Frankfurter Schule liet haar Nederlands-joodse medewerker Andries Sternheim vallen

‘Ik zou het liefst de beul willen zijn.’ Met deze woorden spreekt Theodor Adorno over zijn collega Andries Sternheim toen de heren filosofen besloten de Nederlander te ontslaan.

De Amsterdamse diamantbewerker gaat in 1931 als documentalist werken bij het befaamde Institut für Sozialforschung ofwel de Frankfurter Schule in Genève.

Daar bleek hij echter niet te passen bij de uitgeweken filosofen: ‘Hij schrijft niet goed genoeg’, zo verwijt Adorno hem. En: ‘Hij denkt te beperkt en begrijpt het nationaalsocialisme niet’. Terwijl juist Sternheim waarschuwt voor het eeuwenoude antisemitisme dat opspeelt in die ‘nationale’ beweging van Hitler cs. In 1938 sturen de vermaarde filosofen hem terug naar Amsterdam. Zes jaar later sterft Sternheim in de gaskamers van Auschwitz.

Voor Sternheims biograaf Bertus Mulder, ooit studentenactivist in Groningen en kind van de jaren zestig, werd de ontdekking van Sternheim een focuspunt in zijn bewondering voor de Frankfurter Schule. In studiegroepjes discussieerde hij met medestudenten over Habermas, Adorno en Marcuse, vaak buiten het officiële onderwijsprogramma om. Daar stuitte hij op een Nederlandse naam tussen de beroemde namen van deze politiek-filosofische beweging.  

In 1991 promoveerde Mulder op Sternheim. Vorig jaar publiceerde hij diens oorlogsdagboek en nu verscheen zijn derde boek: Andries Sternheim (1890-1944), vergeten binnen de Frankfurter Schule

Met terugwerkende kracht moet het voor Mulder en zijn generatiegenoten een ontluistering zijn: de geïdealiseerde Frankfurter Schule blijkt doordrenkt van elitairisme, financiële incompetentie en – ironisch genoeg – antisemitisme.

Hogeschool van het leven

Anders dan de oprichters van de Frankfurter Schule kwam Sternheim niet uit een burgerlijk milieu en had hij geen academische opleiding gevolgd. Hij was – zoals ze dat in de vakbeweging zeiden – gevormd door de ‘hogeschool van het leven’. Na de scheiding van zijn ouders gaat hij in de diamantsector werken en wordt hij lid van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB) van Henri Polak, de eerste moderne vakbond. 

De ANDB richt zich niet alleen op verbetering van arbeidsvoorwaarden, maar legt de basis voor een sociaaldemocratische zuil door tal van mogelijkheden te bieden voor sociaal-culturele verheffing. Sternheim maakt daar volop gebruik van.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog vindt hij werk bij de gemeente Amsterdam. Hij is inmiddels lid van de SDAP en studeert in de avonduren Staathuishoudkunde en Statistiek. Hij verdiept zich in internationale verhoudingen, kennis die hij kwijt kan in het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (IVV) als hij daar gaat werken op het Amsterdamse secretariaat als hoofd van de bibliotheek- en documentatieafdeling.

Na de Eerste Wereldoorlog worden sociaaldemocratische partijen in veel landen opgenomen in de regering en wordt de positie van de vakbeweging versterkt. Het afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten – met daarin lang gekoesterde wensen als de achturendag – komt in beeld. Voor de internationale vakbeweging wordt de Internationale Arbeids Organisatie (IAO) in Genève een belangrijk aanspeelpunt.

Genève als ballingsoord

Begin jaren dertig maakt Sternheim de overstap naar Genève, niet bij de IAO, maar als medewerker van de Frankfurter Schule. De ‘praktische opleiding’ van Sternheim lijkt de marxistische socioloog Max Horkheimer, vertegenwoordiger van de Frankfurter Schule, de beste garantie voor een vruchtbare samenwerking tussen beide instellingen. Drie jaar lang, van mei 1931 tot april 1934, onderhouden Horkheimer en Sternheim een direct persoonlijk contact.

Na 30 januari 1933, als Hitler rijkskanselier wordt, krijgen andere medewerkers van de Frankfurter Schule slechts weerstand tegenover Genève. Zij beschouwen het als een ballingsoord. Die irritatie strekt zich geleidelijk ook uit tot Sternheim, die minder geschikt wordt geacht voor zijn taak. Hoewel hij een nuttige bijdrage levert bij het verzamelen van materiaal voor het project Autorität und Familie zou hij weinig toevoegen aan het theoretisch werk van het instituut, afgezien van zijn studie over vrije tijd in de moderne samenleving.

