Samuel Pepys moet gedacht hebben dat hij in een gekkenhuis was beland.
Mannen zongen, liepen met Torarollen door de kleine synagoge en maakten volgens hem een kabaal dat nauwelijks nog iets met godsdienst te maken had. Het was woensdag 14 oktober 1663, Simchat Tora, en Pepys was met zijn vrouw Elizabeth de synagoge aan Creechurch Lane in Londen binnengelopen. Hij kende de Joden nauwelijks. En van Simchat Tora begreep hij helemaal niets.
Wat Pepys niet wist, was dat hij naar mensen keek die iets deden wat in Engeland bijna vier eeuwen onmogelijk was geweest: openlijk Joods zijn. Sinds de verdrijving door koning Edward I in 1290 kende Engeland officieel geen Joodse gemeenschap meer. Wie er toch woonde, leefde als christen of hield zijn afkomst en geloof zoveel mogelijk voor zichzelf. Maar nu stonden hier mannen met Torarollen in hun armen. Ze zongen. Ze dansten. En niemand kwam hen arresteren.
West-Atlantische Sefardische mishpoge
Een van de mannen die deze kleine gemeenschap mogelijk hadden gemaakt, was Simon de Casseres, ook bekend als Jacob de Caceres. Voor mij is hij geen naam die toevallig in een zeventiende-eeuws document opduikt. Simon is een van de patriarchen van de West-Atlantische Sefardische mishpoge die in mijn boeken Aan tafel bij de Casseres en El Manco.
Via Amsterdam, Hamburg, Londen, Barbados, Jamaica en Suriname duikt de familie telkens weer op langs de handelsroutes van de Atlantische wereld.
Simon was bovendien de oom van Samuel de Casseres, die in eerdere verhalen al voorbij kwam.* Daarmee lopen de verschillende takken van mijn familiegeschiedenis telkens weer door elkaar: rabbijnen en kooplieden, dichters en avonturiers, mannen achter lessenaars en mannen achter grootboeken.
Simon behoort nadrukkelijk tot die laatste categorie. Hij was koopman en bankier, maar tegelijkertijd een man die zich openlijk Joods durfde te noemen toen dat in Engeland nog allerminst vanzelfsprekend was.
*zie Soekot aan de rand van het woud, Cassipora 1670
‘Welkom terug’
In 1656 behoorde hij tot de kleine groep Joden rond Menasseh ben Israel die Oliver Cromwell verzocht hun godsdienst weer openlijk te mogen uitoefenen. Dat gebeurde niet met trompetgeschal of een koninklijk decreet waarop stond: welkom terug.
Engeland deed het op zijn Engels. Er kwam geen spectaculaire formele opheffing van de middeleeuwse verbanning. Cromwell liet de deur op een kier staan en op een gegeven moment bleek dat niemand hem nog dicht kreeg.
Een jaar later beschikte de kleine Sefardische gemeenschap over haar synagoge in Creechurch Lane. Simon de Casseres trad samen met Antonio Fernandez Carvajal op bij de verwerving van grond voor een Joodse begraafplaats. Dat klinkt administratief, maar voor een gemeenschap die bijna vierhonderd jaar officieel niet had bestaan, was een eigen begraafplaats bijna revolutionair. Je mocht niet alleen weer als Jood leven. Je mocht er eindelijk ook weer als Jood sterven.
Zes jaar later liep Samuel Pepys die wereld binnen. Pepys was ambtenaar bij de marine, nieuwsgierig, intelligent, ijdel, dol op muziek, vrouwen, eten en zichzelf. Hij bezat de voortreffelijke gewoonte bijna alles op te schrijven. Daardoor weten we soms meer over zijn dagelijkse leven dan over dat van koningen. Die woensdag ging hij met Elizabeth uit nieuwsgierigheid bij de Joden kijken. Uitgerekend op Simchat Tora.
Voor een buitenstaander was dat misschien ook een ongelukkige dag om voor het eerst kennis te maken met het jodendom. Wie op Jom Kipoer binnenkomt, ziet ernst, stilte en gebed en denkt al snel: indrukwekkende religie. Wie op Simchat Tora binnenvalt, krijgt een ander beeld. De jaarlijkse lezing van de Tora is voltooid, onmiddellijk wordt opnieuw bij Genesis begonnen en de rollen worden feestelijk rondgedragen. Het heilige boek wordt niet alleen bestudeerd. Er wordt feest mee gevierd.
