‘Jullie mensen’ en dat ook nog met die Beierse tongval

Professor Zelmanovitch, feuilleton

straatbeeld Boro Park, New York

‘Waarom denken jullie mensen dat ze altijd met de hele familie op bezoek moeten komen?’ Radioloog dokter Conrad staat in de open balkondeuren, zijn handen losjes in zijn jaszakken. Beneden loopt het parkeerterrein langzaam vol. Na onze patiëntenronde begint het bezoekuur. Herr Kollega, zo vervolgt hij hoofdschuddend, ‘kinderwagens, met nog een paar loslopende kinderen er omheen, de nodige ooms en tantes, en dan ook nog een opa en oma in het kielzog.’

De minachting klinkt door in zijn stem. Ik doe maar net of ik zijn opmerking niet hoor. Dat ‘jullie mensen’ stoort me vreselijk. En dan in dat zware Duitse accent met ook nog eens die Beierse tongval. Waar haalt die Duitser de gotspe vandaan om zo over onze Joodse patiënten te spreken? Een of andere sneer ligt mij voor op de tong. Iets van ‘die Joodse moeders met kinderen, ooms en tantes, opa’s en oma’s in een lange rij die heeft jouw opa vast al vaker voor zich gezien toen hij ze opjoeg, de dood in?’ Ik houd mijn mond.

Professor Zelmanovitch is een roman van Lody B. van de Kamp.
Het verschijnt wekelijks in De Vrijdagavond
Aflevering 2

Eerste steen Maimonides Ziekenhuis, Brooklyn (foto Maimonides Medical Center)

‘Vanochtend zat bij u meteen de halve wachtkamer vol.’ Conrad wijst op het bovenste dossier op mijn bureau. ‘En de gang zag letterlijk zwart met al die lange jassen, heen en weer zwaaiende hoeden en gebedenboeken in hun handen’. Ik sta op en probeer mijn ergernis te verbergen. ‘Mocht er iets zijn, dan kun je me laten oproepen vanuit het lab.’ Hoe heeft de directie ooit die Conrad kunnen aannemen?

Een Duitser met altijd die onsympathieke opmerkingen in de kliniek waar zoveel Joodse patiënten komen. De man is te jong om in de oorlog iets verkeerd te hebben gedaan. Hij was nog niet eens geboren. Maar hij heeft mij wel eens iets verteld over zijn grootvader, zijn oom en nog meer familie. Wat ze precies hebben uitgespookt in Duitsland werd niet verteld. Maar dat ze niet deugden was duidelijk. En dan Conrad zelf met dat taalgebruik over ‘jullie mensen’. Het is maar goed dat deze radioloog vanaf zijn werkplek niauwelijks rechtstreeks met patiënten te maken heeft. Met zijn opmerkingen en zijn manier van doen zou het vast niet bij die ene keer zijn gebleven dat hij als Duitser in het ziekenhuis de wind van voren kreeg.

‘Jij? Jij blijft met je poten van mij af. Een Duitse dokter aan mijn lijf? Nooit van mijn leven. Ooit heeft zo een vent als jij in het kamp zogenaamd als dokter aan mijn moeder gezeten. Voor de rest van haar leven was ze een wrak, alleen maar doodongelukkig! Als ik zo een vent ooit nog eens te pakken krijg!’

dwaze wereld

‘Voor u naar het lab gaat, wil ik horen wat wij aan moeten met dat meisje van 804. Sirrel, Zirrel? Hoe heet ze precies?’ ‘Tsirel bedoel je. Dat kind van een jaar of twaalf’. ‘Ja, die bedoel ik. Vanochtend werd de MRI gemaakt. Die linker nier ziet er slecht uit. Vindt u dat we moeten opereren?’ ‘Ik weet het eigenlijk niet. Heeft urologie ook naar de MRI gekeken? Anders loop ik op weg naar het lab wel bij hen binnen.’

‘Ik zie geen andere mogelijkheid om het kind nog te redden dan te opereren.’ Conrad tuit zijn lippen, opent op de computer het MRI-beeld. ‘Prof, aan u kan ik het wel kwijt. Ik leef in een dwaze wereld. Hier in mijn nieuwe baan in Brooklyn in New York, verweg van mijn geboorteland, ben ik de hele tijd op zoek naar manieren om zieke Jodenmensen beter te maken en probeer ik de doodzieken onder hen langer in leven te houden. Bij mijn grootvader was het anders. Hij was de hele dag bezig om, in net zo een witte jas als ik draag, zoveel mogelijk gezonde Joden ziek te maken. En een oom van mij maakte er een dagtaak van om zo veel mogelijk Joden dood te maken.’

