Nederlands tintje aan terugkeer Grieks-Joodse archieven

14de eeuws miniatuur: rabbijnen bieden goud en zilver aan Alexander de Grote

De Russische president Vladimir Poetin heeft aangekondigd dat een archiefcollectie van de Joodse gemeenschap in Griekenland terug wordt gegeven. De archiefstukken bevinden zich sinds 1945 in Moskou. De Grieks-Joodse gemeenschap reageert uiteraard dolgelukkig. Meer dan 75 jaar heeft het geduurd. Maar dankzij een bescheiden interventie die ik kon plegen kon al een klein deel ervan eerder naar Griekenland terugkeren. Nu de rest ook wordt overgedragen is het tijd om mijn verhaal te delen.

In 1998 was ik op uitnodiging van de European Council of Jewish Communities in Moskou. Boris Jeltsin was nog aan de macht. De ECJC vergaderde voor het eerst in Moskou. Mijn voorganger Joop Sanders raadde me aan om te proberen een kijkje te nemen bij de Nederlands-Joodse archieven die in Moskou zouden liggen. De Glasnost (letterlijk: openheid) had veel aan het licht gebracht. Daaronder het bestaan van een enorm gebouw in een buitenwijk van Moskou dat helemaal vol lag met archiefmateriaal. Het ging om archieven die de Duitsers hadden geroofd en die bij de val van de nazi’s door de Russen op hun beurt weer in beslag waren genomen. Daar lag het sinds 1945 te wachten op een bestemming.

Honderden dozen

Er lag dus NIK-archief en archiefmateriaal van Joodse Gemeenten en andere Joodse instellingen. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam had van oudsher goede banden met de Sovjets (later de Russen) omdat het IISG archieven van Marx en Engels beheert. Via het IISG dat een agent had in Moskou kwam ik in contact met de directeur van het Osobyi archief, de naam van deze archiefbewaarplaats. Hij was bereid me te ontvangen. Ik plakte een paar dagen aan mijn ECJC-vergadering en ging op onderzoek uit. Geen idee wat me te wachten zou staan. Geen voorstelling van wat ik aan zou treffen. Er was nog totaal geen uitzicht op terugkeer van de stukken, maar het was in ieder geval goed om te proberen er achter te komen wat daar nu zo’n beetje lag. Het bleek om honderden dozen en in totaal meer dan 100.000 bladzijden te gaan.

Ik herinner me een grauw gebouw, een eenvoudig kantoor, een houten bureau en daarachter een directeur die sigaretten rookte. Vladimir Kuzelenkov bood mij aan om één doos te bekijken. Ik vroeg om vijf, Kuzelenkov ging akkoord met drie, de eerste drie. Ik vroeg daarop om de eerste, de middelste en de laatste doos. Ook dat verzoek willigde hij in. Het bleek een schot in de roos. In de eerste doos vond ik gewoon materiaal, dus dat zou ook in de tweede en derde doos hebben gezeten. In de middelste doos vond ik een stuk over mijn overgrootvader, godsdienst hoofdonderwijzer en chazzan in Assen. Een stuk dat ik anders nooit zou hebben gezien. Er waren nog geen mobiele telefoons maar wel kleine zak cameraatjes. Ik zette mijn camera loodrecht op het document en drukte af. 

Osobyi-archief in Moskou. Foto: Ruben Vis

Sigaretten

Dat had ik beter niet kunnen doen. De vrouw die mij de hele tijd had bespied, haalde de directeur erbij. Fotograferen was ten strengste verboden. Achteraf denk je na wat had kunnen gebeuren. Wie wist eigenlijk waar ik was? Wie wist dat ik in een Russisch staatsarchief in een Moskouse buitenwijk zat. Waar leidde mijn onbesuisde stap wel niet toe? Het liep met een sisser af. Misschien dat de slof sigaretten die ik vanwege ‘je kunt niet weten’ op Schiphol aanschafte, en die uit mijn tas stak er toe bijdroeg dat de directeur mild gestemd kon worden. Ik kon doorgaan met het bestuderen van de inhoud van de dozen, maar moest vooral niet meer fotograferen. Dat bleek voor mij mijn redding. Maar het betekende dat ik de derde en tevens laatste van alle dozen niet meer kon fotograferen.

Alle reden

Terwijl er juist toen ik me over de papieren in die laatste doos boog, alle reden voor was. Wat ik in doos drie tot mijn verbazing zag, moest ik onthouden voor een volgende keer. Als er ooit een volgende keer zou komen. Ik vertrok uit Moskou zonder te weten of er ooit een tweede keer zou komen, laat staan of de archiefstukken ooit het grondgebied van de Russische Federatie zouden mogen verlaten. Die kans werd klein geacht, want de Russen zaten ook nog op een paar honderd tekeningen van oude meesters die uit het Rotterdamse museum Boymans via de Duitsers in Russische handen waren gekomen. Als ze die archiefstukken teruggeven, openen ze de deur voor het teruggeven van die tekeningen van Rembrandt en Dürer, was de heersende gedachte.

Beatrix

Toch kwam er een volgende keer. Koningin Beatrix had Poetin, inmiddels de opvolger van Jeltsin, ontmoet en hem gevraagd in ieder geval de archieven terug te geven. Dat bracht beweging in de zaak. Na de Beatrix – Poetin ontmoeting boekte het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken succes in een poging de archieven te recupereren. Als een staat iets steelt van jouw grondgebied heeft de staat waar het vandaan is ontvreemd, de taak om het terug te krijgen. Niet het NIK, maar de Nederlandse Staat zette zich dus in voor terugkeer, recuperatie heet dat.

