Reb Sjaje Kleerekoper, de Hollandse ‘Admor’

schilderij van grote synagoge in Amsterdam, opening 1636

In het Amsterdam van de negentiende eeuw viel hij op: een man in kniebroek en lange sokken, terwijl de rest van de stad allang in lange pantalons liep. 

Rabbi Jesaja Kleerekoper (1810-1880), door iedereen ‘Reb Sjaje’ genoemd, weigerde mee te gaan met de mode en hield vast aan de kleding van de achttiende eeuw.

Dat was niet het enige dat hem onderscheidde. Reb Sjaje gold als tsaddik, een rechtvaardige, niet alleen om zijn Talmoedische geleerdheid, maar vooral om zijn onvermoeibare inzet voor de zwakkeren in de Joodse gemeenschap. 

Hij was opgeleid aan het Nederlands Israëlitisch Seminarium en gaf er ruim veertig jaar les. Dankzij zijn persoonlijke overtuigingskracht wist hij bij de vermogende Joden geld los te krijgen voor seminaristen die zelf weinig te besteden hadden. Zijn hulpvaardigheid was tot ver over de grens bekend. 

Zijn achterkleinzoon Meijer Perath schreef in 1958:

“Zijn buitengewone tact in de omgang met mensen maakte hem tot een – onbezoldigde – herderlijke figuur. Hij was de Amsterdamse variëteit van de Tsaddiek (Rebbe) van de Chassidische gemeenschappen van Polen en Karpatenland en werd ook in brieven aangesproken met de titel die de Rebbe in het Oosten droeg: Admor*.”

In het rijk gedocumenteerde Kleerekoperarchief in Jeruzalem, bij de Central Archives for the History of the Jewish People in de Nationale Bibliotheek, bevindt zich een potloodschets van Reb Sjaje’s karakteristieke gezicht. Op basis van die schets maakte zijn nazaat Yochai Coppenhagen een AI-afbeelding van de rabbijn, met de Amsterdamse grachten op de achtergrond.

Sober en vredelievend

Reb Sjaje woonde met zijn grote gezin, negen kinderen, in een bescheiden huis aan de Houtgracht, het huidige Waterlooplein. Hij leefde sober, ja ascetisch, en vastte elke maandag en donderdag. Zijn inkomen en bezittingen deelde hij met de armen: geld was voor hem een middel, geen doel.

Uit vroomheid liep hij nooit langs de Mozes en Aäronkerk. Toch had hij een uitstekende band met de pastoor, die bij zijn uitvaart tranen met tuiten huilde. Een onvertogen woord kwam er nooit over zijn lippen, en als vredestichter stond hij hoog aangeschreven. Naast zijn werk aan het seminarium doceerde hij aan het Beet Hamidrasj, de Talmoedische leerschool, en aan het genootschap Derech Jesjoro. Zijn leerlingen hingen aan zijn lippen.

Lunchgast op Jom Kipoer

Een anekdote uit de Dritt-sjoel laat zien wat voor man hij was. Op Jom Kipoer zag Reb Sjaje hoe een zeldzame bezoeker rond het middaguur de sjoel verliet en na een uur verfrist terugkeerde. Duidelijk had hij uitgebreid geluncht. De rabbijn zei er niets van.

Het jaar daarop verscheen dezelfde man weer in de sjoel. Nu vroeg Reb Sjaje hem of hij de eer wilde bewijzen naast hem te komen zitten. De man bleef de hele dag.

Reb Sjaje, AI-beeld © auteur, gebaseerd op de weinige bronnen die er zijn.

Getrouwd met vijftienjarige Esther Hirsch

Op zijn vierentwintigste trouwde Jesaja met de vijftienjarige Esther Hirsch. Haar vader was een gerespecteerd godsdienstonderwijzer, haar broer Jozef Tsvi Hirsch was plaatsvervangend opperrabbijn van Amsterdam. Het paar kreeg vijf zoons en drie dochters. Uit zijn tweede huwelijk werd nog een dochter geboren.

