Afgelopen week zag ik de film Marty Supreme in het Amsterdamse Tuschinski. Later die week nog eens, in Leeuwarden.
Door-en-door Joodse film
Het is niet vaak dat ik een film nog eens wil zien, laat staan zo snel achter elkaar. Marty Supreme is dan ook grandioos: een jonge New Yorkse schoenenverkoper, Marty Mauser, jaagt in de rauwe jaren vijftig met nietsontziende ambitie zijn droom na om ‘s wereld beste tafeltennisser te worden.
Marty’s eerzucht blijft niet zonder slachtoffers. Hij gedraagt zich als een hork tegen zijn recent verweduwde moeder met wie hij een klein appartementje deelt. Hij manipuleert meedogenloos zijn vrienden en laat iedereen die hij niet meer nodig denkt te hebben vallen als een baksteen.
Zoals gebruikelijk voor het werk van regisseur Josh Safdie is de film een wervelwind met keihard tempo, nachtmerrieachtige scènes en meerdere twists. Dit alles wordt begeleid door de voor Safdie’s werk evenzo kenmerkende opzwepende doch onheilspellende muziek en de schitterende, duistere cinematografie.
Archetypische Joodse New Yorker
Marty Supreme is ook een door-en-door Joodse film. Of liever, een Joods-Amerikaanse, of misschien wel Joods-New Yorkse film. Net als in Uncut Gems, de vorige grote film van Safdie, volgen we het leven van opnieuw een archetypische naoorlogse Joodse New Yorker, en dus van een rauwdouwer en go-getter.
Het personage van Marty Mauser is losjes gebaseerd op Marty Reisman, de beruchte pingpong-hustler en kampioen die als vijftien-jarige vijfhonderd dollar op zichzelf probeerde in te zetten, zonder succes.
Marty’s Joods-zijn speelt zich in de film op de voorgrond af, vooral gearticuleerd in symbolen en sjibbolets: Marty’s ketting met davidster die vaak prominent in beeld wordt gebracht. Je hoort het in discussies over pastrami en het goyische rosbief. Hij heeft een hond met de naam Moses en maakt harde grappen over de sjoa: “Ik mag het zeggen, ik ben Joods en het ultieme product van Hitlers nederlaag”.
Zelfs hoor je het Joods-zijn in het stukje van een Egyptische piramide dat Marty zijn moeder cadeau geeft (Marty: “we built that”). Het wordt ook constant erkend en herkend. Vriend Wally, taxichauffeur, noemt hem liefkozend fucking Jew, later in de film, als hij onder schot wordt gehouden, wordt hij op beduidend minder lieflijke wijze uitgescholden voor ‘fucking kikeface‘. In de moeizame relatie die hij onderhoudt met zijn steenrijke sponsor Milton Rockwell, wiens zoon in de oorlog sneuvelde, zijn de spanningen tussen de niet-Joodse witte Amerikaan en Joodse Marty, die zich nog steeds lijkt te moeten bewijzen als echte Amerikaan, constant voelbaar.
Kan een Jood een Amerikaanse held zijn?
Dat laatste is waar de film mijns inziens om draait. Niet om tafeltennis, maar over de onmogelijkheid een American Superstar te zijn als Jood, of als een andere minderheid. Marty Supreme is een groteske weergave van de American Dream zoals begrepen door Joden in de jaren vijftig. Impliciet gaat het over de vraag of het mogelijk is een Amerikaanse held te zijn en tegelijkertijd Joods en dus anders te zijn dan de norm. Het is de grootste wens van Marty Mauser: gezien worden, erkend worden als held.
In een van de eerste scènes van de film rept hij hoe hij binnen de kortste keren als idool op cornflakes verpakkingen zal staan. Later zweert hij dat hij een Amerikaanse ster zal worden en laat hij met zijn vriend annex zakenpartner Dion revolutionaire oranje pingpongballen ontwikkelen, met daarop de woorden Marty Supreme: Made in America in koeienletters afgedrukt.
Sterke, mannelijke doener
Made In America is stiekem de officieuze ondertitel van Marty Supreme. Marty Mauser is een geboren en getogen Amerikaan, maar voelt toch de behoefte zijn Amerikaansheid constant te bevestigen. Dat doet hij dus via marketingtitels, maar ook door het zijn van een Amerikaan pur sang: een sterke, mannelijke doener, die niets zijn droom in de weg laat staan. Het ironische is dan natuurlijk dat Marty’s ambitie precies dat is: Amerikaans pur sang zijn. Het is dan ook niet verrassend dat de sportieve climax van de film, de gedroomde overwinning tegen Marty’s Japanse rivaal, onbehaaglijk aanvoelt. Het zijn van een pingpongkampioen was slechts de droom die hij zichzelf voorhield, een erkende held zijn was het daadwerkelijke doel.
Koto Endo: nederige handswerkman
Dan is er nog het karakter van die Japanse rivaal, Koto Endo. Endo is doof, spreekt niet of nauwelijks, speelt met een atypisch, mogelijk frauduleuze batje en wordt omschreven als ‘geest’ wanneer hij tafeltennist. Door Japanners wordt hij omschreven als een trotse, ofschoon nederige handswerkman. Dat is alles dat Marty, ondanks zijn achtergrond als schoenenverkoper, niet wil zijn. Regisseur Safdie zet Koto Endo bewust in als een oriëntalistische huls waartegen Marty’s hyper-Amerikaanse persona zich kan afzetten.
Marty is ontegenzeggelijk made in America, maar of hij ook Amerika is, of mag zijn, blijft de vraag. Hoewel de film Marty’s Joodse identiteit nooit expliciet als obstakel tot succes noemt, is het impliciet, in de marges of op de voorgrond, constant aanwezig. De film laat daarmee ook een meesterlijk commentaar los op de sociale positie van Amerikaanse Joden in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog. Marty Supreme is made in America – of misschien liever: made in New York.
Marty Supreme draait sinds haar Nederlandse première op 18 februari in bioscopen in heel het land zowel in filmhuizen als in de grote bioscopen zoals Pathé.
cover: screenshot uit bovenstaande video
Mooi geschreven, zal hem op mijn to watch list zetten!