Dissonanten in het Concertgebouw leest als een thriller

Wat opviel bij de pro-Palestijnse protesten bij de Chanoekaconcerten in het Concertgebouw, is dat er alleen maar werd geschreeuwd. Akelige woorden als kindermoordenaars, verkrachters, kolonialisten en nog meer kregen musici en bezoekers te horen. Ieder gesprek werd onmogelijk.

Zoals ik 12 november in deze krant schreef: Het Concertgebouw is gelukkig op zijn schreden teruggekeerd om het Chanoekaconcert van B’nai B’rith te cancelen.

’s Middags werd het familieconcert een feestje, met een Veegpietrabbijn – de componist Bob Zimmerman – de zeer jonge sopraan Jedidja Loonstein en de spectaculaire klarinist Henrik Goldschmidt. Een waar feest onder leiding van dirigent en arrangeur Jules van Hessen. Een feestje zoals Chanoeka hoort te zijn.

Buiten klonken de dissonanten: met een grote politiemacht die de groep schreeuwers in bedwang moest houden. Mensen die Israel aanklagen in de Gaza-oorlog kregen aanvankelijk de directie van het Concertgebouw aan hun kant. Zij vonden gehoor met hun eis dat de ‘geniocidechazzan’ Shai Abramson niet mocht optreden met Chanoeka. Dat werd, na langdurige bemiddeling, uiteindelijk teruggedraaid door de Concertgebouwdirectie. Daardoor kon Abramson in een besloten setting optreden en konden wij ’s middags genieten van een gratis, en voor iedereen toegankelijk, familiefeest.

Landelijke pers

Dit conflict werd uitgebreid besproken in de landelijke pers. Iedereen leek er een mening over te hebben. Het zou prachtig passen in het eerder dit jaar verschenen boek van musicoloog en (kunst)filosoof Albert van der Schoof: Dissonanten in het Concertgebouw. Een lijvig boek over de vele roerige bladzijden in de geschiedenis van het gebouw en het wereldbefaamde orkest dat haar naam draagt: het Concertgebouworkest.

Nieuw standaardwerk

Met Dissonanten in het Concertgebouw heeft de musicoloog en filosoof Albert van der Schoot een absoluut nieuw standaardwerk aan de geschiedenis van deze legendarische concertzaal toegevoegd. 

Er zijn talloze boeken verschenen over het Concertgebouw, meestal himmelhoch jauchzend, speciaal over de akoestiek. Dan worden er ook twee of drie bladzijden ingeruimd over dirigent Willem Mengelberg en de zwarte bladzijden van het gebouw gedurende de Tweede Wereldoorlog. Toen moesten Joodse musici het (toen nog niet Koninklijk) Concertgebouworkest op bevel van de nazi’s verlaten. Van der Schoot gaat hier uitvoerig op in.

Scheiding gebouw en orkest

In het jaar 1951 leidden spanningen ertoe dat de N.V. het Concertgebouw en het Concertgebouworkest als twee aparte organisaties verderging. Een heel boeiende geschiedenis waarmee de toenmalige minister Theo Rutten en staatssecretaris Cals (de latere minister-president) zich persoonlijk bemoeiden. 

Ook secretaris-generaal Hendrik Jan Reinink (de grootvader van de huidige directeur Simon Reinink) en de gemeente Amsterdam in de persoon van burgemeester D’Ailly en wethouder De Roos bemoeiden zich er persoonlijk mee. 

Het orkest, inmiddels wereldberoemd, werd steeds zelfstandiger en werd vanuit het ministerie van OKW (onderwijs, kunsten en wetenschappen) gesubsidieerd, terwijl het gebouw nog steeds bestuurd werd door regenten. 

Koningin Juliana

Ik schrijf deze geschiedenis nu wat ongenuanceerd neer; Van der Schoot besteedt er een heel hoofdstuk aan dat leest als een roman, of liever een thriller. Directe aanleiding was de weigering van een aantal musici om op te treden. Zij verlieten het podium uit protest tegen de in hun ogen schadelijke gang van zaken. Het bestuur wendde zich zelfs tot koningin Juliana, die al na een paar dagen antwoordde. Wat de betrokken musici niet wisten, was dat er een gesprek was gepland tussen de toenmalige minister Rutten en de koningin.

Chanoeka familieconcert, 14 december 2025 met Jedidja Loonstein (zang) en dirigent Jules van Hessen, foto Bloom


Ook Het Parool speelde in de publieke opinie een belangrijke rol. Het blad schreef: “De vorm van een naamloze vennootschap, waarin het instituut meer dan zestig jaren is blijven voortleven, is even ongewenst, als de huidige leiding incompetent is.” Dit mondde uit in de splitsing van de exploitatie van het gebouw en het orkest. 

Het is een van de vele voorbeelden die Van der Schoot in bijna vijfhonderd pagina’s beschrijft, aangevuld en onderbouwd met nog eens bijna zestig pagina’s noten en verantwoording. Gelukkig staan die achterin, zodat het verhaal als een geheel kan worden gelezen. 

