Ya’akov zegent aan het einde van leven zijn twaalf zonen met een profetische toespraak vol verborgen toespelingen. Daarbij worden veel van zijn zonen vergeleken met dieren.
Midden in zijn redevoering, direct na de zegening van Dan, onderbreekt hij zijn vertoog met een uitroep in de eerste persoon: ‘Lisjoeatecha kiviti Hasjeem – Op uw verlossing wacht ik, Hasjeem!’ (Beresjiet 49:18). Wat is de betekenis van deze uitroep, en waarom volgt deze direct op de zegening van Dan?
In zijn zegening voorspelt Ya’akov dat Dan recht zal spreken over het volk, en een slang zal zijn op de weg, die het paard in de hielen bijt, zodat de berijder achterover valt (Beresjiet 49:16 – 17). Deze toespeling vraagt om nadere uitleg.
Verwijzing naar Sjimson
Volgens Rasji en vele andere commentatoren verwijst deze zegen naar Sjimsjon, een Joodse rechter uit de stam Dan, waarover wordt verteld in Sjoftiem h. 13 t/m 16. Hij streed tegen de Filistijnen en had daarbij van Hasjeem bovenmenselijke kracht gekregen, zodat hij in zijn eentje duizend Filistijnen doodsloeg met de kaak van een ezel.
Uiteindelijk werd de liefde voor een Filistijnse vrouw hem noodlottig: zij schoor zijn lange haar af (waardoor hij zijn kracht verloor) en leverde hem uit aan de Filistijnen, die hem de ogen uitstaken en hem gevangen hielden in Gaza. Toen zij hem tentoonstelden in de tempel van hun god Dagon bad Sjimsjon Hasjeem om nog één keer bovennatuurlijke kracht te mogen ontvangen, om zich aan de Filistijnen te wreken.
Hasjeem gaf hem deze kracht en Sjimsjon duwde de twee pilaren van de tempel omver, waardoor deze instortte; hierbij kwamen drieduizend Filistijnen om het leven, samen met Sjimsjon zelf.
Rasji legt uit dat het bijten in de hielen van het paard verwijst naar het omver duwen van de pilaren van de tempel: het achterover vallen van de berijder verwijst naar de dood van de in de tempel verzamelde Filistijnen, waarvan het merendeel zich op het dak verzameld had.
Het gebed van Ya’akov, dat direct op de zegen volgt, zou een vooruitwijzing zijn naar Sjimsjons gebed tot Hasjeem. Zo bezien is Ya’akovs uitroep dus geen eigen gebed, maar een deel van de voorspelling. Toch roept deze uitleg nog vragen op. Ten eerste: waarom vergelijkt Ya’akov Sjimsjon met een slang, terwijl een ander dier voor hetzelfde beeld gebruikt had kunnen worden? Ten tweede: waarom is Ya’akovs uitroep geformuleerd als een gebed in de eerste persoon, en geen onderdeel van de omschrijving van Dan in de derde persoon?
Solitair dier
De Midrasj (Berejsiet Rabbah) geeft verschillende redenen waarom Sjimsjon met een slang wordt vergeleken. Een slang is een solitair dier en valt alleen aan, zoals Sjimsjon ook de Filistijnen in zijn eentje versloeg zonder hierbij een leger achter zich te hebben. Ook kan het gif van een slang zijn slachtoffers nog doden nadat de slang gestorven is, zoals Sjimsjon de Filistijnen meenam in zijn dood.
Daarnaast werd de slang in Gan Eden (het Paradijs) vervloekt nadat hij had gesproken tot Chavah, niet tot Adam: zo kwam Sjimsjon ook ten val door een vrouw, niet door mannen. En zoals de slang in Gan Eden vervloekt werd met de uitspraak dat de nakomelingen van Chavah hem de kop zouden vermorzelen, zo kwam Sjimsjon ten val doordat het haar van zijn hoofd werd afgeschoren.
De Midrasj legt uit dat Ya’akov, in zijn profetische visioen, zo onder de indruk was van de kracht van Sjimsjon, dat hij hem aanzag voor de Masjiach; toen hij echter zag dat Sjimsjon zou sterven zonder het Joodse volk te verlossen, bad hij Hasjeem om verlossing – vandaar zijn uitroep.
‘Mijn ziel sterve met de Filistijnen!’
Deze vergelijking tussen Sjimsjon en de slang in Gan Eden roept echter vragen op: is Sjimsjon wel zo’n held als hij vergeleken wordt met de slang, die immers het kwaad vertegenwoordigt? De Zohar gaat hier dieper op in en legt uit dat Dan inderdaad een weerspiegeling vormt van de oorspronkelijke slang die tot het kwade leidt: hiernaar verwijzen ook de naam Dan (van din – oordeel) en de legering van de stam Dan aan de noordzijde van de Misjkan. De Zohar associeert het noorden met het kwaad. Geconfronteerd met dit kwaad zou Ya’akov Hasjeem om verlossing hebben gebeden.
Geen erfdeel in Olam Haba
De Zohar legt ook uit dat Sjimsjon geen erfdeel heeft in Olam Haba (de komende wereld) aangezien hij zich in zijn sterven gelijk maakte met de Filistijnen. Zijn laatste woorden waren: ‘Mijn ziel sterve met de Filistijnen!’ Hieruit kunnen we leren, dat men moet oppassen om niet te gaan lijken op het kwaad dat men bestrijdt.
‘Wie met monsters vecht, moet oppassen zelf geen monster te worden’, aldus de filosoof Friedrich Nietzsche.
Sjimsjon bestreed de Filistijnen, maar trouwde met een Filistijnse vrouw en ging uiteindelijk samen met hen ten onder.
Sjabbat Sjalom
Bijzondere les in deze tijd waarin iedereen met iedereen een huwelijk of relatie aangaat.