In 1862 trouwde dochter Sara met Isaac Spitz, een aanhanger van de kabbala. Dat was geen toeval, want Reb Sjaje voelde zich zelf tot die mystieke stroming aangetrokken. Spitz woonde in het Rembrandthuis, waar hij op de tweede verdieping een kabbalistische huissynagoge beheerde, in het koopmanshuis waar Rembrandt onder meer De Nachtwacht schilderde (zie mijn artikel ‘Huissynagoge in het Rembrandthuis’ in De Vrijdagavond van 4 juni 2025). Het is dan ook niet vreemd dat Reb Sjaje er zijn dagelijkse gebeden sprak. Volgens Max Gans kwam hij er vanwege de kabbalistische sfeer vaak.

Kattenbelletje van Esther

In het Kleerekoperarchief ligt een briefje van Esther Kleerekoper-Hirsch aan haar man. Het is niet gedateerd, maar vertelt veel over de taal van de Amsterdamse Joden en over de sfeer in huize Kleerekoper, die niet altijd even harmonieus was.

Esther schreef:
“Jesjaje-leb, ich weisz nicht warum ob du heiten fasjt. Ist das de tractement of de verjaehrung von unser chassene? Gut mittag mein hartz, noch viel Jahren. Komm maar enkelt(!!) met ein gute bui(!!) nach Haus, dan bin ich getracteerd(!!) genug. Bleib gesund und leb lang. Nenn ich ihr ha-ketannoh, bas olov hasjolom Sjmoel, eisjes meneer Jesjaja.”

In vrije vertaling:
“Jesjaje, mijn lief, ik weet niet waarom je vandaag vast. Is dat ter ere van onze trouwdag? Goedemiddag, mijn hartedief, nog vele jaren gewenst. Kom snel naar huis, maar alleen met een goede bui!! Dat is voor mij al genoeg traktatie. Blijf gezond en leef lang. Je ‘ha-ketannoh’ (Hebreeuws voor ‘de kleine’) Esther, dochter van wijlen Samuel, echtgenote van meneer Jesaje.”

Jiddisj op straat

Vanaf 1817 was het Nederlands verplicht in het onderwijs en de eredienst. Die maatregel moest de integratie van Joden in de Nederlandse cultuur bevorderen, na het Decreet over den Gelykstaat der Joodsche met alle andere Burgers van de Bataafse Republiek uit 1796. Het Nederlands won vervolgens terrein ten koste van het Jiddisj, maar dat ging geleidelijk. In de Amsterdamse Jodenbuurt was Jiddisj rond 1850 nog altijd de dagelijkse omgangstaal (Colthof, 2018). Dat verklaart de opmerkelijke taal van Esther, die in 1853 overleed: een mengelmoes van Duits, Jiddisj en Hebreeuws, doorspekt met woorden als ‘enkelt’, ‘bui’ en ‘getracteerd’.


*Admor is een acroniem van het Hebreeuwse ‘Adonenoe, Moreenoe ve-Rabbenoe’: ‘onze heer, leraar en rabbi’. Het is de eretitel van een chassidische rebbe, de geestelijk leider van een gemeenschap. Dat een Amsterdamse rabbijn zo werd aangesproken, was uitzonderlijk.

Bronnen: Archief Kleerekoper, Nationale Bibliotheek Jeruzalem, Central Archives for the History of the Jewish People (CAHJP); M.J. Perath, ‘Een archief over Rabbi Jesaja Kleerekoper’, Nieuw Israëlietisch Weekblad, 1958; Jaap Colthof, Van Moordenaar tot Rabbi, 2018, p. 32.


coverer: schilderij van grote synagoge in Amsterdam, opening 1635

Over Jaap Colthof 36 Artikelen
Dr. Jaap Colthof, geboren in Den Haag, woont sinds 1979 in Jeruzalem. De laatste jaren doet hij historisch onderzoek naar de geschiedenis van het Nederlandse Jodendom in de 19de en begin 20ste eeuw. Hij publiceerde een boek met markante verhalen uit Joods Amsterdam rond 1800 en een biografie over de Amsterdamse opperrabbijn Jozef Zvi Dunner. Verder publiceerde hij artikelen in het Nederlands, Hebreeuws en Engels, onder andere over de Rotterdamse opperrabbijn Bernhard Loebel Ritter.

2 Comments

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*