Soekot aan de rand van het woud, Cassipora 1670

Een familie tussen Amsterdam, Suriname en de Cariben

De boot verscheen tegen het einde van de middag als een donkere streep op de Surinamerivier. Daniel de Casseres stond aan de monding van de Cassiporakreek en hield zijn hand boven zijn ogen tegen de lage zon.

Dit was Cassipora, de eerste autonome Sefardisch-Joodse nederzetting van Suriname, ontstaan rond 1650 en de voorloper van het latere Jodensavanne. Vanuit het woud krijsten apen en vogels. Daartussen klonk een ander geluid: hamers. De gemeenschap bouwde haar synagoge.

September was heet en droog. Stof lag op het pad tussen de huizen en het bos hing zwaar langs het water. Achter Daniel riep zijn oom Henrique dat hij moest opschieten. Voor Soekot hadden zij op de boot uit Amsterdam gewacht. Twee mannen tilden een houten kist op de steiger. Onder linnen en papier lagen gebedenboeken, kaarsen, wijn en zorgvuldig verpakte etrogiem. Henrique rook aan een van de vruchten. ‘Zesduizend kilometer,’ zei hij. ‘En geen deuk.’

Daniel was negentien. Toen hij tien was, was zijn vader Samuel gestorven — dezelfde Samuel de Casseres uit ons Rosj Hasjana-verhaal van twee weken geleden. Zijn moeder Mirjam d’Espinosa, een zus van Baruch Spinoza, was bij Daniels geboorte overleden. Haar jongere zus Rebecca trouwde daarna opnieuw met Samuel en werd tegelijk Daniels tante en stiefmoeder. Na Samuels dood bleef Daniel bij Rebecca en zijn halfbroers en halfzusje in Amsterdam.

Een paar jaar later besloot de familie dat de oudste jongen meer toekomst had bij zijn vaders broer Henrique in Suriname. Henrique bezat er land, kende de handel en behoorde tot de mannen die de jonge Joodse gemeenschap vormgaven. Daniel stak de oceaan over. Soms, wanneer het oerwoud ’s nachts eindelijk zweeg, verlangde hij naar Rebecca en de kinderen, naar het huis in Amsterdam en naar de stemmen die daar zo vanzelfsprekend bij zijn leven hadden gehoord.

Onder de bomen stond de soeka klaar. Palmbladeren vormden het dak; vruchten hingen tussen het groen en op lange tafels stonden brood, vis, rijst, wijn en schalen met tropisch fruit. Van de plantages langs de rivier arriveerden de gasten per boot. Mannen en vrouwen stapten aan wal, kinderen holden hen vooruit en verdwenen tussen de tafels van de soeka. Portugees, Nederlands en Hebreeuws  klonk door elkaar. Achter hun stemmen bleven de apen roepen, vogels krijsen en de hamers op het hout van de synagoge slaan.

Toen de eerste sterren tussen de bladeren verschenen, stond Henrique op met de beker. De gesprekken stierven weg. Hij sprak de kiddush en daarna, langzaam: ‘Baruch Atah Adonai, Eloheinu Melech ha’olam… leishev basukkah.’ Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning van de wereld, die ons geboden heeft in de soeka te wonen. ‘Amen,’ antwoordde de hele tafel. Een kind riep het te vroeg en iedereen lachte. Henrique ook.

De volgende ochtend hield Daniel de lulav in zijn rechterhand en de etrog uit Amsterdam in zijn linker. Henrique stond naast hem. Toen het Hallel inzette, kwamen de palmtakken rondom hen in beweging. ‘Hodu l’Adonai ki tov, ki le’olam chasdo.’ De stemmen stegen op en tientallen lulavim ritselden vooruit, opzij, omhoog en omlaag. Het klonk alsof er wind door de soeka trok, terwijl buiten geen blad bewoog.

Daniel kende de melodie van thuis. Zijn vader Samuel had haar gezongen. Daniel droeg ook de naam van zijn grootvader, Daniel de Casseres, ‘El Manco’, door de inquisitie veroordeeld tot de galeien en in 1624 ontsnapt naar de Republiek, naar zijn broer Moseh. Over die ontsnapping vertelden we in het Jom Kipoer-verhaal van vorige week. Nog geen halve eeuw later stond zijn kleinzoon vrij aan de Surinamerivier en zong dezelfde God hardop toe.

‘Waar zit je?’ vroeg Henrique. Daniel keek naar de etrog. ‘Bij opa.’ Henrique begreep het. ‘Die had dit niet geloofd.’ Hij wees naar de gasten, de lulavim en verderop naar het geraamte van de synagoge. ‘Dat een De Casseres ooit zo hard zou kunnen bidden dat ze hem aan de overkant van de rivier horen.’

