21 augustus 2011
‘Naftoli, nu nog even dit stapeltje seforim dat op je bed ligt. Dit past precies op de bovenste plank.’
Ik pak de boeken en geef ze aan tattie die staat te wiebelen op de ladder. ‘Zo, mocht je volgende week voor je barmitswe nog meer seforim cadeau krijgen, dan kunnen we nog een boekenplank aan de muur naast het raam hangen.’
Tattie wist het zweet van zijn voorhoofd, klimt naar beneden en laat zich op mijn bed zakken.
‘Kijk dit boek links, dat is de ‘No’am Elimelech’, het meesterwerk van de heilige Rebbe Elimelech van Lizhensk. Na de Jomtofdagen gaan we samen naar Polen om te dawwenen bij zijn graf. Hij is immers ook een van jouw voorvaders. Het is mooi om daar samen te zijn, zo snel na jouw barmitswe. Lijkt je dat wat?’
Ik staar naar de volle boekenkast en knik. ‘Ja Naftoli, al jouw huiswerk voor de komende jaren staat hier op deze planken. De Talmoed, de Misjne, de Codex. Je bent nu bijna dertien. Over een jaar af wat, misschien vijf of zes jaar, misschien nog een jaartje later, ga jij ook trouwen. En om te kunnen trouwen moet je wel een talmid chochom zijn.’
Tattie kan het dan warm hebben van het inruimen van mijn nieuwe boekenkast bij deze laatste zin van tattie begin ook ik te zweten. Ik weet al precies wat er zo weer gaat komen.
‘Daarom ga je direct nadat we terugkomen uit Polen van school af en is er een plekje voor jou geregeld in de jesjiewe. Eerst nog naar de klas voor de jongeren. Maar als je echt je best blijft doen, schuif je vanzelf door naar de afdeling van de ouderen. En dan? Weet je wat er dan komt?’ ‘Ja tattie’. Ik ken het verhaal toch al lang uit mijn hoofd.
‘Dan ga ik naar de jesjiewe in Erets Jisroeil bij de Rebbe verder leren. Mammie en jij zoeken een goede sjiddoech voor mij uit en zo gaat het helemaal goedkomen met Naftoli’. Ik doe mijn best om mijn stem niet te spottend te laten klinken. Ik geloof dat me dit aardig lukt deze keer. Tattie bedoelt het uiteindelijk voor mijn eigen bestwil.
Tattie trekt zijn kaftan aan, werpt nog een goedkeurende blik op de boekenkast en geeft mij een klopje op mijn schouder. ‘We gaan aan het werk, Naftoli, voor de Eiberste. Jij en ik.’
Ik wacht tot ik hoor dat hij beneden de deur van de achterkamer sluit. Tattie zit nu vast en zeker alweer over de Gemore gebogen. Ik kruip op mijn knieën halverwege onder mijn bed. Ik graai de twee boeken die ik van juffrouw Gloria van de bibliotheek mee naar huis mocht nemen van onder het bed vandaan. Ik heb nog steeds geen bibliotheekkaart, maar deze mocht ik toch meenemen.
‘Toli, deze boeken zijn al oud, we lenen ze niet meer uit. Neem ze maar mee. Je mag ze houden’. Het dikke boek heeft plaatjes van hoofdsteden in de wereld. Wat er aan verhaaltjes naast staat, is voor mij nog een beetje moeilijk om te lezen. Als ze in het Jiddisj waren geschreven, was het helemaal geen probleem geweest. Maar Engels lezen, met dat beetje taalles wat we krijgen van meneer Morris, is best nog lastig. De platen zijn wel heel mooi. Elke avond voordat ik het licht uitdoe, probeer ik een klein stukje te lezen om te weten waar het over gaat. Soms snap ik het. Vaak helemaal niet. Maar ik hoop dat wanneer ik veel oefen, ik het ooit zal kunnen begrijpen.
Het dunnere boek gaat over kleding. Welke verschillende kleren allerlei mensen in de wereld dragen. Een man met een streimel en een vrouw met een sjeitel staan er ook in. ‘Joods echtpaar’ staat er onder die foto.
Zo stilletjes mogelijk, zonder geluid te maken, trek ik voorzichtig een paar seforim van de plank naar voren. Mijn twee bibliotheekboeken duw ik daarachter en zet de seforim weer recht. Zo. De boeken zijn keurig verstopt. Nu is de kast echt helemaal van mij.
Soms vind ik mezelf stout. Wanneer ik in de bibliotheek zit. Of wanneer ik op sjabbes van achter de bomen luister naar de muziek in park. Stout, omdat ik weet dat tattie het heel erg vindt wat ik allemaal doe.
Ook nu ben ik dus ondeugend. Ik heb een geheim plekje gemaakt voor mijn niet-Joodse boeken, achter mijn barmitswe seforim. Dat schuldgevoel over stout-zijn duurt gelukkig nooit lang.
Nog even, dan is mijn barmitswefeest. Daarna moet ik dus van school af en naar de jesjiewe. Met elke dag m’n hoed op en mijn lange kaftan aan. Alleen maar leren, geen taal of rekenen en mooie verhalen meer van meneer Morris. Hier moet ik nu nog niet aan denken.
Dit plekje dat ik nu net heb geregeld voor de boeken die ik leuk vind, voelt voor mij in ieder geval een beetje als een overwinning. Ergens wil ik toch mijn eigen weg gaan.
Zo nu en dan probeer ik met mammie te praten. ‘Ik wil nog helemaal niet van school af. Er is nog zoveel te leren. Ik kan niet eens goed Engels lezen. En na mijn barmitswe elke dag rondlopen als een grote man met mijn hoed op en mijn peijes langs mijn oren? Mammie, ik ben nog een kind! Ik ben geen Rebbe!’
Mammie kijkt me dan altijd heel lief aan. Maar ook heel ernstig. ‘Naftoli, tattie meint es emmesdig, tattie bedoelt het allemaal heel goed. Hij wil het beste voor jou’.
Ze pakt mijn hand en zwijgt verder. Mammie bedoelt het ook emmesdig. Maar ik kom er niet veel verder mee.
Talmid chochom In de Talmoed en de andere klassiek Joodse werken onderlegde geleerde
Sjeitel Pruik die wordt gedragen door gehuwde vrouwen
Emmesdig Naar waarheid
Geef als eerste een reactie