Naftoli: Ik moet weten wat er in de film allemaal wordt gezegd 

Mijn eigen weg #9

Toli of Naftoli, jongeman met peijes en pet op tegen de achtergrond van Londen

30 augustus 2011

Ik ben benieuwd hoe Polen is. Wat jammer dat we maar voor één dag gaan. Maar tatti was zoals gewoonlijk onverbiddelijk. 

‘Polen is niet een land voor uitstapjes. Vandaag gaan we omdat je net barmitswe bent geworden. Met een taxi rijden we direct van het vliegveld naar het graf van de grootvader van onze heilige Rebbe. Rebbe Naftoli naar wie jij bent vernoemd.’ 

‘En dan rechtsomkeert weer naar huis. Meer dan het dawwenen bij het graf van Rebbe Naftoli voor de zieken, voor berochois, voor jou en voor de hele familie hebben we in dit land niet te zoeken. Het land is immers één groot bloedbad door alles wat daar met het Jiddisje volk in de oorlog is gebeurd.’

Tattie zit achterover gezakt in zijn stoel. Zijn kleine Gemore die hij onderweg altijd bij zich heeft, ligt opengeslagen op zijn schoot, maar tatties ogen zijn dicht. Hij lijkt diep te slapen. Dat kan ook bijna niet anders. Vanochtend om half vijf stond de taxi die ons naar het vliegveld zou brengen al voor de deur. 

In een stil hoekje van de luchthaven hebben we samen gedawwend en onze boterhammen opgegeten. Daarna was het tijd om aan boord te gaan. 

Ik kijk nog een keer, maar tatti slaapt nog steeds. Ik druk op het schermpje in de rugleuning van de stoel voor mij en kijk naar het filmpje. Tattie slaapt door. 

Ik moet natuurlijk wel weten wat er in de film allemaal wordt gezegd. Voorzichtig trek ik de koptelefoon uit het zakje in de stoel. Het stekkertje druk ik in het contact van mijn stoelleuning. Gelukkig zit dat aan de raamkant. Zo kan tattie het niet zien. Ik houd de koptelefoon tegen mijn oor en hoor het geluid van een politieauto. Er wordt hard geschreeuwd. In de film zie ik een huis branden en er komt een man met een pistool naar buiten. Natuurlijk wil ik precies weten hoe het afloopt. Maar door mijn angst dat tattie wakker wordt volg ik het verhaal niet helemaal. Tattie gaat verzitten. Ik druk meteen op het scherm. De film verdwijnt. En dat is maar goed ook. Tattie wordt wakker. Hij grijpt naar zijn Gemore en kijkt op zijn horloge. 

‘Nu zouden we er binnen een half uurtje moeten zijn’. Ik duw de koptelefoon naast mijn stoel op de grond. ‘Gaan we dan landen en meteen door naar het graf?’ We horen de stem van de stewardess. ‘Wilt u alstublieft uw stoelriemen vastmaken. En het tafeltje voor u omhoog klappen? Over enkele minuten landen wij op het vliegveld van Krakau’. We vliegen over bossen en weilanden heen. In de verte zie ik een grote stad. In mijn maag voel ik dat we gaan landen.

Tattie grijpt mijn hand. Door het hoge gras lopen we langs oude grafstenen naar een bakstenen huisje midden op de begraafplaats. Ik blijf staan bij enkele hele oude stenen die helemaal scheef staan. De letters zijn nauwelijks nog te lezen. Tattie trekt me mee. ‘Niet nu Naftoli, eerst gaan we naar de Elterzeide. Hij wacht op ons’. 

‘Hij wacht op ons? Hoe weet hij dat wij vandaag komen?’ 

‘Naftoli, Rebbes weten alles. Ook wanneer ze allang overleden zijn’. Ik probeer dit te begrijpen. De deur van het gebouwtje zit dicht met een verroeste grendel maar het lukt tattie om deze weg te schuiven. Binnen ruikt het stoffig. Ik wrijf een spinnenweb van mijn voorhoofd af.