Misschien dacht Daniel toen aan de vreemde route van zijn mishpoge. Een overgrootvader Henrique de Casseres vanuit Aveiro naar Bordeaux; grootvader Daniel tussen Portugal, Bordeaux en uiteindelijk Amsterdam; vader Samuel aan de Houtgracht; oom Simon in Londen; oom Henrique hier in Suriname. Hij kon toen nog niet weten dat ook zijn tante en stiefmoeder Rebecca enkele jaren later met zijn twee jongere halfbroers de oceaan zou oversteken en zich op Curaçao zou vestigen. De familie die Amsterdam uit elkaar had zien gaan, zou elkaar zo onverwacht weer terugvinden in de Cariben. Aan de ingang verscheen een Afrikaanse man met een schaal. Hij zette haar op tafel en trok zich terug. Daniel keek hem even na voordat het zingen hem weer meenam.

Na de maaltijd liepen Daniel en Henrique naar de rivier. De houten synagoge tekende zich al donker af tussen de bomen. ‘Denk je nog aan Rebecca?’ vroeg Henrique. ‘Iedere dag.’ Daniel keek naar het water dat richting oceaan stroomde. Soms hoorde hij in gedachten zijn halfbroers ruziën en zijn zusje door het Amsterdamse huis lopen. Henrique legde een hand op zijn schouder. ‘Je vader wilde dat je iets van je leven zou maken.’ Daniel zweeg. ‘Dat zegt u.’ ‘Omdat Samuel het niet meer kan zeggen.’

Midden in het Zuid-Amerikaanse woud schoot een Joodse gemeenschap wortel.

Henrique had in Suriname meegeholpen de rechten van de Joodse gemeenschap te verdedigen. Zijn broer Simon had in Londen een andere weg gevolgd, in de kring rond Menasseh ben Israel en Cromwell, waar werd gestreden voor de mogelijkheid openlijk Joods te leven. Volgende week, met Simchat Tora, volgen we Simon naar Londen. Vanavond behoorde aan Henrique en Daniel, aan Cassipora en aan het wonderlijke idee dat hier, midden in het Zuid-Amerikaanse woud, een Joodse gemeenschap wortel schoot.

Op weg terug kwam de Afrikaanse man hun tegemoet met lege kruiken. Hij stapte van het pad om hen te laten passeren. Daniel liep verder. Misschien bleef hij staan, misschien niet; geen archief vertelt het ons. Maar in dat ene mogelijke beeld raken twee geschiedenissen elkaar. Achter Daniel stond een soeka waarin een volk zijn bevrijding herdacht. Zijn eigen grootvader was geketend geweest en had zijn vrijheid herwonnen.

Daniel kon morgen een boot nemen. Naar Amsterdam, Londen, misschien ooit Curaçao.

De man tegenover hem kon niet besluiten om de plantage te verlaten. Vanuit de soeka klonk opnieuw het oude refrein. Daniel draaide zich om en liep terug naar het licht. Op tafel lag de etrog die via Amsterdam naar Suriname was gereisd. Oorspronkelijk kwam de vrucht uit Calabrië, waar ieder jaar etrogiem voor de Portugese Joodse gemeenschap van Amsterdam werden ingekocht.

Naast de vrucht rustte Daniels lulav, waarmee hij die ochtend naar alle windrichtingen had bewogen. Calabrië, Amsterdam, Suriname, alsof zelfs de voorwerpen van Soekot dezelfde rusteloze reis maakten als de familie De Casseres. Boven zijn hoofd stonden de sterren tussen de palmbladeren. Achter de soeka sloeg nog één hamer tegen het hout van de nieuwe synagoge. Uit het donkere woud antwoordde een vogel. Daniel hief zijn beker en zong mee. De Casseressen hadden een plaats gevonden waar zij hun gebeden niet meer hoefden te fluisteren.

Niet iedereen die hen kon horen, was vrij.

Wie verder wil reizen met de familie De Casseres: de volledige familiegeschiedenissen zijn te lezen in Aan tafel bij de Casseres en El Manco en te bestellen bij de auteur.


cover: ©Levie Wagenhuis

Over Levie Wagenhuis 18 Artikelen
Levie Wagenhuis is schrijver en restaurateur met een passie voor de Sefardisch-Joodse geschiedenis. Hij schreef de historische romans Aan tafel bij de Casseres, El Manco en Sous l'Horloge de la Gare de Lyon, en werkt aan een nieuw boek rond Lilly la Paz. Daarnaast publiceert hij dagelijks historische verhalen op Facebook en bouwt hij aan de initiatieven LostHistoryMuseum.org en Esnoga.tv.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*