De ark van Noach – tevat Noach (תֵּבַת נֹחַ) – is het vaartuig waarin de zondvloed, de maboel (מַבּוּל), een vorm krijgt.
De vloed zelf blijft ongrijpbaar: zij is overal en nergens, een kracht die de vertrouwde wereld uitwist. Tegelijkertijd is de ark een beeld van selectie. Wie een grens trekt tussen binnen en buiten, bewaart iets maar laat ook iets achter. In die zin is de ark niet alleen een schuilplaats, maar ook een beslissing.
Die spanning klinkt anders wanneer wij kijken naar een wereld waarin politieke en morele tegenstellingen verharden.
Een catastrofe is nooit alleen natuurgeweld: zij stelt ook de vraag wie over de middelen beschikt om zich in veiligheid te brengen, en wie niet.
Het verhaal van Noach heeft dit beeld diep in onze verbeelding gegrift. In Bijbels Hebreeuws betekent tevah een kist of ark; hetzelfde woord wordt ook gebruikt voor het mandje waarin Mozes als baby op de Nijl wordt gelegd. In later rabbijns Hebreeuws kreeg tevah bovendien de betekenis ‘woord’.
Misschien kan ook de geschreven tekst zo’n ark zijn. Niet omdat een tekst vanzelf bescherming biedt, maar omdat hij in het lezen weer tot leven komt. Lezen wordt dan een gebaar van bewaren: woorden dragen iets door de vloed heen dat anders verloren zou gaan.
Epos van Gilgamesj
Op 3 december 1872 maakte George Smith zijn lezing van de Babylonische zondvloedvertelling op tablet XI van het Epos van Gilgamesj openbaar. Daarmee kwam een zeer oud verhaal opnieuw aan het licht, een verhaal dat nog altijd opvallend resoneert met het Bijbelse relaas van Noach.
Het Epos van Gilgamesj is gedurende eeuwen samengesteld en overgeleverd; de Standaard-Babylonische versie wordt doorgaans in het late tweede millennium (voor de gebruikelijke jaartelling) gedateerd. De zondvloedvertelling gaat over verwoesting en overleving, maar vooral over de grens die geen mens kan overschrijden: de sterfelijkheid.
Utnapishtim wordt door de god Ea gewaarschuwd voor de komende vloed. Hij moet een groot schip bouwen en daarin zijn verwanten, dieren en andere levensvormen meenemen. Het schip scheidt zo wat zal vergaan van wat de ramp mag overleven.
Wanneer het water zakt, laat Utnapishtim drie vogels los: een duif, een zwaluw en een raaf. De duif en de zwaluw keren terug; de raaf niet. Dat is het teken dat er weer land is. Later hoort Gilgamesj van een plant op de bodem van de zee die de jeugd zou kunnen herstellen. Hij vindt haar, maar terwijl hij rust, neemt een slang de plant mee. De slang werpt haar huid af: een indringend beeld van vernieuwing die niet aan de mens toekomt, en van dood die niet verdwijnt.
Gilgamesj keert uiteindelijk terug naar Uruk, niet omdat hij de dood heeft overwonnen, maar omdat hij haar niet langer kan ontkennen. In die lezing ligt continuïteit niet in de onsterfelijkheid van de mens, maar in het verhaal dat bewaard blijft en opnieuw gelezen kan worden.
De parallellen met parasjat Noach zijn opvallend. Beide vertellingen kennen een vloed, een uitverkoren overlevende, een schip en vogels die het einde van de ramp aankondigen. Zij putten vermoedelijk uit een gedeelde Mesopotamische verhalenwereld, al blijft de precieze verhouding tussen de teksten onderwerp van debat.
In beide gevallen wordt de catastrofe tevens een verhaal over selectie: een kleine groep mensen, dieren en planten wordt bewaard terwijl de rest verdwijnt.
Vernieuwing uit de ruïnes
Bij Noach en bij Utnapishtim ontstaat de mogelijkheid van een nieuw begin pas na vernietiging. De ark is daarom meer dan een overlevingscapsule. Zij bewaart de voorwaarden voor een toekomst, juist wanneer alles wat vertrouwd was onder de golven verdwijnt.
De maboel is daarmee een paradox. Zij is een breuk, maar ook het begin van iets nieuws. Wat de storm overleeft, bepaalt hoe de wereld daarna zal worden ingericht.
Daarom blijven de vragen uit het verhaal actueel:
Wie mag kiezen?
Wie beschikt over de middelen om een crisis te doorstaan?
Wie krijgt een plaats in de ark, en wie wordt aan de vloed van de geschiedenis overgelaten?
En wie draagt de verantwoordelijkheid om te herstellen wat verloren is gegaan?
De tevah draagt dus niet alleen de belofte van redding, maar ook de harde realiteit van selectie. Als beeld kan de ark bovendien verwijzen naar de taal waarin wij vastleggen wat behouden moet worden. En waarin wij ons verantwoorden voor wat wij achterlaten.
De maboel in de Tenach is meer dan alleen een hoeveelheid water. Zij spoelt gevestigde zekerheden weg. Daartegenover staat de tevah: een vat, of wellicht een woord, waarin iets wezenlijks bewaard kan worden. Wat nemen wij mee door de storm? Wat weten wij te behoeden? En wie beslist over onze gemeenschappelijke toekomst?
De duif en de raaf
Wanneer de wateren beginnen te wijken, laat Noach eerst een raaf uitvliegen, die heen en weer blijft vliegen. Daarna laat hij driemaal een duif los. De eerste keer keert zij zonder rustplaats terug; de tweede keer met een olijfblad in haar snavel; de derde keer keert zij niet meer terug. De duif groeit uit tot een universeel symbool van vrede en verzoening.
Ark en zondvloed
Ark en zondvloed blijven zo onlosmakelijk verbonden: behoud en verlies, hoop en macht, redding en selectie. Onder het rustige oppervlak van het bekende verhaal ligt een ongemakkelijke vraag verborgen: wat gebeurt er met de wereld wanneer alleen sommigen de vloed overleven?
Broze hoop: herstel blijft aanwezig
Zo krijgt die vraag een verdere, politieke lading.
Het einde van een oorlog kan worden gelezen als de wanhoop van totale vernietiging. Maar het kan ook worden gelezen als een broze hoop: dat er, ondanks alles, een mogelijkheid tot goedheid en herstel aanwezig blijft.
cover: fragment uit werken De duif en de raaf van Joseph Sassoon Semah
Geef als eerste een reactie