Twaalf dagen

In september 2001 ging ik opnieuw naar Moskou. Ditmaal als eenmans delegatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken compleet met een diplomatiek paspoort. De cultureel attaché van de ambassade begeleidde mij naar het archief waar ik weer met directeur Kuzelenkov in aanraking kwam. Dit maal geen onderhandelingen over het aantal dozen. Ik zou de tijd krijgen om in twaalf dagen alle 100.000 bladen archiefmateriaal te beschrijven. Ik moest ook aangeven als ik documenten tegenkwam die niet uit Nederland komen, die zouden namelijk niet mee-gerecupereerd worden. Logisch, wat niet van jou geroofd is, krijg je ook niet terug.

Laatste één procent

Tot dan hadden de Russen alleen het aantal blaadjes in iedere doos geteld, de stukken die voor 98 procent in het Nederlands waren, konden ze niet lezen. Voor 98 procent? Ja want het was vrijwel allemaal negentiende en twintigste-eeuws materiaal. Toen maakten de Nederlandse Joden al geen notities meer in het Jiddisch, maar gewoon in het Nederlands. Misschien dat er één procent Jiddisch of Hebreeuws bij zat. En de laatste één procent…? Die zag ik in 1998 in de laatste doos.

Nauwgezet

Dus beschreef ik nauwgezet wat ik tegenkwam en liet alleen bij de laatste doos mijn nauwgezetheid varen. Het duurde nog twee jaar tot de dozen werkelijk in Nederland arriveerden. Bij het Nationaal Archief in Den Haag werden de dozen overgedragen naar de oorspronkelijke eigenaren, het NIK, de Joodse Gemeenten van  Amsterdam, Den Haag en Utrecht en nog een paar Joodse organisaties. Er was ook archiefmateriaal van niet-joodse organisaties waarvan archieven waren geroofd waartegen de Duitsers hun afkeer koesterden, zoals de Vrijmetselaars en het instituut voor de vrouwenbeweging. Die kregen ook hun stukken terug. Die gingen vervolgens naar de archiefbewaarplaatsen waar de rest, de niet-geroofde archieven, al stonden en werden daar keurig tussen gestoken. Afgesproken was dat als er stukken zouden zijn die ze bij het Nationaal Archief niet thuis konden brengen, ze me zouden bellen. Verwacht maar niet dat we bellen, kreeg ik mee. Ik verwachtte van wel, maar dat konden de archivarissen niet weten. Ik wist wat er in de allerlaatste doos zat.

Deels Grieks, deels Ladino

Het duurde even maar daar kwam het telefoontje. Zeven jaar nadat ik de stukken in Moskou had gezien, lagen ze voor mij op een tafel in het Nationaal Archief in Den Haag. Veel was het niet, een stapeltje hoogstens. Een stapeltje dat in geen enkel Nederlands-Joods archief thuishoort, concludeerden de archivarissen. Nee, dacht ik, dat weet ik ook wel en ik weet het al sinds ik de laatste Nederlands-Joodse doos in het Osobyi-archief had doorgelopen. Het zijn documenten uit Saloniki, deels in het Grieks, deels in Hebreeuwse karakters, deels in het Ladino. Ze zaten in de laatste doos. Daar waren ze door een Russische archiefmedewerker waarschijnlijk ooit verkeerd ingestopt en ik zag ze zitten in 1998 en in 2001. Niets doen is ook iets doen. Door niets te zeggen en niets te noteren, kwamen ze mee naar Den Haag. Tegen de voorschriften in, maar wie had enig idee wanneer de Grieken hun spullen terug zouden krijgen uit Moskou? Beter dat ze uit Rusland zijn en in Den Haag terechtkomen. Dat gold in mijn opvatting voor ieder document, al is het maar een klein stapeltje van een veel groter archief. Hebben is hebben, dachten de Russen vanaf 1945 en die opvatting nam ik van ze over.

Verwelkomen

In 2009 ontmoette ik in Praag de Griekse minister van Cultuur. Ze wist precies waar het om ging maar er was geen enkel uitzicht dat de rest van de stukken ook naar Griekenland zou terugkeren. Sterker, het Osobyi-archief was weer dichtgegaan en de Grieken koesterden geen hoop dat ze ook maar één doos überhaupt mochten inzien. De Haagse archivarissen hebben de stukken na mijn bemiddeling in 2004 overgedragen aan het Joodse museum in Saloniki. Jarenlang was er geen enkel uitzicht dat de rest zou volgen. Nu, na de aankondiging van Poetin,a gaan de Grieks-Joodse archieven terug. Eén stapeltje ligt al in Saloniki, klaar om de rest te verwelkomen.


cover beeld: veertiende eeuws Grieks manuscript: Alexander de Grote krijgt zilver en goud van de rabbijnen. Stijl: late Byzantijsne periode (1204-1453). De rabbijnen (rechts) dragen ceremoniéle kleding. bron: Wikimedia commons

Over Ruben Vis 19 Artikelen
Ruben Vis in het dagelijks leven alg. secretaris van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, meende in de zomer van 2020 dat het goed zou zijn wanneer het Nederlands taalgebied een platform zou krijgen waar serieuze, beschouwende en opiniërende artikelen op worden gepubliceerd met een Joodse inhoud. Hij trof medestanders en hieruit is De Vrijdagavond ontstaan. Ruben deelt op De Vrijdagavond zijn grote kennis van de Joodse wereld, zijn visie op het Joodse leven en de opbrengst van zijn onderzoekingen naar uiteenlopende, vaak historisch-Joodse, onderwerpen.

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*