Op 1 mei 1894 stond voor het huis van Jozef Israëls in Den Haag een reiskoets klaar.
De schilder was zeventig. Zijn vrouw Aleida was enkele maanden eerder overleden en zijn huis voelde stiller dan ooit. Aan de muren hingen een Rembrandt, Rafaël en Holbein, maar zelfs het mooiste gezelschap in een lijst zegt ’s avonds niet dat de thee klaarstaat.
Zijn zoon Isaac vond dat zijn vader eruit moest. Niet naar Scheveningen — dat kon Jozef op pantoffels — maar naar Spanje. En als je toch zo ver ging, konden Cádiz, Tanger en dat uiterste randje van Afrika er ook nog wel bij.
“Dat is precies hoe reizen uit de hand lopen,” zei Lilly toen ik haar het boek voorlas. “Je begint met een weekendje Madrid en eindigt op een muilezel in Marokko.”
Isaac nam zijn vriend Frans Erens mee, schrijver, dichter en filosoof.* Jozef vond dat uitstekend: schilders zagen vooral de buitenkant van de dingen, een dichter kon de diepere betekenis opvangen. Een keurige negentiende-eeuwse taakverdeling: Isaac regelde de kaartjes en betaalde de rekeningen, Erens moest alles begrijpen en vader Jozef mocht kijken.
*Zie ook Op reis met Isaac Israels door Europa over de recente tentoonstelling in het Kröller Müller Museum.
Voor vertrek spreidden ze een kaart van Spanje uit, met boeken over Filips II, El Cid, Calderón, Lope de Vega en het Escorial, en twee reisgidsen: een uitvoerige, beleefde Fransman en een strenge, nauwkeurige Duitser.
“En wie had de hondenbrokken bij zich?” vroeg Lilly. Niemand. In 1894 was de Europese beschaving kennelijk nog niet voltooid.
De tocht ging via Rotterdam, Antwerpen en Brussel. Nauwelijks was Jozef Nederland uit of hij besloot dat het thuis eigenlijk het mooist was.
In Brussel zag hij Wagners Tristan und Isolde tot het bittere einde uit; Isaac en Erens vluchtten halverwege naar een café-chantant en kwamen de volgende ochtend vertellen hoeveel plezier zij zonder Wagner hadden gehad.
Van Madrid naar Toledo
Via Parijs, San Sebastián en Burgos bereikten ze Madrid. Daar wachtte het Prado, het ware doel van de reis. De gedachte dat hij Velázquez zou zien hield Jozef een halve nacht wakker. Eenmaal binnen bewonderde hij hem hartstochtelijk, maar bleef Nederlander genoeg om Rembrandt toch groter te vinden: Velázquez schilderde geweldig, maar de ogen, haren en voorhoofden van Rembrandts Staalmeesters leefden.
“Een keurige museumbezoeker,” zei Lilly. “Hij reist tweeduizend kilometer om te ontdekken dat Amsterdam heeft gewonnen.”
Murillo vond hij te zoet, voor Goya en El Greco had hij opmerkelijk weinig aandacht. Reizigers zien nooit alles.
Van Madrid ging het naar Toledo. Jozef had zwarte ridders te paard verwacht, monniken met fakkels, een jonkvrouw achter een getralied raam. Het regende, de straatjes waren modderig, van de gedroomde ridders ontbrak elk spoor. Toledo raakte hem wel, maar anders dan gehoopt.
Jozef en Isaac Israëls voor de Mesquita in Córdoba, 1872. Beeld Wagenhuis (mbv AI)
Daarna de trein naar Córdoba. Niemand had haast, schreef Israëls, en de trein al helemaal niet. Bij ieder station wandelden passagiers wat rond. Een bedelaar met een enorme knuppel vroeg Jozef om geld; de schilder deed alsof hij hem niet begreep. Een jongetje concludeerde: “Hij is niet wijs. Laat hem maar gaan.”
