Opa van Amos en Tamar wilde niet vertrekken uit joods Thessaloniki

In 1938 kon de liefde in Palestina behoorlijk ingewikkeld zijn. 

Vooral wanneer een jonge Asjkenazische socialist uit een kibboets verliefd werd op de dochter van een welgestelde Sefardische koopman uit Tel Aviv. 

De een geloofde in gemeenschappelijk bezit, de ander was opgegroeid in een wereld waarin bezit juist de basis van een fatsoenlijk bestaan vormde. Dat leverde interessante gesprekken op. Vooral wanneer beide vaders aan tafel zaten.

Amos woonde in Degania, aan het Meer van Tiberias. Zijn ouders kwamen uit Odessa. Tamar groeide op in Tel Aviv, in een familie met wortels in Thessaloniki. Thuis klonken Sefardische melodieën en Ladino, de taal die haar voorouders na hun verdrijving uit Spanje in 1492 hadden meegenomen.

Degania, gesticht in 1910, was de eerste kibboets. De bewoners wilden een nieuwe samenleving opbouwen waarin grond, productiemiddelen en opbrengsten gemeenschappelijk waren. Dat klonk aantrekkelijk, totdat bleek dat ook het melken van koeien, het schoonmaken van stallen en het repareren van irrigatiekanalen tot de collectieve verantwoordelijkheden behoorden.

Het leven was zwaar. 

De Jordaanvallei kende verzengende zomers, malaria was lange tijd een bedreiging en water bepaalde het ritme van de dag. Er werd geploegd, geoogst, gebouwd en bewaakt. 

Tijdens de Arabische Opstand van 1936 tot 1939 namen de spanningen toe. Gewapende confrontaties, aanslagen en nachtelijke bewakingsdiensten maakten deel uit van het dagelijks leven. 

De Britse Mandaatregering beperkte bovendien in 1939 de Joodse immigratie, juist toen Europese Joden steeds dringender een toevluchtsoord zochten.

In deze wereld werden Amos en Tamar verliefd. Zij begreep handel, scheepsladingen en contracten. Hij wist hoe je het land moest bewerken en water naar dorstige velden moest leiden. 

Toen haar vader vroeg wat een kibboetsjongen eigenlijk te bieden had, maakte Amos vermoedelijk weinig indruk met zijn financiële vooruitzichten. Maar Tamar koos niet voor een bankrekening. Ze koos voor hem.

Ze trouwden onder een eenvoudige choepa in Degania. De families discussieerden nog even over de juiste melodieën en gebruiken. De Sefardische en Asjkenazische tradities moesten tenslotte ook onder die vier houten palen passen. Uiteindelijk brak Amos het glas en kon het huwelijk beginnen.

In september 1939 kwam een verontrustende brief uit Thessaloniki. Tamars grootvader Yosef Halevi schreef over de verslechterende toestand in Europa. Duitsland was Polen binnengevallen. Tamar besloot samen met Amos naar Griekenland te reizen om haar grootvader op te halen en naar Palestina te brengen.

Thessaloniki was eeuwenlang een van de belangrijkste Sefardische steden ter wereld. Rond 1940 woonden er ongeveer 50.000 Joden. Er waren synagogen, scholen, verenigingen, handelshuizen en Ladinokranten. Voor veel families was de stad niet zomaar een woonplaats, maar een complete wereld, opgebouwd door generaties die hun Spaanse verleden nooit waren vergeten.

Maar opa Yosef weigerde te vertrekken.

Hij was er geboren, kende zijn buren, zijn synagoge en de haven. Waarom zou hij op zijn oude dag naar Palestina verhuizen? Hij had oorlogen en politieke omwentelingen meegemaakt. Hij kende de waarde van voorzichtigheid, maar ook die van het blijven. Een mens kon niet voortdurend zijn bestaan inpakken omdat ergens een nieuwe dictator was opgestaan.

Vijgenmarkt in Thessaloniki, beeld auteur

Tamar smeekte hem mee te komen. Amos probeerde hem te overtuigen. Yosef luisterde, maar veranderde niet van gedachten.

‘Een man verlaat zijn stad niet twee keer,’ zei hij.

