Mordechai en Haman
“Alle dienaren van de koning die zich in de poort van de koning bevonden, knielden en bogen voor Haman want zo had de koning bevolen. Maar Mordechai knielde niet en boog niet”. (Esther; 3, 2)
In het Estherverhaal dat tijdens het Poerimfeest wordt gelezen zien we hoe Mordechai het aandurfde om Haman, de topminister van koning Achasjwerosj, te trotseren. Haman ontstak in grote woede en besloot – nadat hij kennis had genomen van Mordechais nationaliteit – zich niet alleen op Mordechai te wreken maar “om de Joden, het volk van Mordechai, te vernietigen.” (Esther; 3, 6)
Ze weigeren te knielen
In het veilinghuis ‘Tsfoenot’ in Bne Brak is recentelijk een zeldzaam en historisch document geveild. Het betreft een brief die de Joden van Rome in 1772 richtten aan paus Clemens XIV. In die brief verzochten zij hem om een einde te maken aan een voor hen vernederende procedure. Zij werden daarbij gedwongen om tijdens het uitvoeren van een jaarlijkse ceremonie te knielen voor de kerkelijke autoriteiten.
Deze ceremonie vond ieder jaar plaats op de eerste zaterdag van het carnaval. De Joden beleden trouw aan de autoriteiten en betaalden driehonderd escudo’s (een kerkelijke munteenheid). In de brief beweren de Romeinse Joden dat er voorheen nooit van hen geëist werd om tijdens deze betalingsprocedure letterlijk en figuurlijk voor de kerkelijke autoriteiten door het stof te gaan.
Pesterijen tijdens het carnaval
Ieder jaar opnieuw werden de Romeinse Joden tijdens het carnaval blootgesteld aan vernederingen en pesterijen van de Romeinse bevolking. Een van de gemeenste uitbarstingen van antisemitisme speelde zich af op de Via del Corso: de Joden werden gedwongen om op deze centrale weg vrijwel naakt te rennen onder luid gejoel van de Romeinse massa. Teneinde onder deze verwerpelijke procedure uit te komen, betaalden de Joden ieder jaar een grote afkoopsom.
Aan deze vernederende wedloop kwam pas in 1870 een einde toen Rome werd veroverd uit de handen van het Vaticaan en het Italiaanse koninkrijk werd gesticht. Dit maakte een einde aan de macht van de paus over de burgers.
Antisemitisme in Bologna
Tijdens de nadagen van de pauselijke macht in 1858 werd Edgardo Mortara, een bijna zevenjarig Joodse jongen die met zijn ouders in de stad Bologna woonde, door de pauselijke politie gekidnapt en naar Rome ontvoerd. De Joden bleken opnieuw rechteloos. Het katholieke dienstmeisje van de familie had tegenover de katholieke autoriteiten verklaard dat zij het kind vijf jaar eerder had gedoopt. Volgens de katholieke leer was Edgardo door deze handeling een christen geworden en kon deze procedure op geen enkele manier worden herroepen.
Het kidnappen van Joodse kinderen door de pauselijke autoriteiten was geen zeldzaam verschijnsel, maar dit keer veroorzaakte deze ontvoering grote beroering in de Joodse en internationale wereld.
Non Possumus, wij kunnen niet
De kwestie van de ontvoerde Edgardo was maandenlang voorpaginanieuws. Napoleon III wendde zich tot de paus, Sir Moses Montefiore en vele andere prominenten verzochten Paus Pius IX om Edgardo aan zijn ouders terug te geven, maar dit alles bleef tevergeefs. Deze antwoordde keer op keer: Non Possumus, of wel: ‘Wij kunnen niet.’ Hiermee bedoelde hij dat volgens de kerkelijke wetten er geen mogelijkheid bestond om het jongetje te laten terugkeren naar zijn ouders omdat hij door de doop katholiek was geworden en dat kon niet ongedaan gemaakt worden.
Edgardo werd in Rome onder persoonlijk toezicht van de paus geplaatst en leerde in een speciaal instituut voor catechisatie. Dit keer dus geen Deus ex Machina zoals in het verhaal van Esther en Mordechai, Edgardo bleef in handen van het Vaticaan.
Edgardo wordt Pius
Nadat in 1870 de burgerlijke macht van de paus was gebroken, was Edgardo (dan 19 jaar) in principe vrij om naar zijn Joodse familie terug te keren. Maar omdat hij een overtuigd christen was geworden weigerde hij om het Jodendom opnieuw te omarmen. Hij heette nu Pius en hield zich actief met bekering bezig. Hij trad toe tot de Augustijnse orde, werd apostolisch missionaris en uiteindelijk professor in de theologie. Hij sprak zes talen.
Alliance Israelite Universelle
De Pius / Mortara-affaire had ook positieve gevolgen: het verscherpte het inzicht om een organisatie op te richten om de mensenrechten van de Joden over de hele wereld te waarborgen. Deze organisatie moest het ideaal realiseren van Joodse zelfverdediging en zelfredzaamheid door middel van onderwijs en beroepsopleiding.
Dat werd als eerste de Alliance Israélite Universelle (in het Hebreeuws ‘Kol Jisraeel Chaweriem’ ofwel ‘Alle Joden zijn met elkaar verbonden’) opgericht in 1860 door Frans-Joodse intellectuelen in Parijs. Het was de eerste moderne, internationale, Joodse organisatie die uitdrukking gaf aan de vernieuwing van Joodse cohesie door steun te verlenen aan Joden die wegens hun religie werden gediscrimineerd.
Oprichting Franstalige scholen
De Alliance is vooral bekend geworden door de oprichting van Joodse scholen in de negentiende en twintigste eeuw, met nadruk op de Franse cultuur, naast Joodse studies. De eerste school werd in 1862 geopend in Tetouan en later in andere steden in Marokko, Tunesië en het Ottomaanse Midden Oosten, zoals in Beirut, Istanbul en Saloniki. Ook in Iran werden scholen van de Alliance gesticht. Na het elfde Zionistische Congres in 1913 in Wenen werd het Hebreeuws in plaats van het Frans de voertaal.
Alliance in Jeruszalem
Ook in Palestina was de Alliance actief. Zo werd in 1868 de eerste Alliance school geopend in Jeruzalem en twee jaar later de Landbouwschool van Mikwe Jisraeel, waar in 1898 Herzl de Duitse keizer Wilhelm II begroette. Middelbare scholen werden geopend in Tel Aviv, Haifa en Jeruzalem. Bovendien werd er in Jeruzalem een school opgericht voor dove Joodse en Arabische leerlingen met een mentale en fysieke handicap.
cover: Mordechai en Esther, bron onbekend
Geef als eerste een reactie