smalende opmerkingen

Ik draai me om. Nu ziek ik mijn kans schoon om door te vragen. ‘Die grootvader van jou. Wat heeft ie allemaal uitgevreten? Wat deed hij dan? Was ie ook arts? Net zoals jij?’ Ik zie iets wat me nog niet is opgevallen bij deze jongere collega met zijn altijd smalende opmerkingen en overdreven stoere gedrag. Conrad staart met een rood aangelopen gezicht naar zijn scherm. Zijn stem klinkt bitter. ‘Nee. Nooit zal ik die man een dokter noemen. Hoort u wat ik zeg? Hij droeg net zo een witte jas als u of als ik. Maar dat maakte de man nog geen dokter! Hij studeerde net als ik, zijn bloedeigen kleinzoon, medicijnen. Maar werd hij daardoor arts? Hij gaf practicum aan zijn studenten op de snijzaal. Hij was professor. Maar arts? Medicus?‘

Conrad ratelt nu aan één stuk door. Behoorlijk vrijpostig trekt hij mij aan zijn mouw en wijst naar het scherm. ‘Ziet u deze nier? En hier’, het scherm toont een tweede foto van de organen van het meisje, ‘ziet u hier van die Tsirel de galblaas?’ Een minuut geleden had Conrad nog een vuurrood hoofd. Nu is hij zo bleek als de jas die hij draagt. Hij pakt de revers van zijn jas beet. ‘Hierin stond mijn opa in de barak van zo’n  kamp, toen in de oorlog. Aan de snijtafel. Hij was aan het ‘experimenteren’. Zogenaamd in naam van de wetenschap. Alleen, op die snijtafel lagen geen doden. Mijn grootvader stond bij de transporten op het perron waar de treinen aankwamen en koos daar zijn organen al uit.

Jonge en oude mannen en vrouwen werden aangewezen om levend te worden vastgebonden op de tafel. Kijk, zo een nier of deze galblaas haalde hij uit de lichamen. Om te kijken hoe die mensen verder konden leven zonder deze organen. Of om te kijken hoe ze na deze ingreep doodgingen. Gewoon snijden, zonder narcose. Zo vernielde hij Joden. Terwijl ik Joden nu probeer te redden.’ Hij schuift zijn stoel naar achteren. ‘Herr Kollega, Herr Professor, gaat u maar naar het lab. Als er iets is, dan hoort u wel van mij.’

opperste verwarring

Herr Kollega? Ik kijk Conrad recht in zijn gezicht. ‘Herr Kollega?’ Kleinzoon van een moordenaar, mijn collega? Conrads bleke gezicht wordt langzaamaan weer donkerder. Een van pijn verwrongen blik staat in zijn ogen. Ik sta hier in opperste verwarring voor hem. Hij kan het toch niet helpen dat dit de geschiedenis is die hij van zijn afkomst heeft meegekregen? Is het zijn schuld dat hij nog steeds over ‘jullie Jodenmensen’ spreekt en in karikaturen denkt wanneer hij het over ons heeft? Moet ik nu medelijden tonen met Conrad, de kleinzoon van een nazibeul? Of moet ik aandacht schenken aan mijn eigen herinneringen van lang vervlogen tijden.

Eigen herinneringen die tientallen jaren geleden bewust zijn weggestopt maar hier, in de kliniek, voor het computerscherm acuut naar boven komen. Met grote stappen loop ik naar mijn kamer, ruk me uit mijn witte jas, ren naar buiten en sla de deur met een klap achter me dicht. Met twee treden tegelijk storm ik de trap af, voorbij het lab. Buiten, in het Rosarium, kom ik op adem. Zo vroeg in de ochtend loopt hier niemand rond. Ik laat me neerploffen op een bankje. Met mijn ellenbogen op mijn knieën ondersteunen mijn handen mijn gezicht. Herinneringen van toen proberen zich van mij meester te maken.

Tsirels moeder

Tussen de bomen door rijdt een taxi tot aan de slagboom. Tsirels moeder zie ik op de achterbank. Urologie! Ik zou bij urologie binnenlopen, bij collega Mirjam Tiefenbrun.

Maimonides Medical Center New York

Herinneringen laat ik voor wat ze zijn. Met dezelfde snelheid waarmee ik een paar minuten geleden de kliniek ontvluchtte, stuif ik weer naar binnen. Vandaag moeten we toch echt besluiten wat er met die kleine meid gaat gebeuren.

Mijn Maimonideskliniek in Brooklyn. Boven zit de Duitse Conrad te puzzelen hoe hij het leven van de Joodse Tsirel nog kan redden. Ikzelf zit heftig transpirerend op de bank in het Rosarium. Ingehaald door mijn herinneringen aan onmensen zoals de grootvader, de oom of wie weet welk familielid nog meer, van de man die mij Herr Kollega noemt.

(Wordt vervolgd)


cover: staartbeeld Boro Park, New York. Foto: WikiCommons

Over Lody van de Kamp 88 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*