Wie wil er een witz van Horowitz?

de familie Horowitz

Martin Buber schijnt ooit gezegd te hebben, dat wie alleen humor heeft, het gevaar loopt een cynicus te worden. En wie alleen geloof heeft, moet uitkijken dat ie geen kwezel wordt. Het is de balans tussen beide, die een mens dichter bij het goede leven brengt. Moet ik daarom in mijn bibliografie van “alles wat tussen 1790 en nu in Nederland is gedrukt ter ondersteuning van de Joodse religieuze levenspraktijk” behalve sidoeriem en choemasjiem – en kookboeken! – misschien ook boekjes met witzen opnemen? Het besluit daarover is nog niet genomen, maar ik heb ze wel reeds een hartelijk welkom geheten in de collectie van De Mokumse Geniza.

Bij toeval raakte daarin een werkje verzeild dat strikt genomen sowieso buiten de bovengenoemde definitie valt (het is in Jerusalem gedrukt), maar dat ik niet de deur heb gewezen. Het is namelijk gemaakt door een Nederlandse Jood, die rond 1930 hier in Amsterdam in de Ruysdaelstraat woonde. Het zijn vijf katerntjes, eenvoudig aan elkaar geniet en van een papieren omslagje voorzien. 

“een lach een een traan” – door Paul Horowitz

Ja, u ziet het goed: het is een witzenboekje in het Ivriet! Ik raak onmiddellijk geboeid, want hoe komt het dat in het Palestina van de mandaatperiode een Nederlandse Jood in het Ivriet een boekje met voornamelijk Oost-Joodse witzen laat drukken? Die vraag zou kunnen leiden tot een complex essay, waarin de hele problematiek van het Europese jodendom in de negentiende en twintigste eeuw aan bod komt. Voorlopig laat ik het hier bij een korte kennismaking met de auteur en zijn witzen. Wie weet pikt iemand onder de lezers van De Vrijdagavond de fascinatie op; en hopelijk heeft die dan een langere adem dan ik.

De man die de witzen heeft “verzameld en geordend” heette Pinkasse (voor Westers gemak: Paul) Horowitz. Hij werd geboren op 18 juli 1866 in Parytchy, iets ten zuiden van Minsk in het huidige Wit-Rusland, maar was “door afstamming” onderdaan van het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije. Hij trouwde in 1895 te Antwerpen met Chaya Margolia Zoukerman, die uit Rusland afkomstig was. Samen kregen zij drie kinderen: Zénéide Gisèle, Pauline en Alexandre. Volgens het vreemdelingenregister uit 1916 verdiende hij zijn brood als diamanthandelaar. Het was de Eerste Wereldoorlog die hem en zijn gezin naar Nederland deed uitwijken, waar ze zijn gebleven en uiteindelijk genaturaliseerd.

handtekening van Paul Horowitz in 1916

In de oorlog woonde hij met zijn vrouw, een ongehuwde dochter en zijn zus op Harmoniehof 35, tegenover zijn schoonzoon Jan van Hulst, een niet-Joodse verzetsman. Het is vooral aan hem te danken dat veel van de familieleden de oorlog hebben overleefd. Pinkasse Horowitz is zelf op 7 oktober 1942 overleden in het Centraal Israëlietisch Ziekenhuis. Uit de vele verhalen die op het internet over hen te vinden zijn, komt deze familie op de lezer over als intelligent, warm, geëngageerd. Het engagement van vader Pinkasse gold niet uitsluitend, maar wel zeer sterk het zionisme. Hoewel hij ongetwijfeld nog een native speaker van het Jiddisch zal zijn geweest, heeft hij zich het Ivriet eigen gemaakt en als taal van de toekomst gekozen om zijn verzameling witzen de wereld in te sturen. Tenminste, zo interpreteer ik die keuze.