Entente versus Pro-Duits

Zelf na de Eerste Wereldoorlog klonken er dissonanten: de meeste Nederlanders voelden meer voor de Entente (Frankrijk en Engeland) dan voor het gevallen Duitse keizerrijk. Alphons Diepenbrock, fervent anti-Duits, organiseerde een vredesconcert met Hymne à la justice van Albéric Magnard, gedirigeerd door Evert Cornelis, die kort daarvoor door het bestuur was ontslagen. 

Na de pauze zou Diepenbrock zelf zijn Te Deum dirigeren. Dat was tegen het zere been van vele Duitsgezinden (zoals bekend was Nederland neutraal in de Eerste Wereldoorlog). Zij vonden het Verdrag van Versailles een opgelegd ‘dwangbevel’ (vodje papier) aan Duitsland. 

Nu, een ruime eeuw later, wordt anders tegen dat verdrag aangekeken, maar toen stonden de meningen lijnrecht tegenover elkaar. Ook hier speelde de pers weer een belangrijke rol in de persoon van Willem Sibmacher Zijnen, toentertijd muziekredacteur van (het toen Amsterdamse) Handelsblad, die de kant koos van de gevestigde orde, die Duits georiënteerd was.

Al deze controverses zijn leuk om te lezen, zeker voor de ook in geschiedenis geïnteresseerden vrienden van het Concertgebouw(orkest).

Notenkrakers

De Notenkrakersactie op 17 november 1969 paste precies in de tijdgeest van de rebelse jaren zestig. De actie volgde op – tijdens het Holland Festival uitgevoerde – opera Reconstructie van Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw, Peter Schat, Mischa Mengelberg en Jan van Vlijmen op een libretto van Hugo Claus en Harry Mulisch. Zowel Albert van der Schoot als ondergetekende (ik was toen 17 en werd meegetroond door onze docenten) waren bij de opera en de Notenkrakersactie aanwezig. 

De opera was, geheel conform die tijd, een lofzang op Cuba. De Notenkrakers richten zich tegen het, in hun ogen, gezapige artistieke beleid van het Concertgebouw. In wezen was het een aanklacht tegen de gevestigde orde en volgde het de studentenprotesten in Parijs, Berlijn en Amsterdam. In de kunstensector zagen we bij het toneel de actie Tomaat en in de beeldende kunst de bezetting van de Nachtwachtzaal van het Rijksmuseum. 

Gevolgen

Deze acties hebben wel degelijk invloed gehad: bij het toneel sneuvelden de twee grote repertoiregezelschappen: De Nederlandse – en de Haagse Comedie. Het heeft minstens dertig jaar geduurd voor het repertoiretoneel weer het oude niveau bereikte). 

Voor het Concertgebouw had het verstoren van het concert geen gevolgen: Bruno Maderna werd (naast Bernard Haitink) niet aangesteld als tweede chef-dirigent (dat was een van de ‘eisen’ van de protesterende componisten). 

Ik ben het overigens niet met Van der Schoot eens dat Maderna toen al op zijn retour was; hij stierf in november 1973 in Darmstadt, het toenmalige Europese centrum voor hedendaagse muziek. Wel ontstond parallel een nieuwe muziekcultuur waarin Felix Meritis en later De IJsbreker (nu Muziekgebouw aan het IJ) een belangrijke rol gingen spelen. 

De authentieke uitvoeringspraktijk van met name barok kreeg de kans zich te ontwikkelen. Harnoncourt in Wenen, Gustav Leonhardt, Frans Brüggen en Anner Bijlsma in Amsterdam, om vier van de pioniers te noemen.

Artistiek beleid

Bij het Concertgebouworkest verdween de moderne C-serie nadat Marius Flothuis tot hoogleraar in Utrecht was benoemd en Hein van Royen de nieuwe artistiek leider werd. Ik heb het daar nog vaak met ‘Flot’ (zoals hij door vrienden werd genoemd) over gehad. Achteraf kun je stellen dat het artistieke beleid van het Concertgebouw nooit meer zo progressief en hedendaags is geweest als toen. Het kan verkeren…

Albert van der Schoot, Dissonanten in het Concertgebouw
Uitgeverij Noordboek, Gorredijk, 2025
560 p. ISBN 9789464712834


cover: Concertgebouw, Amsterdam met tram, foto Derbrauni, 2023

Over Jurriaan Fransman 10 Artikelen
Jurriaan Fransman (1954) studeerde na het Conservatorium, Muziekwetenschap met als extra bijvak filosofie. Hij stond mede aan de wieg van het toenmalige Hilversum 4 (nu NPO Klassiek) en schreef tientallen artikelen over muziek en cultuurbeleid in het FD. Na een twintigjarige ambtelijke loopbaan, waarbij hij een dag in de week college cultuurjournalistiek gaf aan de Universiteit Utrecht, was hij de laatste acht jaar voor zijn pensionering Senior Lecturer Communicatie- en Media Ethiek aan de UvA.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*