Wat past bij Nederland?

Ter gelegenheid van Dierendag vond staatssecretaris Silvio Erkens dat hij de dieren een cadeautje moest geven. In een televisie-uitzending pleitte hij ervoor het taboe op een verbod op koosjere slacht te doorbreken. Onbedwelmd ritueel slachten hoort volgens hem niet in Nederland thuis.

Dat is een stevige uitspraak. Daarom is het misschien goed om eerst de geschiedenis erbij te pakken.

Want wie zegt dat iets ‘niet in Nederland thuishoort’, zou zich ook moeten afvragen hoelang het al onderdeel is van de Nederlandse rechtsorde — en waarom Nederland daar ooit bewust voor heeft gekozen.

De verplichting om dieren vóór het slachten te bedwelmen kent in Nederland een lange geschiedenis. Tegelijkertijd werd al vroeg een uitzondering gemaakt voor het slachten volgens de Israëlitische ritus. In 1920 bepaalde een koninklijk besluit dat de bepalingen over bedwelming niet van toepassing waren op dieren die bestemd waren om volgens die ritus te worden geslacht. De wettelijke regeling werd vervolgens vastgelegd in de vleeskeuringswetgeving van 1922.

Hier is een belangrijk onderscheid nodig. Slachten volgens de Joodse ritus is niet hetzelfde als ‘rituele slacht’. Het is geen ceremonie, geen gezang en geen mystieke handeling. Het is een streng gereguleerde methode die voor buitenstaanders weliswaar bloederig kan ogen, maar binnen de Joodse traditie juist wordt beschouwd als een zorgvuldige en humane manier van slachten.

Het was geen toeval dat Nederland ervoor koos de religieuze overtuiging te respecteren en de Joodse gemeenschap de ruimte te geven die in de praktijk te brengen.

Dat is relevant wanneer vandaag wordt verwezen naar ‘andere landen’, waar rituele slacht al lange tijd verboden of beperkt is. Noorwegen, Zwitserland en Zweden hebben inderdaad al vroeg beperkingen of verboden ingevoerd. Maar Nederland maakte een andere afweging. De Nederlandse wetgever koos ervoor godsdienstvrijheid hoog in het vaandel te houden en rekening te houden met de overtuiging van een kleine minderheid.

Dat is niet alleen geschiedenis uit een ver verleden.

Ook tijdens het debat over het wetsvoorstel in 2011 en 2012 speelde precies deze afweging een belangrijke rol. De Eerste Kamer kwam uiteindelijk tot de conclusie dat het voorstel een te vergaande inbreuk zou kunnen vormen op het grondwettelijk verankerde recht op vrijheid van godsdienst. Ook de proportionaliteit speelde een rol: staat het effect van de maatregel wel in verhouding tot de beperking die aan een specifieke religieuze gemeenschap wordt opgelegd?

Daarnaast vond de Eerste Kamer het bezwaarlijk dat de bewijslast feitelijk bij de religieuze gemeenschappen kwam te liggen. Zij zouden moeten aantonen dat hun manier van slachten niet méér schade aan het dierenwelzijn veroorzaakte dan reguliere slacht, terwijl het aan de overheid was om eerst overtuigend aan te tonen dat de voorgestelde beperking noodzakelijk en proportioneel was.

Uiteindelijk werd een convenant gesloten tussen de overheid, de slachterijsector en Joodse en islamitische organisaties, met als doel het dierenwelzijn bij rituele slacht verder te verbeteren.

Dat is óók een stukje Nederlandse geschiedenis.

Er is nog een ander punt dat aandacht verdient. De staatssecretaris zegt dat hij niet tegen koosjer slachten is, maar dat het wel volgens zijn regels moet gebeuren.

Daarmee ontstaat een merkwaardige situatie: de overheid bepaalt dan feitelijk wat nog als koosjer kan worden beschouwd.

Maar dat is niet aan de overheid.

Wat koosjer is, wordt bepaald door het Joodse religieuze gezag. Ook de wetgever heeft dat historisch onderkend. In de wet werd daarom verwezen naar het Opperrabbinaat voor Nederland om aan te wijzen wie gemachtigd is volgens de Israëlitische ritus te slachten.

Dat onderscheid is belangrijk. De staat kan regels stellen over dierenwelzijn. Maar daarmee krijgt de staat nog geen religieuze autoriteit.

En dan komen we bij de vraag die volgens mij werkelijk interessant is:

Wat past bij Nederland?

De staatssecretaris heeft een legitiem doel: het verminderen van dierenleed. Dat doel onderschrijf ik. Hij wijst bovendien terecht op een praktisch gegeven: op dit moment vindt in Nederland geen koosjere slacht plaats en wordt koosjer vlees voor de Nederlandse consument geïmporteerd.

Maar juist daardoor dringt zich een vraag op.

Als er in Nederland geen koosjere slacht plaatsvindt, welk dierenleed wordt hier dan verminderd door een verbod daarop?

