12 maart 2014
Ik sleep mijn koffer over de hobbelige stenen naar een klein zijstraatje van Mea Shearim.
Gelukkig is er een leuning om me aan vast te houden terwijl ik naar het pleintje beneden loop. Boven mijn hoofd zwaaien de straatlichten zachtjes heen en weer. Zij verspreiden net genoeg licht om ervoor te zorgen dat ik niet struikel over zwervende blikjes of losliggende keien.
In het sjoeltje op het plein brandt nog licht. Ik open de krakende deur en hoor het voor mij zo bekende geneurie van een Jid die zich in de kleine gebedsruimte al sjokkelend verdiept in de Heilige Teksten van de Gemore die voor hem ligt. Aan de tafel recht voor de Oroin Hakoidesj citeert een andere late bezoeker zinnen uit de psalmen.
Ik pak een deel van de Talmoed uit de boekenkast en ben al gauw verzonken in de tekst die voor me ligt. Het neuriën houdt op. En de man met zijn psalmenboekje staat op. Samen lopen ze naar buiten. Ik hoor hoe de voordeur in het slot valt.
De klok slaat. Het is onderhand al half één. Ook ik sluit mijn boek en leg het terug op de plank. Mijn kaftan haal ik uit mijn koffer en ook mijn kussen dat mij samen met mijn beddengoed werd nagesmeten tijdens mijn zogenaamde afscheid van de Jesjiewe. Naast de deur zitten de lichtknopjes.
Even later lig ik op een van de achterste banken met mijn kaftan over me heen. Hopelijk houdt deze me in de nacht een beetje warm. De bank voelt wel hard aan. Maar ik ben onderhand zo moe dat dit me hopelijk niet zal weerhouden om toch in slaap te vallen. Het zal geen lange nacht worden. Al heel vroeg zullen de eerste sjoelbezoekers weer binnenkomen.
De duistere ruimte wordt nu alleen nog maar verlicht door het piepkleine eeuwige lichtje dat vooraan naast de Arke brandt. Ik voel dat mijn ogen dichtvallen. Plotseling hoor ik geritsel naast de bank waarop ik lig. Ik zit rechtop en staar in de ogen van een kat die de ruimte waarschijnlijk is binnengeslopen. Het beestje maakt een miauwend geluid, maar loopt dan weer door. Ik ga maar weer liggen. Ik ben te moe om nu na te denken wat ik de komende dagen ga doen. Geen Satmar jesjiewe meer. Misschien naar Ma’ale Adumim? Naar de zionisten? Mijn ogen vallen dicht.
De eerste zonnestralen dringen door de gekleurde ramen naar binnen. Ik moet de hele nacht hebben doorgeslapen. Er is nog niemand de sjoel binnengekomen. Ik vouw mijn kaftan op en stop ‘m terug in mijn koffer, was mijn gezicht en mijn handen met het ijskoude water dat uit de kraan komt in het voorportaal en loop naar buiten.
Bij het koffietentje verderop in de straat warm ik mijn handen aan mijn bekertje, open mijn siddoer en begin alvast te dawwenen. Strakjes loop ik wel weer ergens een sjoel binnen om Sjacharis te bidden. Opeens herinner ik me de brief.
Gisteravond ben ik na aankomst met de bus uit Arad eerst heel laat stiekem de jesjiewe binnengeslopen om in mijn postvakje te kijken of er een brief van thuis lag. En die was er inderdaad. Zonder deze te openen stopte ik de brief in mijn broekzak om me gauw weer uit de voeten te maken.
Ik scheur de enveloppe open. Eerst schrijft tattie zijn gebruikelijke vermaningen om ervoor te zorgen dat ik toch echt wel het rechte pad blijf bewandelen, ondanks mijn stapjes buiten de chassidische gemeenschap, waarvan tattie pas nog heeft gezegd dat dat voor mij ook wel goed was. Dan volgt een korte Devar Toire. En de afsluitende dagelijkse wens in onze kringen dat de Moshiach maar gauw mag komen.
Mammie vraagt als altijd hoe het met mij gaat. Maar wat schrijft ze nu? “Onze lieve Chayele ligt nu alweer in het ziekenhuis. We weten niet wat er precies aan de hand is, maar het gaat niet zo goed. We dawwenen natuurlijk allemaal voor haar. Doe jij dat ook!”. Wat? Mijn lieve zusje, mijn Chayele in het ziekenhuis? Maar mammie schrijft niet wat er aan de hand is. Mijn lievelingszusje. Zij is het die ik het meeste mis hier in het verre Jeroesjalajim.
Ik neem nog een slok van de hete koffie en loop het eerste gebedshuis binnen wat ik tegenkom, dawwen Sjacharis en na een half uurtje sta ik met mijn koffer weer op straat. Ik weet dat bij de winkels verderop ook een telefoonzaak is. Nu ik toch niet meer in de jesjiewe ben, houdt niemand me meer tegen om ervoor te zorgen dat ik een eigen telefoon krijg. Iets wat in Satmar voor de jongens streng verboden is.
Zo gauw ik de telefoon heb, bel ik meteen naar huis. Ik moet weten wat er met Chayele aan de hand is.
Mea Shearim Een van de streng religieuze wijken van Jeruzalem
Sjokkelen Het devoot heen en weer bewegen tijdens de Tora-studie en het gebed
Oroin Hakoidesj De Heilige Arke
Sjacharis Het ochtendgebed
Devar Toire Een korte ethische boodschap, meestal verbonden aan een Tora-tekst
Geef als eerste een reactie