‘Naftoli, waar heb je gezeten? Je bent weer meer dan een half uur te laat’

Mijn eigen weg #13 

Toli of Naftoli, jongeman met peijes en pet op tegen de achtergrond van Londen

11 november 2011 

Het mikwe is best heel warm. Heerlijk elke morgen z’n heet bad. Maar je moet niet naar mikwe gaan omdat het lekker voelt. 

Nee, het is een religieuze verplichting om jezelf elke ochtend vóór het dawwenen in het rituele bad onder te dompelen. Zo begint een chossied zijn dag. Alleen, het is wel een van die weinige dingen die naast een religieuze verplichting ook nog prettig is. Ik haal een kam door mijn natte peijes, stop de handdoek in mijn tas, knoop m’n jas dicht en loop de trap op naar buiten. Er waait een koude wind.

Het stoplicht springt op groen en de auto giert weg. Ik zie het voor mijn ogen gebeuren. Een vrouw kan nog net de stoep bereiken maar het hondje, dat vlak achter haar aan loopt, wordt door de wagen geraakt. Door de klap slingert het hondje de lucht in en komt met een plof op de grond. 

Gelukkig niet midden op de rijweg. De vrouw gilt het uit. Eerst denk ik dat het arme beest dood is. Maar dat valt gelukkig mee. Wel bungelt een van de pootjes losjes heen en weer. Het dier trilt over het hele lichaam. Ik probeer het te aaien. De mevrouw staat er alleen maar bij te huilen. Ik pak mijn mikwe-handdoek en leg deze voorzichtig over het trillende hondje. Het beestje komt een beetje tot rust. 

Terwijl ik het over zijn kopje aai vraag ik mezelf af wat er nu moet gebeuren. Een man komt op me af. ‘We hebben de dierenambulance gebeld. Ze komen zo gauw mogelijk’.  

Het moet onderhand al over negenen zijn. “Naftoli komt weer te laat.” Ik hoor het rebbe Mattias al roepen. Maar onderweg terug van het mikwe kon ik bij het kruispunt toch onmogelijk doen alsof er niets aan de hand was. Kan ik dit arme beestje zo laten liggen en die vrouw in de steek laten? 

De man die de dierenambulance heeft gebeld is ook al doorgelopen. De vrouw zit naast me op haar knieën en snikt het uit. ‘Mijn arme Johnnie, mijn arme Johnnie.’ Zo heet dat beestje dus. Ik blijf maar aaien. Een grote gele bus met de letters ‘Dierenambulance’ stopt naast de stoep. Ik aai het dier nog één keer. 

Het wordt voorzichtig opgetild en gaat samen met de mevrouw de ambulance in. De man van de ambulance geeft mijn handdoek terug. ‘Dank je wel voor de hulp. We gaan de patiënt gauw weer beter maken’. De vrouw knikt me nog even toe. ‘Dankjewel jongeman, dankjewel.’

De handdoek ruikt naar hond. Ik haal mijn schouders op. Morgenochtend als ik naar het mikwe ga stop ik deze wel in de wasmachine. 

‘Naftoli, nu wil ik echt weten waarom je alweer zo laat komt binnenlopen. Waar heb je gezeten? Je bent weer meer dan een half uur te laat.’ 

‘Ja, maar die hond was aangereden en toen heb ik geprobeerd die mevrouw te helpen. Het beest trilde helemaal en zijn pootje was gebroken’. Het gezicht van rebbe Mattias loopt rood aan. Als ik nog op school had gezeten had ik misschien wel een tik gekregen. Dat doen ze in ieder geval op de jesjiewe niet meer. 

‘Een hond? Een keilef? Jij geeft jouw Toire leren op voor z’n bijna dode hond? Hoe haal je het in je hoofd! Vooruit, naar binnen nu. Het wordt tijd dat je eens leert wat belangrijk is in het leven, en wat niet. De Eiberste heeft ons niet de Heilige Toire gegeven om die te verkwanselen voor een dode hond op straat.’ 

Dreigend doet rebbe Mattias een stap naar voren. ‘Naar binnen. En gauw!’ Maar ik ga niet naar binnen. Ik draai rechtsomkeer en ren hard weg. Wat nu? Waar ga ik eigenlijk naar toe? Ik kan onmogelijk naar huis. Mama ziet me al aankomen. 

Ik loop de trap af naar het mikwe en gooi de handdoek in de wasmachine tussen de andere gebruikte handdoeken. Dan ga ik naar boven en duw de deur van de sjoel open. Er zitten nog een paar bezoekers gehuld in hun talleisiem. Zij zijn de dagelijkse laatkomers voor het gebed.

Ik pak het deel van de Gemore dat wij nu in de Jesjiewe leren uit de kast en zoek een hoekje op. Ik verbaas me er zelf over dat ik dit doe, maar het geeft me het gevoel dat ik mijn tijd niet zomaar verpruts. Al gauw ben ik verdiept in het onderwerp waar we in de Jesjiewe mee bezig zijn. Hier op deze plek vind ik het eigenlijk veel fijner dan in de jesjiewe. Ondanks dat ik mijn studiemaatje hier niet heb en het studeren alleen moet proberen te rooien. Een uurtje is zo omgevlogen. 


Keilef Hond
Talleisiem Gebedsmantels


cover: ontwerp auteur

Over Lody van de Kamp 111 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*