Afscheid van zijn moeder. Drie gedichten van Paul Celan

beeldmerk Poëzie van de twintigste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

In deze aflevering over poëzie van de twintigste eeuw drie gedichten van Paul Celan over zijn moeder, Fritzi Antschel – ‘Celan’ is een anagram van Antschel (Ancel). Het eerste schreef hij als zeventienjarige voor moederdag 1938. Het is ontroerend om te zien hoe intens ‘zorgvuldig’ Paul Celan zijn slapende moeder beschrijft en maakt de belangrijke rol die zij in zijn latere poëzie speelt, als de vermoorde, onherroepelijk afwezige, des te begrijpelijker en wranger. 

1.
Jarenlang stonden twee dichtbundels van hem in mijn boekenkast tussen hun soortgenoten. Af en toe wierp ik er een blik in om ze vervolgens weer zuchtend terug te zetten. Ik begreep er niets van, maar voelde wel hun intentie om uitdrukking te geven aan het onzegbare, waarvan ik uit andere bronnen wist dat het vooral zijn Shoah-ervaring was – de moord op zijn volk en directer op zijn moeder en vader. 

Wie zijn gedichten wil verstaan moet hard werken. Gelukkig is een aantal taalgeleerden en poëzie-exegeten er in geslaagd veel verborgen codes van het omvangrijke dichtwerk van Paul Celan te ontcijferen. Geen definitieve interpretaties, maar aanwijzingen om het behoedzaam te kunnen betreden. Hij zelf heeft hij altijd volgehouden dat de werkelijk betrokken lezer die codes ook zelf kan vinden, dat het gedicht, hoe dan ook ‘voor zichzelf spreekt’. Maar dan moet je wel vertrouwd zijn met Celan’s zeer brede culturele en literaire horizon, van Goethe tot Rilke, van bijbel tot Eckhart. En dan nog. 

Eerste gedicht
Zeventien jaar oud schreef Paul Celan, geboren als Paul Antschel ter gelegenheid van moederdag 1938 zijn eerste ons bekende gedicht, vlak voor hij uit zijn geboortestad Chernowitz naar Frankrijk vertrok om er medicijnen te gaan studeren. Het is bewaard gebleven in een handgeschreven bundeltje dat hij schonk aan een vriendin. In dit klassieke, ‘Rilkiaanse’ sonnet bestudeert de jonge Celan het slapende gelaat van zijn moeder die hij intens liefheeft en waarvan hij afscheid moet nemen. Het gedicht ontroert als je ziet hoe intens ‘zorgvuldig’ Celan zijn slapende moeder hier beschrijft en maakt haar belangrijke rol in zijn latere poëzie, als de vermoorde, onherroepelijk afwezige, des te begrijpelijker en wranger. 

(Voor de kritische Duits-lezenden laat ik de ‘grondtekst’ aan mijn vertaling voorafgaan.)

Kein ankerloses Tasten stört die Hand
und nachts verstreutes Heimweh trägt die Not
gefalteter Gebete zitternd hin vors Rot
im Bangen deiner Züge, dunkeler gespannt.

Die zagen Atemzüge halten in
den Abhang ihres Rankens dein Gesicht;
und den bestürzten hält es leise licht-
gesträhnte Sorgfalt vor die Träume hin.

Doch diese ragen aus dem hellen Ruhn
und oft schlägt Purpur ein gewand um sie
von Fahrt und Fährnis, uferlosem Tun…

Die so entfliehn der Rast, erreichst du nie,
wo Dickicht ist und Schwärmen, steil und bunt –
Denn du bist Ruhe, Mutter, Schimmer aus dem Grund

GEEN TASTEN ZONDER HOUVAST stoort de hand
en ‘s nachts gezaaide heimwee draagt de nood
van handgevouwen beden bevend voor het rood
in jouw bange gelaat, dat zich duisterder spant.

Jouw kalme ademhaling houdt in toom
door zijn beheerst bewegen jouw gezicht;
en waar hij stokt daar trekt het zachtjes licht-
gestreept een scherm op tegen elke droom.  