“Hier ligt onze heilige meester, leraar en wijze rabbijn Naftoli, zijn aandenken zij tot zegen”, staat op de muur. ‘Dit is dus jouw over-overgrootvader. Hij is het voorbeeld in het jodendom en in het chassidisme voor ons en ook zeker voor jou. Ik ben er heilig van overtuigd dat ook jij ooit een rebbe zal worden zoals hij dat was. We lezen het hele boekje uit’. 

‘Het hele boek?’ 

‘Ja Naftoli, het hele boek.’ Ik hoor tatties diepe zucht.

Ik heb nu zeven bladzijden gelezen. Tattie staat naast mij. Met gesloten ogen beweegt hij zijn lippen terwijl hij zijn bovenlichaam met regelmaat naar voren en naar achteren beweegt. Tattie kent natuurlijk het hele Tehillim uit zijn hoofd. Hij heeft geen boekje nodig. 

Ik doe een paar stapjes naar achteren. Tattie merkt het niet. Achteromkijkend loop ik het muffe gebouwtje uit. Eenmaal buiten knipper ik met mijn ogen tegen de felle zon. Onder mijn voeten kraken eikels die van de bomen zijn gevallen. Een klein grijsachtig beestje met een grote pluimstaart schiet van onder de struiken een boom in en blijft halverwege de stam doodstil zitten. Ik loop terug naar het hek. Over de zandweg komt een paard en wagen aan. Op de bok zit een oud vrouwtje met allemaal rimpels in haar gezicht. Zij draagt een hoofddoek helemaal naar voren tot vlak boven haar ogen. Ze trekt hard aan de teugels, het paard staat stil. Het vrouwtje kijkt mij met een doordringende blik aan.  

‘Zjid, zjid’ roept ze. Met haar hand wijst ze op haar voorhoofd. ‘Zjid, zjid!’ blijft ze roepen. Ik staar haar aan. Ik heb geen idee wat ze bedoelt met dit geroep. Ze kijkt me nog eenmaal met giftige ogen aan, recht in mijn gezicht, spuugt op de grond, grijpt de teugels en de wagen rijdt door. Ik hoor nog steeds ‘zjid, zjid’. Ik slenter terug naar het huisje. 

Tatti bidt nog steeds zijn psalmen. In mijn boekje zoek ik een klein psalmpje op en begin ook maar weer te lezen.

Tattie haalt het broodtrommeltje uit zijn tas. Samen zitten we aan de kant van de weg. ‘En Naftoli, heeft mamma geen lekkere boterhammen voor ons klaargemaakt?’ Al kauwend knik ik. ‘Nu ben je bij het graf van de Rebbe geweest. Vanaf vandaag gaat het allemaal anders worden met jou. Kom iets dichter bij mij zitten.’ 

Ik schuif op en leun tegen tatti aan. Tatti tilt voorzichtig mijn hoed op. Zachtjes trekt hij mijn peijes naar voren en legt ze langs mijn slapen naar de voorkant van mijn oren. Met zijn zachte handen streelt tattie ze. Eerst de een, dan de ander. ‘Naftoli, nu ben je nog een barmitswe bochoer. Maar over tien jaar ben jij de nieuwe Rebbe Naftoli. Je zult het zien.’ Aan het begin van de zandweg wordt getoeterd, de taxi staat klaar. 

Eenmaal thuis lukt het niet om in slaap te vallen. Zou tattie echt niet in de gaten hebben gehad dat ik maar een paar bladzijden Tehillim heb gezegd? Ik voel me ongemakkelijk, doe het schemerlampje naast mijn bed aan, pak mijn Tehillim uit de kast en begin te lezen. Bladzijde na bladzijde, tot mijn ogen dichtvallen. Misschien heb ik zo wat goedgemaakt.


Berochois G’ddelijke zegeningen
Elterzeide Overgrootvader
Tehillim Psalmen
Zjid Jood


Over Lody van de Kamp 109 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*