Als er in Nederland geen dieren volgens die methode worden geslacht, kan een Nederlands verbod op die slacht hier geen dierenleed voorkomen.

Dan gaat het dus niet alleen om dierenwelzijn. Het gaat ook om het signaal dat met zo’n verbod wordt afgegeven.

En dan is de volgende vraag onvermijdelijk:

Aan wie is dat signaal gericht?

Dat werd pijnlijk zichtbaar toen in het televisieprogramma een archieffragment werd getoond waarin een Joodse consument een vergelijking maakte met de anti-Joodse maatregelen die de Duitse bezetter in augustus 1940 invoerde, waaronder het verbod op koosjere slacht.

De staatssecretaris wees die vergelijking van de hand. Begrijpelijk. Een democratische maatregel die wordt gemotiveerd vanuit dierenwelzijn is niet hetzelfde als een maatregel van een bezettingsregime dat erop gericht was Joden systematisch uit het openbare leven te verdrijven. Die twee zaken gelijkstellen zou historisch onjuist zijn.

Maar dat betekent niet dat de vergelijking helemaal ongefundeerd is.

Wie de duizenden jaren lange geschiedenis van het antisemitisme bestudeert, ziet namelijk dat uitsluiting zelden begint met de mededeling: wij hebben iets tegen Joden.

Het begint vaak met een onderscheid dat redelijk en zelfs moreel klinkt.

Eerst zijn Joden ‘anders’. Vervolgens worden bepaalde Joodse gebruiken als barbaars, achterhaald of onverenigbaar met ‘onze’ samenleving beschouwd. Op een gegeven moment wordt dat vermeende anders-zijn als een daadwerkelijke bedreiging gezien. Uiteindelijk kan een morele rechtvaardiging ontstaan om de ruimte van een hardnekkige minderheid steeds verder in te perken en haar uit te sluiten van het openbare leven.

Dat is geen beschuldiging aan het adres van de staatssecretaris. En het is zeker geen bewering dat voorstanders van een verbod antisemitische motieven hebben.

Het is een waarschuwing voor een mechanisme.

We moeten niet alleen vragen wat een maatregel doet, maar ook welke betekenis die maatregel krijgt voor de mensen op wie hij betrekking heeft.

In 2010 sprak Frits Bolkestein zijn zorg uit dat er uiteindelijk voor ‘bewuste Joden’ geen toekomst meer zou zijn in Nederland. Hij zag daarin een ontwikkeling die niet bij Nederland paste.

Die waarschuwing verdient het serieus te worden genomen, juist omdat de toekomst van Joden in Nederland niet alleen wordt bepaald door degenen die openlijk antisemitisch of gewelddadig zijn.

Die toekomst wordt óók bepaald door de vraag of Joden als volwaardig onderdeel van de Nederlandse samenleving worden gezien, of zich steeds opnieuw moeten verdedigen omdat Joodse gebruiken telkens ter discussie worden gesteld.

Een convenant dat nog geen vijftien jaar standhoudt, biedt in dat opzicht niet bepaald veel toekomstperspectief.

Onlangs zei ook de koning dat het tijd is dat ‘de zwijgende meerderheid’ zegt: ‘Blijf van onze Joden af.’

Dat zijn wijze woorden. Maar ze roepen ook een ongemakkelijke vraag op:

Wie zijn eigenlijk ‘onze Joden’?

Zijn het alleen de Joden die hetzelfde denken als de meerderheid?

Zijn het alleen de Joden die hun religieuze gebruiken aanpassen om niet op te vallen?

Moeten ‘onze Joden’ ook bepaalde politieke opvattingen hebben?

Of zijn het ook Joodse Nederlanders die hun religie en hun politieke overtuigingen op hun eigen manier willen invullen?

Een vrije samenleving wordt niet alleen gekenmerkt door de manier waarop zij omgaat met de meerderheid. Haar vrijheid wordt juist zichtbaar in de ruimte die zij laat aan de minderheid.

Dus opnieuw de vraag:

Welk Nederland willen wij zijn?

Een Nederland waarin de meerderheid bepaalt welke religieuze gebruiken nog voldoende Nederlands zijn om te mogen bestaan?

Of een Nederland waarin juist de bescherming van een kleine minderheid — ook wanneer haar tradities ons vreemd zijn — wordt gezien als onderdeel van wat Nederland zelf wil zijn?

Dat gesprek verdient meer dan een soundbite op Dierendag.

Over Shmuel Katzman 29 Artikelen
Rabbijn Shmuel Katzman is geboren in Brooklyn, New York en groeide op in Crown Heights, waar hij ook zijn rabbinale opleiding volgde. In 1994 werd hij als sjaliach van de Lubavitcher Rebbe uitgezonden naar Nederland. Hij is rabbijn van de NIG Den Haag en coördinator van JLI, het Joods Lern Instituut, de Nederlandse tak van Chabad-organisatie The Rohr Jewish Learning Institute.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*