Reb Sjaje: Het internationale internaat voor Israelietische Jonge Heeren en de socialistische kleinzoon

deel 2

schilderij van grote synagoge in Amsterdam, opening 1636

Isaac Meijer, de vader van Reb Sjaje, was marskramer van beroep: ‘omlopende met ene zak’. 

Dit verklaart de familienaam ‘Kleerekoper’. Reb Jesaja ondertekende brieven en documenten altijd met de Jiddische initialen K/S ofwel Kleider Soucher (handelaar in kleren).

Over zijn kinderjaren bestaat weinig documentatie, behalve dat hem voorspeld was dat hij een tsaddik zou worden.

zie ook deel 1: Reb Sjaje Kleerekoper, de Hollandse ‘Admor’

Zeventigste verjaardag

Nadat Reb Sjaje dagen lang op de dood had gelegen, herstelde hij zeer verrassend rond de datum van zijn verjaardag, 7 juli 1880. Men zag hierin de goddelijke voorzienigheid en een bewijs dat hij een tsaddiek was. De emoties rond zijn herstel liepen bij alle lagen van de Joodse bevolking hoog op, honderden kwamen hem op zijn verjaardag in zijn eenvoudige woning feliciteren.

In het Kleerekoperarchief is de tekst van de felicitatiebrief van de bestuurders van de kehilla opgenomen met de voor de Nederlands-Joodse gemeenschap wel heel bijzondere aanhef: Admor.*

(red.) *Admor is een acroniem van het Hebreeuwse Adonenoe, Moreenoe ve-Rabbenoe: ‘onze heer, leraar en rabbi’.

Begrafenis van Reb Sjaje

Vijf  maanden nadat Joods Amsterdam zijn zeventigste verjaardag luisterrijk had gevierd, overleed Reb Sjaje in zijn woning op 29 december 1880.

Groot was de verslagenheid, duizenden beweenden het heengaan van de geliefde rebbe, de ware mensenvriend. De begrafenisstoet trok door de Joodse buurt en hield halt bij de sjoels waarvan de deuren wijd geopend waren. Op de Houtgracht had zich een onafzienbare menigte verzameld. Reb Sjaje werd begraven op de Joodse begraafplaats op Muiderberg.

zwart wit portret van oude man met wandelstok en hoed in oud-Amsterdam
Reb Sjaje zoals hij er waarschijnlijk heeft uitgezien. Beeld (mbv AI) ©auteur

Rabbijn Jesaja Fonds

In 1881 richtten opperrabbijn Joseph Tsvi Dunner en Eliezer Liepman Prins, een van de bestuurders van de negentiende-eeuwse Amsterdamse kehilla, het Rabbijn Jesaja Fonds op. Liepman Prins, filantroop, groot Joods geleerde en geslaagd zakenman in tapijten, had als motto:

De seminaristen kunnen niet goed Tora leren als ze lijden van honger en kou.

Het fonds, in de geest van Reb Sjaje opgericht, had tot doel: ‘materiële steun te verlenen aan behoeftige studenten door te voorzien in onderhoud, kleding en woning’.

Liepman Prins was de eerste voorzitter van het Kleerekoper Fonds. 

Het Jesaja Kleerekoper Fonds was van vitale betekenis voor generaties van behoeftige seminaristen. Het heeft tot het begin van de Tweede Wereldoorlog bestaan. De naam van het fonds droeg tevens bij tot het decennialang in stand houden van de herinnering aan de legendarische ‘Hollandse Admor’.

Internaat voor Israelietisch Jonge Heeren in Tiel 

Aron Samuel Chananja Kleerekoper (geboren in 1843),  een van de zoons van Reb Sjaje, trad het meest van alle zoons in de voetsporen van zijn vader. Op dertigjarige leeftijd werd hij benoemd tot rabbijn in Tiel, een stad die in de negentiende eeuw door zijn gunstige ligging aan de Waal was uitgegroeid tot een belangrijke en welvarende handelsstad. De Tielse kehilla beschikte in die tijd over een eigen begraafplaats, een sjoel en een schooltje.

Naast zijn rabbinale functies was hij tientallen jaren leraar Hebreeuwse en Joodse godsdienstleraar  aan het beroemde Joodse internaat in Tiel dat onder leiding stond van zijn schoonvader Asser Hirsch.

Dit instituut had Asser Hirsch, zwager van Reb Sjaje, in 1855 opgericht als Joodse kostschool. 