“Een uitstekende internationale onderhandelingstechniek,” vond Lilly. “Die gebruik jij ook wanneer de rekening komt.”
In Córdoba dwaalden ze door de Mezquita, tussen het woud van zuilen en de katholieke kapel die later midden in de moskee was gebouwd. Buiten zag Jozef een jongen met zwarte geiten onder een palmboom. Toen schreef hij iets prachtigs: het gewone leven bezit soms een bekoring waarbij zelfs de schoonste kunstwerken in het niet zinken.
Dat was Jozef Israëls ten voeten uit. Hij zocht paleizen, kathedralen en beroemde schilderijen, maar werd uiteindelijk het diepst geraakt door vissers, arme gezinnen, oude mensen, kinderen en een jongen met geiten.
Per stoomschip naar Tanger
Via Sevilla en Cádiz ging het per stoomschip naar Tanger: zeven uur op zee, terwijl Jozef geen beste zeeman was. Daar verkenden de drie mannen op muilezels de stad en de markt; ook voor de kleine Jozef was een ezel geregeld, die een van de beroemdste Nederlandse schilders van zijn tijd door Afrika droeg, zonder daar ooit een catalogusvermelding voor te krijgen.
Jozef zag karavanen, kamelen, koperslagers, improviserende zangers, vrouwen die hun gezicht bedekten, zijn beschrijvingen klinken soms gedateerd en exotiserend. Maar ineens gebeurde er iets waardoor de toerist Israëls veranderde in de Jood Jozef.
Sjalom aleichem
Tijdens een wandeling ging hij nieuwsgierig een donker huis binnen. Boven aan een trap hoorde hij een mannenstem in het Hebreeuws vragen wat hij zocht. Jozef antwoordde stuntelend: Sjalom aleichem, anochi Jehoedi me’erets Holland (vrede zij met u, ik ben een Jood uit Holland).
In de kamer zat een oude Joodse schrijver gebogen over een groot vel perkament, een zwart kapje op zijn witte hoofd, twee krukken naast zich. Met een ganzenveer liet hij Jozef zien hoe gelijkmatig hij de heilige letters schreef. Daarna strompelden ze samen naar het platte dak, waar de schilder uit Den Haag en de wetschrijver uit Tanger naast elkaar op een mat zaten, uitkijkend over de witte stad, de heuvels en de zee.
Ze deelden nauwelijks een taal. Hun kleding, wereld en dagelijks leven konden bijna niet verder uit elkaar liggen. Toch herkenden ze elkaar onmiddellijk. Toen Jozef opstond, legde de oude man zijn handen op zijn hoofd en sprak de priesterlijke zegen uit:
“Moge de Eeuwige u zegenen en behoeden.”
Zelfs Lilly zei een tijdje niets.
Misschien was dát de werkelijke bestemming van de reis. Niet het Prado, niet Velázquez, niet het Alhambra, zelfs niet de ezel. Een rouwende Joodse schilder uit Den Haag liep in een onbekende stad een donkere trap op en vond daar, aan de overkant van de wereld die hij kende, plotseling familie.
Deze vrijdagavond denk ik aan die twee oude mannen op dat dak in Tanger. Aan de zee tussen hen en Holland. Aan een paar woorden Hebreeuws die voldoende bleken om een afstand van duizenden kilometers te overbruggen.
Lilly keek naar haar blauwe keppeltje en daarna naar mij.
“Levie,” zei ze, “dat is dus Joodse geschiedenis. We verdwalen eeuwenlang over de wereld, maar zodra iemand sjalom aleichem zegt, blijken we gewoon weer thuis te zijn.”
cover: Kinderen der zee, Jozef Israëls, 1872
Hoe beroemd Israels in zijn tijd ook was – waten Rembrandt, Rafael, Holbein toen nog betaalbaar ? Nochtans een gaaf verhaal, vooral de conclusie aan het eind
En zo en voelt het ook. Waar en wanneer je bent vent. Je gaan en komen gaan. Shana tova.