Uiteindelijk namen ze afscheid. Yosef bleef achter in Thessaloniki. Amos en Tamar vertrokken naar Athene, waar ze aan boord gingen van een schip naar Marseille. Hun bedoeling was om naar Palestina terug te keren. Maar de Britse immigratiebeperkingen, de controles op reisdocumenten en het gebrek aan scheepsruimte maakten terugkeer onmogelijk.

Vanuit Marseille reisden ze daarom naar Parijs, in de hoop daar de noodzakelijke papieren te verkrijgen. Zo belandden ze op 12 juni 1940 onder de grote klok van het Gare de Lyon. Duitse troepen naderden de hoofdstad. Het station stroomde vol vluchtelingen. De weg terug naar hun vertrouwde leven was afgesloten.

Wat zij toen nog niet wisten, weten wij inmiddels wel.

Op 9 april 1941 bezetten Duitse troepen Thessaloniki. Op zaterdag 11 juli 1942 moesten duizenden Joodse mannen zich melden op het Plateia Eleftherias, het Vrijheidsplein. Onder de brandende zon werden zij vernederd, mishandeld en geregistreerd voor dwangarbeid. Die dag zou bekend worden als de Zwarte Sjabbat.

In februari 1943 werden de Joden van Thessaloniki samengebracht in afgesloten wijken. Op 15 maart vertrok het eerste deportatietransport naar Auschwitz-Birkenau. Tot augustus volgden nieuwe transporten. Ongeveer 47.000 Joden werden gedeporteerd, voornamelijk naar Auschwitz. Het overgrote deel werd vermoord. Een eeuwenoude Sefardische beschaving werd in enkele maanden vrijwel weggevaagd.

En opa Yosef?

In mijn roman behoort hij tot de gedeporteerden. Tamar verneemt zijn lot pas veel later. Er is geen graf, geen precieze sterfdatum. Alleen zijn naam op een lijst. De man die zijn stad niet wilde verlaten, werd uiteindelijk met geweld uit diezelfde stad weggevoerd.

Amos en Tamar slaagden erin Europa te ontvluchten. Vanuit Frankrijk gingen ze opnieuw aan boord van een schip, maar niet naar Palestina. Hun bestemming werd Sosúa, aan de noordkust van de Dominicaanse Republiek, waar Joodse vluchtelingen een landbouwgemeenschap opbouwden.

Daar kwamen de ervaringen uit Degania onverwacht van pas. Amos hielp met landbouw, veeteelt en irrigatie. Tamar gebruikte haar talenkennis om tussen de kolonisten en hun nieuwe omgeving te bemiddelen. Ze kregen kinderen, bouwden een bestaan op en bleven uiteindelijk in Sosúa, ook toen na 1948 terugkeer naar Israël mogelijk werd.

Voor haar grootvader plantte Tamar een citroenboom.

Misschien is dat wel het aangrijpendste aan hun geschiedenis. Ze hadden de wereld willen veranderen, maar moesten uiteindelijk vooral leren leven met wat de wereld hun had afgenomen.


Amos en Tamar zijn romanpersonages, geplaatst tegen de achtergrond van gedocumenteerde historische gebeurtenissen. Hun geschiedenis vormt een van de acht liefdesverhalen in mijn geïllustreerde roman Sous l’Horloge de la Gare de Lyon – Acht liefdes in ballingschap.

Wie van vergeten geschiedenissen houdt, nodig ik graag uit om mij op Facebook te volgen. Er liggen nog heel wat verhalen te wachten. Daar is ook mijn boek te bestellen. 


cover: ©auteur (mbv AI)

Over Levie Wagenhuis 23 Artikelen
Levie Wagenhuis is schrijver en restaurateur met een passie voor de Sefardisch-Joodse geschiedenis. Hij schreef de historische romans Aan tafel bij de Casseres, El Manco en Sous l'Horloge de la Gare de Lyon, en werkt aan een nieuw boek rond Lilly la Paz. Daarnaast publiceert hij dagelijks historische verhalen op Facebook en bouwt hij aan de initiatieven LostHistoryMuseum.org en Esnoga.tv.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*