Uit de Hechal
Pepys zag dat de rollen uit de Hechal werden gehaald. Hij zag hoe ze werden gedragen en van man tot man gingen. Hij hoorde het zingen en zag de beweging door de synagoge. Voor de aanwezige Sefardiem was het vreugde. Voor Pepys was het wanorde. Hij schreef over laughing en sporting en noteerde later dat hij nog nooit in zijn leven een godsdienst op zo’n absurde manier had gezien. Zijn verbazing is ruim drieënhalve eeuw later nog voelbaar.
En juist daardoor is zijn ergernis zo kostbaar. Zonder het te beseffen legde Pepys een moment vast waarop een verdreven gemeenschap haar stem terugvond. Sommige mannen in Creechurch Lane waren zelf als nieuwchristenen geboren; anderen waren kinderen of kleinkinderen van mensen die op het Iberisch Schiereiland hun Joodse afkomst hadden verborgen. Hun families hadden geleerd gordijnen dicht te trekken voor mensen die verdacht konden zijn. Nu gingen de deuren open.
Misschien stond Simon die woensdag zelf in Creechurch Lane. Hij woonde in Londen en behoorde tot de mannen die deze gemeenschap hadden opgebouwd. Maar daar houdt de geschiedschrijving op en begint de verleiding van de schrijver, dus zet ik hem niet zonder bewijs tussen Pepys en de Torarollen. Het is ook niet nodig. Zonder Simon de Casseres en die handvol andere koppige Sefardische kooplieden was er misschien geen synagoge geweest waarin Pepys zich die middag zo heerlijk kon ergeren.
Hij zag een vreemde ceremonie. Zij vierden continuïteit.
Het aardige is dat beide mannen ongeveer hetzelfde zagen en iets volkomen anders begrepen. Pepys zag mensen die zich in zijn ogen onbehoorlijk gedroegen tijdens een godsdienstoefening. De Sefardiem zagen een Tora die opnieuw begon. Pepys hoorde lawaai. Zij hoorden Hebreeuwse woorden die hun families generaties lang niet overal hardop hadden kunnen uitspreken. Hij zag een vreemde ceremonie. Zij vierden continuïteit.
En Simon was nog lang niet klaar. Zijn handelswereld strekte zich uit over Europa en het Caribisch gebied en tegen het einde van de eeuw vinden we hem opnieuw op een opmerkelijke plek. In 1697 behoorde Simon de Casseres tot de eerste twaalf Joodse effectenmakelaars die officieel toestemming kregen om in de Londense beurswereld te handelen. De man die had gevochten voor het recht om als Jood te bidden, kreeg ruim veertig jaar later ook officieel zijn plaats in het financiële hart van Londen.
Dat vind ik misschien wel het mooiste aan zijn levensloop. In 1656 moest Simon nog helpen bevechten dat een Jood in Londen überhaupt openlijk Jood mocht zijn. In 1697 behoorde hij tot de eerste officieel toegelaten Joodse brokers. Tussen die twee jaartallen ligt bijna de hele geschiedenis van de terugkeer van de Sefardiem naar Engeland: eerst een gebedsruimte, vervolgens een begraafplaats, daarna handel, huizen, families en uiteindelijk een vaste plaats in de City.
Van Creechurch Lane naar Bevis Marks
De gemeenschap van Creechurch Lane groeide ondertussen verder. Uiteindelijk werd het gebouw te klein. In 1701 verhuisden de Portugese Joden naar de nieuwe synagoge aan Bevis Marks, die er nog altijd staat. Wat in de jaren vijftig nog een onzekere verzameling kooplieden en voormalige crypto-Joden was geweest, stond een halve eeuw later in baksteen. De tijdelijke schuilplaats was een instituut geworden.
Misschien is dat waarom die Simchat Tora van 14 oktober 1663 mij raakt. Niet omdat er die dag een wonder gebeurde. Niemand werd gered, geen koning veranderde van gedachten en er werd geen beroemde verklaring ondertekend. Er waren alleen wat Joden in een kleine Londense synagoge, een paar Torarollen, gezang, gelach en een verbaasde bezoeker die ’s avonds zijn dagboek opende.
Samuel Pepys dacht dat hij had gezien hoe vreemd Joden hun geloof vierden.
Hij had niet begrepen dat hij iets veel zeldzamers had gezien. Joden die eindelijk niet meer fluisterden.
Bronnen
Samuel Pepys, Diary, 14 oktober 1663; A.M. Hyamson, The Sephardim of England: A History of the Spanish and Portuguese Jewish Community 1492–1951; Encyclopaedia Judaica, lemma Caceres, Simon (Jacob) de; Jewish Historical Society of England en historische documentatie betreffende Creechurch Lane en de Londense Sefardische gemeenschap.
cover: dansende Joden op Simchat Tora in Londen, Beeld ©auteur (mbv AI)
Geef als eerste een reactie