Maar die verstoren al te gauw de lichte rust
en vaak wordt purper daar omheen geplooid,
mantel van vaart, voortvaren zonder kust…

Maar in zo’n rusteloosheid raak jij nooit,
waar wirwar is, gedweep, heftig en bont –
Want jij bent, moeder, de rust zelf, glans uit de grond.

twee soorten ademhalen

Geen ‘ankerloos tasten’ staat er letterlijk. Moeders handen tasten niet onrustig in het duister, ze zijn gevouwen in gebed. De nood die ‘s nachts als heimwee is uitgezaaid, wordt in ‘gevouwen (ge)beden’ met vrees en beven ‘voor het rood’ gedragen. Welk heimwee?  Dat moet wel de heimwee zijn, nu al, bij voorbaat, naar de zoon die op het punt staat het ouderlijk huis te verlaten. Welk rood? Het ‘rood in het vrezen van de gelaatstrekken’ staat er letterlijk, het rood van de vreesachtige opwinding in haar bange gelaat. Maar dat rood, zo suggereert een Engelse uitlegger, kan hier ook het morgenrood zijn, want het lijkt er op dat zoon Paul hier het ‘s morgens vroeg door morgenrood beschenen gezicht van zijn moeder beschrijft. Terwijl de morgen aanbreekt, spant haar gezicht zich duisterder, vanwege de ‘s nachts gezaaide heimwee.

De volgende strofe is buitengewoon ingenieus geweven. Het heeft een paar weken geduurd, eer ik met de hulp van Duitstaligen begreep dat het onvertaalbaar was – zoals veel in Celans gedichten -, maar dat de hier gegeven vertaling misschien in de buurt komt. Er is sprake van twee soorten ademhalen: rustig, waarbij het gezicht van de moeder ‘in  toom’ wordt gehouden door het ingehouden in- en uitademen; ‘den Abhang ihres Rankens’ – ‘de helling van zijn ranken’, namelijk van die ademhaling – onvertaalbare associatie met een wijngaard. En waar die ademhaling onrustig, stokkend wordt, ziet de zoon hoe haar gezicht ‘zachtjes licht/gestreepte zorgvuldigheid (‘Sorgfalt’) voor de dromen houdt’. Een afweer-scherm, een beschermend gordijn van morgenlicht? Misschien ook van het haar voor haar gezicht? Of haar gespreide vingers?

Maar Celan weet uit eigen ervaring hoe dromen ook onverwacht uit ‘lichte’ rust kunnen opdoemen en dan dikwijls een angstwekkend, purperen gewaad krijgen, benauwend, vol vaart en blind voortvaren (Fahrt und Fährnis), richtingloos, oeverloos gedoe. Maar die aan de rust ontsnappende dromen krijgen met heel hun wirwar (letterlijk Dickicht, struikgewas) en dweperij, heftig, bont, geen vat op zijn moeder. Want moeder is de rust zelve. ‘Schimmer aus dem Grund’. Een schemering, een glans die oplicht uit de grond, de vaste thuisbasis.  

2.
Celan keert in 1939 alweer naar Chernowitz terug om er literatuur en Romaanse talen te gaan studeren. In 1940 wordt de Bukovina – de streek die toen in huidige Roemenië, nu in Oekraïne ligt – bezet door de Russen, een jaar later door stoottroepen van de SS. In 1941 wordt de Joodse bevolking, een derde van de kleine honderdduizend inwoners van Czernowitz,  in een getto gestopt en weer een jaar later naar een concentratiekamp afgevoerd. Celans vader sterft er aan de typhus, zijn moeder wordt er, uitgeput door dwangarbeid, doodgeschoten. Haar hart ‘werd wond door lood’ – (ward wund von blei – gelukkig kan wund/‘wond’ ook in het Nederlands ‘gewond’ betekenen). Celan krijgt daar, in de herfst van 1942 bericht over. Zelf overleeft hij het werkkamp dat in 1944 door de Russen wordt bevrijd. In 1945 schreef hij dit gedicht over zijn blonde stille zachte moeder, wellicht na terugkeer bij zijn ouderlijk huis, dat inmiddels in de Oekraïne is gelegen en waarvan de deur uit zijn hengsels is gelicht.

De espenboom staat wit in het duister, de leeuwentand is groen als altijd, de regenwolk houdt zijn tranen in , de zon- die ronde  ster – slingert haar gouden strikken naar de aarde. De natuur is onveranderd gebleven, maar de moeder wier haren nooit wit geworden zijn en die doodstil om allen weent, komt niet terug. Onherroepelijk. Kan niet. 

Espenbaum, dein Laub blickt weiß ins Dunkel.
Meiner Mutter Haar ward nimmer weiß.

Löwenzahn, so grün ist die Ukraine.
Meine blonde Mutter kam nicht heim.

