Kwaadspreken kan leiden tot de huidziekte tsara’ath

Tazria - Metsora

beeldmerk Parasja in blauw met gele en rode stip

De dubbele parasja Tazria – Metsora gaat voor een groot deel over de ziekte Tsara’at.

We weten niet precies welke ziekte dit is, er geen moderne aandoening die lijkt op deze ziekte. De rabbijnen in de talmoed zagen het als een G’ddelijke straf. Waarvoor, daar waren de geleerden het uiteraard niet over eens. Rabbi Jonathan noemt in de talmoed bavli (arachin 16a) zeven redenen: kwaadspreken, bloedvergieten, valse geloften, verboden seksuele relaties, arrogantie, diefstal en gierigheid.

De Midrash Rabba (Vajikra 16,1) wijst op Misjlee 6:16-19. Daarin worden ook zeven zonden genoemd: “Een trotse blik, leugenachtige taal (een liegende tong), handen die onschuldig bloed verspillen, een hart dat kwade plannen beraamd, snelle voeten die rennen naar het slechte, de liegende adem van een valse getuige en hij die voor broedertwisten zorgt.”

Wat opvalt is dat het allemaal misdragingen ten opzichte van andere mensen is. Arrogantie zou misschien nog richting G’d kunnen zijn, maar de context leert dat het om intermenselijke relaties gaat. Hetzelfde geld voor bloedvergieten. Die zonde lijkt juist veel extremer dan de rest. We leren hieruit dat roddelen en kwaadspreken net zo heftige gevolgen kan hebben als moord en doodslag.

Helaas zien we dit maar al te duidelijk in onze tijd, waarin mensen op sociale media tot wanhoop worden gedreven door andere ‘sociale’ mediagebruikers.

G’ddelijke straf

Een aantal zaken vallen op bij de ziekte. Ter eerste moeste de Koheen goed onderzoeken of de persoon wel echt deze ziekte had en niet een andere huidziekte. De tsara’ath was een G’ddelijke straf, dus het is belangrijk dat je niet te makkelijk iemand ervan beschuldigt dat deze door G’d gestraft wordt. Dit is niet aan personen zelf, dit mag alleen een Koheen beoordelen. De persoon moest zeven dagen in afzondering. Als we bedenken dat de achterliggende overtredingen allemaal in het intermenselijke liggen, is het begrijpelijk dat de persoon even een sociale ‘time out’ krijgt.

Als we bedenken dat de achterliggende overtredingen in het intermenselijke liggen, is het begrijpelijk dat de persoon even een sociale ‘time out’ krijgt.

De Rambam beschrijft dat de ziekte een waarschuwing was tegen mensen die kwaadspreken. De ziekte werd steeds erger. Het begint in zijn huis, dan zijn kleren en uiteindelijk op zijn lichaam. Dit ging door totdat de persoon tot inkeer kwam. De inkeer is ook te herkennen aan het schuldoffer dat de persoon bracht zodra deze genezen was. Dit lijkt op de nazier, waar ik eerder over het geschreven, die ook een schuldoffer bracht. Ook de nazier had gedrag waar een ‘time out’ voor nodig was.

Instrument tot inkeer

Hiermee geeft de Rambam de ziekte een meer filosofische draai: lijden als instrument om mensen tot inkeer te laten komen. Dit is een antwoord op de veel gestelde vraag waarom menselijk lijden voorkomt. Het is een thema dat veelvuldig terugkomt in onze traditie.

Het boek Job heeft het als hoofdthema en ook bij tsara’at zien we dit thema terugkomen. De rabbijnen vragen zich af wat iemand heeft gedaan om deze ziekte te verdienen. Maar ook, zoals we bij de Rambam zien, worden er paradoxaal genoeg helende kwaliteiten aan de ziekte gekoppeld. Het lijden aan de ziekte is nodig om de ziel van de kwaadsprekende persoon te reinigen. Pas als dat gebeurd is, kan het lichaam gereinigd worden. Maar we moeten hier wel mee oppassen.

Het is niet aan ons om de omgekeerde logica toe passen. We kunnen niet zeggen dat iemand die lijdt dus een G’ddelijke straf ondergaat. In de Tora is dat alleen aan de Koheen om die inschatting te maken. Wij moeten daar ver weg van blijven. En daarmee blijft het antwoord op deze vraag een eeuwig raadsel.

Medemenselijke manier met elkaar omgaan

De ziekte komt tegenwoordig niet voor. We leren dat deze alleen voorkwam in Israel in tijden dat het land het spirituele niveau had van toen de Tempel nog bestond. Toch is het onderwerp nog steeds relevant. De ziekte is uiterlijk symbool van het kwaad dat we elkaar aan kunnen doen als roddel, kwaadspreken, leugens en arrogantie de boventoon voeren. Het leert ons hoe belangrijk het is om op medemenselijke manier met elkaar om te gaan.

Sjabbat sjalom

Over Michael Hochheimer 13 Artikelen
Michaël Hochheimer groeide op in Amstelveen. Hij studeerde aan Jeshivat haKibuts haDati in Ein Tsurim en theoretische natuurkunde aan de UvA. Michaël zet zich met veel energie in voor de CIZ-Sjoel, onder andere als ba’al koree (voorlezen uit de Tora) en chazan (voorgaan in de dienst). Michaël heeft vele Bar Mitswa-jongens opgeleid en is bestuurslid geweest in veel organisaties, variërend van Bne Akiwa en Ijar tot het CJO en de CIZ Vereniging. In het dagelijks leven is hij beleidsadviseur bij de Nederlands Zorgautoriteit waar hij waakt over de kosten van de gezondheidszorg.

1 Comment

  1. Toen ca 55 jaar geleden gedurende de zomer 3 weken op een Jeshivah leerde, was de eerste (of tweede?) vraag die ons de eerste dag werd voorgelegd: wat is erger: iemand doden of kwaad spreken לָשׁוֹן הָרַע.? IK vond het een zeer lastige vraag. Het antwoord herinner ik me nog..Fred

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*