21 november 2013
De eerste keer was het echt wel wennen. De gymnastiekzaal stonk naar zweet. Dat kon ook niet anders. Zo’n veertig jongens allemaal van mijn leeftijd lagen er op de matten op de grond te vechten.
De opdracht was om te proberen degene die jouw maat was de baas te blijven. En dat ging helemaal niet zo zachtaardig. Het gevecht ging door totdat de soldaat op zijn fluitje blies. Daarna was het meteen in rijen naast elkaar, rechtop in de houding.
Sommige van de jongens waren goed getraind. Dat kon van mij niet worden gezegd. De meeste lichaamsbeweging waar ik me tot dan toe mee bezig had gehouden was het ‘sjokkelen’ onder het dawwenen en tijdens het bestuderen van de Gemore’s in de Jesjiewe. De andere jongens deden al lang aan sport.
Ik sta hijgend in de houding en voel hoe het zweet over mijn rug loopt. Na een paar weken weet ik dat er veel van onze soldaten wordt verwacht. En wij zijn nog niet eens in dienst. Waar ik nu ben in de gymzaal is alleen nog maar een opleiding om ons een beetje enthousiast te maken om later naar het leger te gaan.
We worden opnieuw afgebeuld door rondjes te moeten rennen en een heleboel kniebuigingen. En dan klinkt het ‘voorwaarts, de kleedkamer in.’
Op rijen banken waar onze kleren keurig op stapeltjes naast elkaar liggen hoef ik geen moeite te doen mijn bundeltje terug te vinden. Tussen de bonte verzameling van t-shirts en jeans ligt er maar één stapeltje ‘zwart”’. Mijn broek, de opgevouwen kaftan, het witte overhemd en daarbovenop de zwarte hoed.
Ik zie er wel anders uit dan de rest van onze ploeg, maar de jongens beschouwen mij toch als een van hen. Al twee keer werd ik in het Jiddisj aangesproken door bochrim die ooit net als mij nu in de Jesjiewe hadden gezeten. Maar dat leven hadden zij vaarwel gezegd. Wel jammer trouwens. Waarom kunnen ze niet gewoon hun tradities trouw blijven en toch mee doen met deze opleiding? Net zoals ik dat doe. Al een paar keer heb ik daar naar willen vragen. Maar dan voel ik mij verlegen en denk ik: “Jij gaat jouw weg, ik heb mijn manier van leven.”
Ik draai de kraan van de douche dicht en wikkel mezelf in een grote handdoek. Op de klok tegenover me zie ik dat het net half drie is geweest. Dat is mooi. Als ik nu flink doorloop kan ik nog op tijd zijn voor het middagleren in de jesjiewe. Terug naar mijn andere wereld. Onze commandant vraagt nog één keer om stilte. “Volgende week is er geen middagtraining. Jullie moeten je ’s avonds om half 11 hier melden. We gaan dan op nachtpatrouille. Dan leren jullie ook hoe dat er uitziet. De volgende ochtend rond negen uur zijn we hier weer terug. En nu wegwezen.”
Het is druk bij de halte in Jeremiastraat. Bussen rijden af en aan. Bij de halte voor de bus naar de Koisel staan de meeste mensen te wachten. Ik loop langs de wachtende rijen. En dan, een enorme knal, lichtflitsen, gegil en gekrijs. De bus die op het punt stond te vertrekken is één grote vuurbal.
Wat er daarna met mij gebeurde weet even ik niet meer. Maar ik zit op de grond naast een gewonde vrouw. Om ons heen heel veel bloed en allemaal mensen die gewond zijn. Ik probeer de vrouw wat te kalmeren. Er klinken sirenes om me heen. Ambulances, mensen in rode hesjes rennen rond. Ik wenk één van hen.
Hij komt meteen met een verbandkoffer naar ons toe. ‘Nee, mij markeert niets. Deze vrouw heeft hulp nodig.’ De man in het hesje knielt naast me neer. In zijn mobilofoon roept hij een ambulance op. Terwijl hij het hoofd van de vrouw verbindt geeft hij mij een por. ‘Toli, jij hier?’ Ik kijk hem aan. Het is een van de mensen van het ambulancedepot waar ik ook werk. ‘“Akiva is mijn naam. Toli, daar, iets verder. Zie je die man, die chassidische? Ga daar naar toe. Kijk wat er aan de hand is. Ik red het hier met deze dame wel.”
Ik spring op. Akiva trekt uit zijn tas een ander hesje. ‘Trek dit aan, dan weten ze wie jij bent’. Ik wurm me in het hesje en ren naar de man. Hij ligt helemaal stil in een plas bloed. Zijn hoofd is opzij gedraaid. Hij is helemaal bleek. Zou hij nog leven? Onderhand komen er steeds meer ambulances. Er rennen nu ook mensen rond in helse pijnen die uit de brandende bus lijken te zijn ontsnapt.
Na een tijdje, het lijkt een eeuwigheid, wordt het opeens rustig. De meeste gewonden zijn afgevoerd. Alles rond de plek waar de aanslag is gebeurd is nu helemaal door de politie afgezet. Politieauto’s en motoren rijden af en aan. De brandweer heeft de vuurzee geblust van wat eens een bus was. Op de stoep zitten nog omstanders die allemaal in shock lijken te zijn. Ik sta nu ook op.
De gewonde vrouw is weg. Ze zal wel naar het ziekenhuis zijn gebracht. En ook de man die net nog naast mij lag is verdwenen. Alles gaat zo gauw dat ik niet eens goed in de gaten heb wat er allemaal om me heen gebeurt. Ook Akiva zie ik niet meer. Nog nooit heb ik een aanslag van zo dichtbij meegemaakt.
Zonder een idee te hebben hoe laat het is ga ik maar op weg naar de jesjiewe. Ik trek het hesje uit, overal bloedvlekken, en stop het in dichtstbijzijnde prullenbak. De voordeur van sjoel van de Belzer chassidim staat open. Ik loop naar binnen. Het is hier lekker koel, de airco staat aan. De jesjiewe vanmiddag zal ik maar vergeten. Ik neem een tehillim van de boekenplank en kruip in een hoekje op een van de banken.
Langzaam, woord voor woord, lees ik de zinnen van de heilige psalmen. Al eeuwen lang is dit het meest heilzame wat er gedaan kan worden voor mensen die hulp nodig hebben. Zieken en ook gewonden. Onderhand denk ik aan de vrouw die de aanslag hopelijk heeft overleefd. En aan de man die er zo bleek uitzag. Maar ik zie ook jongens van mijn Satmar jesjiewe voor me die wel weer blij zijn met dat er gebeurd is: “Het zijn de zionisten hun eigen schuld”. Ik schud die gedachten van me af. Ik sta steeds verder van die wereld af.
Dat beetje helpen wat ik vanmiddag heb gedaan is iets van de belofte die ik heb met tattie heb gemaakt. Een beetje zionisme geholpen.
Sjokkelen Het heen en weer bewegen met het bovenlichaam tijdens het gebed en het studeren
cover: ©Auteur
Geef als eerste een reactie