Regenwolke, säumst du an den Brunnen?
Meine leise Mutter weint für alle.

Runder Stern, du schlingst die goldne Schleife.
Meiner Mutter Herz ward wund von Blei.

Eichne Tür, wer hob dich aus den Angeln?
Meine sanfte Mutter kann nicht kommen. 

ESPENBOOM, jouw loof blikt wit het duister in.
Mijn moeders haren zijn nooit wit geworden.

Leeuwentand, zo groen is de Oekraïne.
Mijn blonde moeder kwam niet thuis.

Regenwolk, wat talm je bij de bronnen?
Mijn stille moeder weent om allen.

Ronde ster, jij slingert gouden strikken.
Mijn moeders hart werd wond door lood.

Eiken deur, wie hief jou uit je hengsels?
Mijn zachte moeder kan niet komen.

3.
Vijf jaar later, in 1950, schrijft Celan het volgende gedicht. Rijm is hier essentieel. Dat vraagt soms om eigenwijs vertalen. Met de nodige schroom.

So bist du denn geworden
wie ich dich nie gekannt:
dein Herz schlägt allerorten
in einem Brunnenland,

wo kein Mund trinkt und keine
Gestalt die Schatten säumt,
wo Wasser quillt zum Scheine
und Schein wie Wasser schäumt.

Du steigst in alle Brunnen,
du schwebst durch jeden Schein. 
Du hast ein Spiel ersonnen,
dass will vergessen sein.

ZO BEN JE dan geworden
als mij niet meer verwant.
jouw hart alom te horen
slaat in een bronnenland,

waar geen mond drinkt, geen enk’le 
gedaante schaduw zoomt,                     
waar water schijnt te wellen 
en schijn als water stroomt.

Jij waadt door alle bronnen,
jij zweeft door elke schijn.
Jij hebt een spel verzonnen,
dat wil vergeten zijn.

‘Zo ben je dan geworden / als ik jou nooit heb gekend,’ zo begint het gedicht, letterlijk vertaald. Hoe breng je een absoluut gemis in woorden? Het is een spookachtig gedicht. Het speelt zich af in een bronnenland. In het vorige gedicht, Espenboom, ging het over een wolk die aarzelt om de bron van regen te voorzien. Regenen is in Celan’s taal een beeld voor wenen. En bronnen zijn ogen die kunnen huilen, maar die vaak het huilen verleerd hebben en opgedroogd zijn. In dat landschap van opgedroogde bronnen en ogen dwaalt zijn  moeder rond. Haar hart is daar alom te horen, zoals zij in ‘Espenboom’ om allen huilt. En dat hart slaat onmiskenbaar nog steeds een op een met het hart van Celan zelf, maar onhoorbaar, ‘als nooit gekend’ – omwille van het rijm hier vertaald als: ‘niet meer verwant’. 

Uit die bronnen drinkt geen mond, geen gedaante is daar ‘omzoomd’, blijft schim,  schaduw zonder contouren. Misschien dacht Celan bij deze regels aan die van Rilke in zijn gedicht ‘De engelen’: ‘Ze hebben allemaal vermoeide monden / en heldere zielen zonder zoom’. 

Zo droomt de dichter zijn dode moeder: zwevend als een engel In een bronnenland waar alles schijn is: water schijnt er te wellen en schijn stroomt er als water (eigenlijk staat er ‘schuimt’, wat natuurlijk beter past bij het opgeklopte wezen van elke schijn). Door al die bronnen, door dat schijnbare water, waadt de moeder. Zij zweeft door die schijn heen als speelde zij een eindeloos, zelf verzonnen spel, ‘dat wil vergeten zijn’, dat te pijnlijk is om te onthouden.

Bron: Paul Celan. Die Gedichte. Herausgegeben und kommentiert von Barbara Wiedemann, Frankfurt am Main, 2005

Het gedicht ‘Kein ankerloses Tasten’ komt niet voor in de vertaling door Ton Naaijkens van Paul Celan. Verzameld werk, Amsterdam, 2003, 2020 (2e druk).

Over Kees Kok 15 Artikelen
Kees (C.G.) Kok (1948) is onafhankelijk theoloog en sinds 1980 verbonden aan Ekklesia Leerhuis Amsterdam; medewerker, vertaler (Duits) en uitgever van het werk van Huub Oosterhuis; voorzitter van de Stichting Huub Oosterhuis Fonds. Hij is gehuwd, heeft drie kinderen en vijf kleinkinderen.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*