ziekte wordt nooit met naam genoemd. Gaat het over een heel erge ziekte? Dan hebben we over jenne machele. Wordt er gevraagd of het al wat beter wordt, dan luidt steevast het antwoord Mit der Eiberstes Hilf. 

Met zulke antwoorden weet je dan nog niks. ‘Mammie, ik kom nu naar huis. Ik moet Chayele zien!’ Ik sta te huilen aan de telefoon. Ik hoor dat mammie het ook moeilijk heeft. ‘Jongen, doe dat nu niet. Ga naar een Rebbe toe, vraag een Rebbe om  voor Chayele te dawwenen. Ik zal het niet tegen tattie zeggen, maar ga desnoods naar de Koisel. Neem een kvitel mee met de naam Chayele bas Breindel’ 

Verbeeld ik me dit of klinkt angst of paniek in mammie’s stem? Dat ze me zelfs naar de Koisel stuurt, terwijl ze weet dat tattie daar niets van moet hebben. De Koisel is voor hem ‘zionisme’. Met een ‘Mammie, ik bel je vanavond weer op’ eindig ik het gesprek. 

Mijn lieve zusje. Nog steeds weet ik niet wat er aan de hand is. ‘Chayele bas Breidel’ schrijft op het papiertje. “Voor een voorspoedige genezing”. En hetzelfde schrijf ik op het tweede blaadje. Ik stop ze in mijn binnenzak. Voor de gelegenheid trek ik mijn kaftan weer aan en draag ik ook mijn hoed. Ik houd een taxi aan. ‘Naar de koisel alstublieft’.

Het is niet druk op het grote plein bij de ‘Muur’.  Met het opgevouwen briefje in mijn hand loop ik naar voren. Ik pak een tehillim vanaf de stapel. Langzaam, woord voor woord, lees ik de psalmen zachtjes. “Eiberste, stuur een refoe’o sjeleimo voor mijn zusje. Laat dit niet mijn straf zijn voor wat ik verkeerd doe. Mijn zusje kan daar toch niets aan doen. Alstublieft, help dat kleine meisje, help mammie en tattie.”

Mijn hand trilt terwijl ik het propje papier in een van de gleuven duw in de eeuwenoude tempelmuur. Ik lees nog twee hoofdstukken uit de Psalmen, draai me om en ren nu terug naar de halte waar taxi’s staan te wachten. “Naar de Boyaner sjoel, alstublieft”.

Ik weet dat het zo nu eenmaal gaat. Maar op zo’n avond als nu duurt het wachten extra lang. Al eens eerder ben ik bij de Boyaner Rebbe geweest. Toen was het voor een van de zieke bochrim in de jesjiewe. Pas ver na middernacht mochten we de kamer van de Rebbe binnenkomen om ons kvitel te overhandigen. Ik hoop echt dat het nu niet zo laat wordt. Ik heb mammie beloofd dat ik nog terug zal bellen. 

Er is nog één iemand voor mij. Iedere keer wanneer iemand door de gabbe wordt geroepen om binnen te komen, schuiven we weer een plekje op, dichter naar de deur. 

De gabbe wenkt mij. Het is mijn beurt. De Rebbe zit achter zijn tafel recht tegenover de deur. 

Ik loop op hem toe, geef hem een hand en leg het kvitel voor hem op tafel. 

De Rebbe vouwt het langzaam open en buigt zich naar voren. ‘Chayele bas Breindel?’ Ik knik. ‘Jouw zuster?’ ‘Ja, mijn jongere zusje. Ze is erg ziek, in het ziekenhuis.’ 

Opnieuw staart de Rebbe naar het briefje. Vouwt het weer dicht en legt het op een stapeltje van nog meer briefjes. ‘Hoe heet je zelf?’ ‘Ik heet Naftoli ben Awrohom, Naftoli de zoon van Rav Awrohom Horowitz, uit Londen.’ 

Even sluit de Rebbe zijn ogen, alsof hij moet nadenken. ‘Ach ja, Reb Awrohom, de nakomeling van Rebbe Naftoli Zwi van Ropshitz. Hoe gaat het met vader?’ De Rebbe wacht mijn antwoord niet af. ‘Er komt vast een goede genezing van zijn dochter.’ 

De gabbe stapt naar voren en wenkt me mee om naar buiten te gaan. Ik duw een briefje van vijf dollar in de hand van de gabbe. Dit is voor het liefdadigheidswerk van de Rebbe. 

Een warm gevoel bekruipt mij. De Rebbe kent tattie dus. Eventjes was ik weer helemaal terug in mijn oude omgeving. Het voelde alsof ik ineens weer thuis was. 

Buiten probeer ik naar huis te bellen. Maar er wordt niet opgenomen. Het moet thuis toch ook al heel laat zijn? Ik begin me meteen weer zorgen te maken. Zouden tattie en mammie weer naar het ziekenhuis zijn?  Wie is er dan bij de kinderen? 

Ook deze nacht breng ik maar weer door op de harde houten bank in sjoel. Dat stoort me nu niet. Zolang ik vanavond tattie of mammie nog maar even kan spreken. Ik moet weten hoe het met Chayele gaat.


Refoe’o sjeleimo: Een volmaakte genezing
Jenne machele: Jiddisj voor ‘de bekende ziekte’ 
Mit der Eiberstes Hilf: Jiddisj voor Met de hulp van de Allerhoogste
Kvitel: Klein papieren briefje met een geschreven gebed of verzoek met de naam van diegene voor wie het verzoek is bedoeld dat wordt achtergelaten op een heilige plaats of aan een Rebbe wordt overhandigd.
Gabbe: Assistent van de Rebbe 


cover: Naftoli in Londen, ©auteur

Over Lody van de Kamp 135 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*