Als jonge criticus werkte Bernard Canter (Utrecht, 1871- Scheveningen, 1956) enige tijd op het advocatenkantoor van voormalig Tachtiger Willem Paap. Tot Paap hem ontsloeg, omdat hij voor een deurwaarder bestemd geld had gebruikt voor Spaanse les.
Daarop waagde Canter zich aan een literaire carrière, hetgeen bij sommige Tachtigers flink wat antisemitisch vuil losweekte. Willem Paap, evenals Frederik van Eeden en Ko van Looij lieten zich regelmatig antisemitisch uit, zelfs over hun mede-Tachtigers Arnold Aletrino, Isaac Israels en Joseph Jessurun de Mesquita.
Willem Kloos dichtte: ‘O smousje met uw onanisten-snuit/Dat laat suceeren u door kleine meisjes,/Die ge opgegrabbeld van den Dam, als buit,/Ontbiedt op vuil-mysterieuze wijsjes,// [… ] Gij woudt Artiest zijn, zwakling maar kan dat niet.’ (22 november 1893). *
In Paaps sleutelroman Vincent Haman heet Canter Castoor, met dezelfde begin- en eindletter, rijmend op kantoor en wellicht ook verwijzend naar het kasdelict.
*(red.) vertaling naar hedendaags Nederlands:
“O oplichtertje met je zelfbevlekkers-gezicht / Die zich laat pijpen door kleine meisjes / Die je van de Dam hebt opgepikt als buit / En ontbiedt op vies-mysterieuze melodietjes,// […] Jij wilde kunstenaar zijn, zwakkeling, maar dat lukt je niet.”
Afbeeldingen in de slideshow: David Bautz, Portret van Bernard Canter, ca. 1920, Literatuurmuseum
Bernard Canter, Gij zult niet dooden!, 1915
Bernard Canter als bedelaar verkleed, erven Bernard Canter
‘Semitisch intellect een stimulans’
Zelf schrijft Canter in Gij zult niet dooden (1915): ‘Andere volken verweren zich wanhopig tegen het semitische intellect. Voor den Nederlander is het semitische intellect slechts een stimulans. Hij laat het zich volkomen vrij naar alle zijden ontwikkelen en neemt er dan van wat hij goed en nuttig acht. En hij laat het aan dat semitische intellect zelf over, zichzelf te betoomen.’
Canter kwam in 1888 al in contact met Tachtig en drie jaar later namen ze zijn eerste gedichten op in De Nieuwe Gids. Uit zijn prozadebuut Bleek Mietje rees al sociale bewogenheid op. Zijn idealistische socialisme spreekt met name uit zijn journalistieke werk: met het kritische Een droomer ter haringvangst (1894), waarvoor hij een poosje meevoer met vissers, werd hij de eerste sociale journalist.
Haagse bedelaarsgemeenschap
Voor Twee weken bedelaar (1900) draaide hij mee in de Haagse bedelaarsgemeenschap. Hij was correspondent voor nota bene De Telegraaf in Parijs en Berlijn, waar hij enige tijd samenwoonde met Herman Heijermans, maar toen die Op hoop van zegen schreef, geïnspireerd door Een droomer, beschuldigde Canter hem van plagiaat.
Canter was met zijn familie in 1888 in Amsterdam komen wonen, Kalverstraat 120, waar zijn vader een kledingzaak opende. Zijn succesvolste roman, Kalverstraat (1904), was een sociale reportage over het joodse leven en de destructieve uitwerking van het grootwinkelbedrijf.
Winkelier David de Leeuw ziet ’s morgens ‘De Joot moet verliet. Hoerah!’ op zijn luik gekalkt: ‘Hij had bloed gespogen van toorn. […] Néén. Hij was nu niet meer de winkelier in gemaakte kleeren in een provinciestad, een onbelangrijk mensch. De Leeuw van Juda was hij. Néén, néén, de Jood zal niet failliet.’
In 1949 vond Bordewijk het onterecht dat Kalverstraat vergeten is, want het is ‘een voortreffelijke schildering van Amsterdamse confectiewinkeliers van hoog tot laag, een brok leven ook waarin iets “gebeurt”.’
Mombakkes de groote comediant
Daarnaast publiceerde Canter kritieken en satires op tijdgenoten, zoals Mombakkes de groote comediant (1894), een polemiek tegen Eduard Verkade. In 1915 verscheen De schrik van Mengelberg (‘opvroolijkend’) tegen de wagnerianen in de reeks Canters humoristische verhalen. Dat jaar kwam een onwelvoeglijke karakterisering van de Duitse keizer hem op gevangenisstraf te staan, die dan weer Op water en brood (1916) inspireerde.
Onvermoeibaar polemiseert hij als toneelrecensent tegen toneeldirecteur Willem Roijaards, omdat die geen modern Nederlands toneel wilde opvoeren.
Rhytmisch Pointillisme
In 1903 begon Canter ook te schilderen. Hij kreeg les van de abstract werkende anarchist Laurens van Kuik en werkte vanaf 1914 in een vloeiende kleurig-abstracte stijl die tot het Musicalisme gerekend kan worden. Deze stijl noemde hij zelf Rhytmisch Pointillisme, met associatieve titels als Geluidsweergave en De wondere weg. Ook ontwierp Canter kinderspeelgoed en huishoudelijke artikelen.
Dit artikel is een voorpublicatie van het komende boek Cultuuratlas van Amsterdam: De Pijp, waarin veel joodse geschiedenis wordt belicht. Het verschijnt eind januari 2026.
cover: Bernard Canter (1871-1956), La Rixe (De Vechtpartij). Een combinatie van olieverf en pastelkrijt op karton.
Interessant, ik had nooit eerder van hem gehoord. Ik ga iets van hem lezen. Ik zag dat er maar liefs 15 boeken van hem in de digitale bibliotheek van Crescas staan.