Aan het boekje van Horowitz gaat een voorwoord vooraf in drie talen: Engels, Duits en Ivriet. Daarin verantwoord de schrijver niet alleen zijn ordeningsprincipe (“einige aus dem Diasporaleben gegriffene Typen”), maar ook zijn belangrijkste keuzecriterium. “I love the Jewish joke, but only the real one, (….) I am however, an opponent to such jokes as injure the aesthetic feeling and leave a pornographic taste behind.” Ik laat het aan de schrijver van het hierboven gesuggereerde essay over om uit te vinden wat de “man uit het huis van Levie” hier bedoelt. Zelf overweeg ik wel om de witzen van Horowitz in het Nederlands te vertalen en er een publiek voor te vinden. Wacht: zie dit stukje als een prospectus en teken in op een genummerd exemplaar!

Pinkasse “ook Paul” Horowitz

Hier is een voorproefje, over de grootvader van Jekel de Sjnorrer:

In Amerika denken ze dat ze weten wat een ‘sjnorrer’ is. Maar niet iedereen die zijn hand ophoudt om een aalmoes te ontvangen is een sjnorrer. Sjnorren is een talent, net als alle andere talenten. Misschien is het erfelijk, want ook de grootvader van Jekel was een sjnorrer, maar hij haalde het niet bij zijn kleinzoon. De leeglopers vertellen dat de heer Jekel de Oudere een keer helemaal naar Duitsland is gelopen. Treinen waren er toen nog niet in Rusland. Na vele omzwervingen kwam hij veilig en wel in Frankfurt aan, waarover hij had horen vertellen. Daar zou een rijk en machtig man wonen, Rabbi Ansel Rothschild genaamd, die veel aan de armen gaf.
Hij ging naar het huis van Baron Rothschild en zei: “Laat mij met Rabbi Ansel persoonlijk spreken – ik kan drie verzoeken in één woord samenvatten!” 
De baron zei: “Laat maar horen!”
Jekel: “Gemara!” *
De baron: “Wat mag dat betekenen?”
Jekel: “Dat is een acroniem in het Jiddisch voor ‘Gut morgen, rabbi Ansel’!”
De baron: “Goedendag, wat wenst u, Jiddische meneer?”
Jekel: “Gemara!”
De baron: “Nog een keer goedemorgen?”
Jekel: “Nee, het is een acroniem in het Jiddisch voor ‘Gib mir, rabbi Ansel’!”
De baron: “Alsjeblieft, hier heb je twintig mark.”
Jekel: “Gemara!”
De baron: “Ik heb je net gegeven!”
Jekel: “Ja, maar het is ook een acroniem in het Jiddisch voor ‘Gib mehr, rabbi Ansel’!”

En Baron Rothschild bleef hem geld geven, telkens wanneer hij langs kwam.

* Het Aramese woord גמרא (de afrondende discussies die samen met de Misjna de Talmoed vormen) levert de beginletters voor de Jiddische “verzoeken” van Jekel.


Over Channa Kistemaker 35 Artikelen
Is afgestudeerd (1988) als classica en heeft zich later in het Hebreeuws bekwaamd. Zij doet historisch onderzoek naar de religieus-Joodse boekcultuur in Nederland van 1815 tot nu. Ook houdt zij zich bezig met het documenteren van de grafzerken op de Joodse Begraafplaats Zeeburg, en vertaalt zij poëzie uit het Ivriet.

4 Comments

  1. Als achter-achter-kleindochter van Paul Horowitz wil ik graag ook een genummerd exemplaar:-) Het lijkt me leuk om hier meer over te leren.

  2. Sorry, Channa, maar deze “grap” kwetst bij uitstek mijn gevoel voor esthetiek, om van de ethische kant nog te zwijgen. Qua cliché kan het eigenlijk nauwelijks erger.
    Misschien houden we het liever bij de boekjes van Salcia Landmann?
    Dit neemt niet weg dat de vondst van het Horowitz-boekje heel bijzonder is.
    Nogmaals sorry, Channa. Groet, Tim

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*