Adorno als beul

In de ogen van zijn collega’s was Sternheim ‘een waardevolle medewerker die goede administratieve diensten verleende’ op het kantoor in Genève. Ze mochten en respecteerden hem, maar hij maakte geen deel uit van hun intellectuele filosofie of neomarxistische oriëntatie. Het meest kritisch uit zich Theodor Adorno, de leidende intellectueel van de Frankfurter Schule. Die noemt Sternheim een ‘beperkte geest die niet kan schrijven’. 

Mulder: Er is maar één inhoudelijk element in deze uitbarsting te ontdekken, namelijk daar waar Adorno schrijft over Sternheims opvattingen over de totalitaire staat. “Sternheims pure kennis van de situatie in de totalitaire staten is ook uitermate ontoereikend. Hij overschat de ideologie enorm en vat die veel helderder op dan ze is.”

Dit oordeel tekent echter vooral Adorno’s aanvankelijke naïviteit inzake het nationaalsocialisme. Zijn wereldvreemdheid leidde ertoe dat hij het barbaarse van het Hitler regime niet onderkende.

Latere geschiedschrijvers van de Frankfurter Schule kunnen het ontslag van de Nederlandse vakbondsman niet loszien van het verschil van opvatting over antisemitisme. Anders dan zijn collega’s beschouwt Sternheim het antisemitisme niet als een uitvloeisel van het nationaalsocialisme, maar als een verschijnsel met een lange geschiedenis dat al sinds de middeleeuwen voorkomt.

Door de onderschatting van het nationaalsocialisme en antisemitisme konden de Frankfurters ertoe komen ‘einen langjährigen Freund und Kollegen wie Sternheim zu entlassen‘.

Vijfenzestig miljoen dollar was ruimschoots voldoende

Het beeld van het instituut als een solidaire onderzoeksgemeenschap in ballingschap blijft niet overeind. Rondom de charismatische Max Horkheimer ontstond een groep waarvan Sternheim geen deel uitmaakte. Inhoudelijk zag Sternheim de tekortkomingen van het ‘filosofisch materialisme’. Een belangrijke aanleiding voor zijn ontslag was dat Horkheimer en consorten niet in staat bleken het instituut financieel te runnen. De beschikbare fondsen waren, mits goed beheerd, ruim voldoende. Echter, Horkheimer en anderen, logen over die fondsen en verloren veel geld door verkeerde beleggingen en speculaties. Sternheim had daar geen betrokkenheid bij.

Bij de presentatie van de biografie berekende mede-inleider Ulrich Fries dat de beschikbare fondsen, omgerekend naar de huidige tijd, minstens 56,5 miljoen dollar waard zouden zijn. Zijn conclusie: ‘Dat de familie Sternheim niet kon worden gered, was niet te wijten aan geldgebrek.’

Balling in eigen land

Terug in Amsterdam kan Sternheim bij de gemeente Amsterdam terecht. Daarnaast verzorgt hij lezingen over De lijdensweg van de vrede voor de ANDB en onder auspiciën van de Joodse Raad een cursus Maatschappelijk werk. Dat hij daardoor buiten vervolging kan blijven van de bezetters blijkt misplaatst. Hij moest in 1943 met zijn gezin onderduiken. Dan begint hij ook zijn dagboek, Balling in eigen land. In maart 1944 vinden hij en zijn vrouw de dood in de gaskamers van Auschwitz.

Hofkliek

De hofkliek rondom Max Horkheimer blijkt niet vrij van elitairisme en antisemitisme, maar is bovenal incompetent waar het financieel beheer betreft. De persoon Andries Sternheim blijft echter sterk overeind als ‘de leerling van Henri Polak par excellence‘.

Bertus Mulder, Andries Sternheim (1890-1944), Vergeten binnen de Frankfurter Schule, Uitgeverij Noordhoek, oktober 2025, 408 p., € 29,90. Zie de website van Bertus Mulder voor verdere informatie.


cover: Kitschige Theorie, Max Horkheimer en Theodor W. Adorno, cartoon Weltasche

Over Jeroen Sprenger 27 Artikelen
Jeroen Sprenger was van 2016 tot zomer 2022 voorzitter van de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie (NKvJG). In die hoedanigheid was hij eindredacteur van 'Gezichten van Joods Verzet' (2020). Van 1999 tot 2015 was hij werkzaam voor de rijksoverheid, eerst als directeur Communicatie van het ministerie van Financiën (1999-2009). Als zodanig was hij verantwoordelijk voor de voorlichting over de invoering van de euro. Daarna was hij directeur Overheidscommunicatie Nieuwe Stijl voor bouwprojecten van de Rijksoverheid. Vóór zijn werk bij de Rijksoverheid was hij voorlichter bij de FNV. Jarenlang was hij binnen de NVJ voorzitter van de sectie Voorlichters. Sinds 2012 is hij webmaster van de website Het geheugen van de vakbeweging.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*