11 januari 2012
Nu heb ik het echt wel verbruid. Op de klok in de gang zie ik dat ik al bijna twee uur alleen in dit lokaal zit. Rebbe Mattias heeft me hierheen gebracht.
‘Naftoli, je blijft hier maar zitten tot je deze vier bladzijden hebt geleerd. Aan het eind van de middag zal ik jou overhoren. Ik ga er vanuit dat je zo verstandig bent niet weg te lopen. Trouwens, dat zal je ook niets helpen. We hebben je vader al gebeld over jouw eeuwig te laat komen’.
Wat heb ik nou helemaal gedaan? Iedereen weet al dat ik niet iemand ben die lang stil kan blijven zitten. Vanaf negen uur tot half één samen met al die andere jongens in het grote beis hamedrasj met de Gemore voor mijn neus. Dat is aan mij nu eenmaal niet besteed. Dan na het eten in de middag opnieuw, dan tot zeven uur ’s avonds. En alsof dat nog niet genoeg is, na het avondeten nog een keer een paar uur.
Elke ochtend zo gauw ik uit m’n bed kom maalt het al in mijn hoofd. Hoe kom ik in vredesnaam die lange dag door?
Sjabbes in sjoel stap ik op rebbe Tannenbaum toe. Ik vertel hem hoe moeilijk ik het vind om iedere dag opnieuw de hele dag in de jesjiewe alleen maar te leren, van ’s morgens tot ’s avonds laat. Toen ik nog op school zat was rebbe Tannenbaum de enige die aanvoelde dat dit leven van alleen maar leren nu eenmaal niet voor mij lijkt weggelegd.
Maar nu wilde hij me niet helpen.
‘Naftoli, je zit inmiddels op de jesjiewe. Dus ben je oud en wijs genoeg om te weten dat het leren dé weg is die voor ons Jidden is voorbestemd. Alle sores en ellende in de wereld komen nu eenmaal alleen maar omdat wij als Jidden ons niet genoeg verdiepen in de Toiro. Op dit moment is het misschien nog moeilijk voor jou om de hele dag je hoofd bij het leren te houden. En ook te luisteren naar wat onze wijze Schriftgeleerden ons in het leven willen meegeven. Maar over een paar maanden, misschien over een half jaar, ben je vast zover dat je vanzelf inziet hoe mooi het is wat jij dagelijks in het beis hamedrasj aan het doen bent: de hele dag Toire leren’.
Ik haal mijn schouders op. Rebbe Tannenbaum legt zijn hand onder mijn kin. ‘Naftoli, als het echt heel moeilijk is, vraag je Hashem toch om je te helpen? Elke dag bij het dawwenen kun je Hashem vragen om je te ondersteunen. Als je dit in de ochtend bij sjacharis doet zie je vanzelf dat de tijd ineens omvliegt. Je merkt dat je eigenlijk tijd te kort gaat komen. En zo is het bij minche en ook bij het avondgebed’.
Dat zal wel, denk ik bij mezelf. Zijn goede raad gaat mij niet helpen. Ik wil in mijn leven heel andere dingen doen dan alleen maar leren. Dat is het gewoon. Ik kruip achterin sjoel op een van de banken op de laatste rij. Ik heb een Gemore voor me liggen om toch maar te proberen te leren. Maar het lukt niet. Nu helemaal niet. De woorden van rebbe Tannenbaum gonzen door mijn hoofd. “Naftoli, je bent nu oud en wijs genoeg om te weten dat het altijd maar leren voor ons Jidden is weggelegd”.
Ik doe moeite om niet in huilen uit te barsten. Niet omdat ik niet wil leren. Met een brok in mijn keel weet ik nu dat ik mijn rebbe Tannenbaum, waarvan ik toen ik nog op school zat dacht dat hij de enige was die mij begreep, ook al ben kwijtgeraakt.
Die uren alleen in het lokaal zijn alweer een week geleden. En vandaag gaat het opnieuw mis. Weer krijg ik op mijn kop omdat ik zo laat ben. Ook vandaag ontbrak het mij aan zin om mijn bed uit te komen. Weer zo’n hele lange dag met alleen dus die Gemore.
Rebbe Mattias is klaar met het geven van zijn dagelijkse standje. Ik sla hard met de deur van het Beis Hamidrasj. Tweehonderd hoofden kijken op van hun boeken. Ik ben woedend. Nog een keer een klap met de deur. Ik zal ze leren.
Ook rebbe Mattias moet eraan geloven. Het is genoeg. Elke keer wanneer ik niet precies in de pas loop met wat de rebbes van mij willen, net als tattie trouwens, moet ik het weer ontgelden. Het spijt me voor iedereen, maar ik vind mezelf onderhand oud en wijs genoeg – anders oud en wijs dan rebbe Tannenbaum bedoelde – om te weten wat goed en wat fout is.
wordt vervolgd
Geef als eerste een reactie