Aanvankelijk waren het voornamelijk zoons van welgestelde Amsterdamse Joden die zich in dit elitaire instituut lieten inschrijven. Later werden er ook Joodse jongens van rijke ouders uit Londen, Parijs, Brussel, Antwerpen, Luik en zelfs uit de Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Australië geregistreerd. Na de pogroms in Rusland vanaf 1890 werden er ook leerlingen uit St. Petersburg, Wilna en Minsk aangemeld.

Het ging hier om een gedegen middelbare schoolopleiding voor jongens in de leeftijd van twaalf tot achttien jaar.

 Moderne, seculiere onderwijs met Joodse educatie in een streng orthodoxe omgeving. 

Wat was de aantrekkingskracht van het internationale Tielse instituut?

Allereerst de unieke combinatie van het moderne, seculiere onderwijs met een uitstekende Joodse educatie in een streng orthodoxe omgeving. Bovendien stond de zorg voor het welzijn van de jongens centraal.

Een bijkomende factor was de veilige, rustige omgeving van Tiel versus het drukke leven in grote steden als Amsterdam, Brussel, Parijs en Londen. De ouders hoopten dat hun pubers zich beter op hun studie konden concentreren als ze niet dagelijks geconfronteerd zouden worden met de verleidingen van de grote stad.

Sluiting Joods-Tiels internaat

In 1899 werd Asser Hirsch uit erkenning voor zijn vijftigjarige levenswerk door koningin Wilhelmina verheven tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Door Tielse notabelen, vertegenwoordigers van de kehilla en lokale autoriteiten werd Hirsch vooral geprezen om de internationale faam van het uitmuntende Joods-Tielse internaat dat hij niet alleen gesticht had en met strakke hand had geleid.

In 1902 viel het doek van het internaat. Hoofdreden was het overlijden van de echtgenote van Asser Hirsch en het ontbreken van een opvolger. Zijn schoonzoon Aron Samuel Chananja Kleerekoper vertrok in 1909 naar Amsterdam en overleed in 1930.

Asser Benjamin Kleerekoper, de socialistische kleinzoon van Reb Sjaje

ABK, zoals Asser Benjamin Kleerekoper werd genoemd, wordt beschouwd als een van de bekendste Tielenaren, zowel vanwege zijn politieke loopbaan als lid van de Tweede Kamer, van de Amsterdamse gemeenteraad en van de Provinciale Staten namens de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiderspartij) en als geslaagd columnist (Oproerige Krabbels).

Hij was de enige zoon van Aron Samuel Chananja Kleerekoper.

Zionistische episode

In zijn studententijd werd ABK zionist en bracht hij het tot hoofdredacteur van de Joodsche Wachter, het orgaan van de Nederlandse Zionistenbond. In 1900 vertaalde hij het latere Israelische volkslied Hatikwa in het Nederlands.

Zijn prominente positie binnen de Zionistische Beweging kwam tot uitdrukking in het feit dat ABK tijdens het achtste Zionistencongres in Den Haag in 1907 de officiële welkomstspeech (in het Hebreeuws!) hield.

Van zionist naar socialist

In het jaar 1909 verschoof zijn focus radicaal, toen zijn strijd tegen sociale ongelijkheid hem in conflict bracht met het zionisme en hij lid werd van de SDAP. Zijn socialisme was gekleurd met Joodse solidariteit, want hij was voorstander van Joodse ‘settlement’ op grote schaal in Palestina en heeft zowel het nationaal-socialisme als ook het antisemitisme als geen ander bestreden.

ABK was respectvol over zijn diep-religieuze grootvader. In zijn column van 20 februari 1926 schreef hij een zeer opmerkelijke tekst: 

Waar de jongere generatie koos voor de arbeidersklasse, was mijn diep religieuze grootvader Reb Sjaje Kleerekoper de spirituele  voorlooper daarvan.


cover: schilderij ui 1935 van grote synagoge door Martin Monnickendam: ’Het gebed in de Grote Sjoel’ ter ere van het 300-jarig bestaan van de Asjkenazische gemeenschap in Amsterdam.

Over Jaap Colthof 37 Artikelen
Dr. Jaap Colthof, geboren in Den Haag, woont sinds 1979 in Jeruzalem. De laatste jaren doet hij historisch onderzoek naar de geschiedenis van het Nederlandse Jodendom in de 19de en begin 20ste eeuw. Hij publiceerde een boek met markante verhalen uit Joods Amsterdam rond 1800 en een biografie over de Amsterdamse opperrabbijn Jozef Zvi Dunner. Verder publiceerde hij artikelen in het Nederlands, Hebreeuws en Engels, onder andere over de Rotterdamse opperrabbijn Bernhard Loebel Ritter.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*