Februari 2009
Met zijn hand op mijn schouder loopt tattie met mij mee naar school. ‘Dus je weet nu precies wat Rovo ons leert en waarom Abaye het er niet mee eens is?’ ‘Ja tattie en ik kan ook uitleggen wat Ji’oes sjeloi mida’as betekent.’
‘Toch maar goed Toli dat we er gisteravond even voor zijn gaan zitten. De Eiberste zal heel tevreden zijn met jou Gemore leren.’ ‘En hopelijk rebbe Weisz ook’ flap ik er uit.
Tatti loopt naar binnen. Ik blijf nog even buiten bij mijn vriendjes. De bel is nog niet gegaan. ‘Toli, denk je dat het je gaat lukken? Het meningsverschil tussen Rovo en Abaye is best ingewikkeld. Ik snap het allemaal nog niet zo goed’. ‘Shimi, mijn vader heeft het me gisteravond nog een keer heel goed uitgelegd. En daar ben ik best blij mee. Anders had ik het vandaag niet kunnen vertellen voor de klas.’ We horen de bel. Samen lopen Shimi en ik naar onze klas.
‘Trouwens, ik snap ook niet goed waarom rebbe Weisz mij juist heeft uitgekozen om het hele verhaal uit de Gemore nog eens na te vertellen’. Shimi staat stil. ‘Ik snap dat heel goed. De rebbe wil gewoon dat je bij de les blijft. Zo wordt je wel gedwongen om beter je best te doen en niet naar die domme vogels in de vensterbank te kijken.’ Ik haal mijn schouders op.
Rebbe Weisz is tevreden. ‘Toli, prachtig hoe je het hebt uitgelegd. Nu weet iedereen precies wat de wijze Rovo en de wijze Abaye in de Gemore bedoelen met Ji’oes, de hoop opgeven om nog terug te krijgen wat iemand ooit verloren is. Jongens, hebben jullie het allemaal begrepen wat Toli heeft verteld?’ De hele klas roept in koor ‘Ja rebbe Weisz!’
‘Goed zo. En Rav Horowitz, bent u tevreden over uw zoon?’ Nu zie ik pas dat tattie achter in de klas staat en naar mij heeft geluisterd. ‘Jazeker rebbe Weisz, dank aan de Eiberste’! Tattie loopt stilletjes naar buiten.
‘Jongens, sluit je Gemores. Morgen gaan we verder. Pak nu je Choemesj.’
Zo nu en dan kijk ik naar de vensterbank. Mijn vogel is een ekster. Mammie dacht dat het een specht was. Maar rebbe Tannenbaum heeft het aan meneer Morris gevraagd. En ’s middags liet meneer Morris mij een plaatje zien van de ekster. Zwart, wit en ook een beetje blauw.
Vandaag is mijn vliegende vriendje nog niet langs geweest. Maar wie weet, misschien zit ie straks toch weer op zijn plekje voor het raam.
Na school heb ik geen zin om meteen naar huis te gaan. Mammie is vast nog druk met de tweeling. En als iedereen op hetzelfde moment thuiskomt is het meteen zo’n kabaal in huis. En ik heb ook geen zin om thuis opnieuw te gaan vertellen over Rovo en Abaye. Dan krijg ik nog een keer al die complimenten.
Ik loop het park in, dwars over het grote gazon naar de vijver. De zon gaat nu al weer later onder. Het voorjaar begint er aan te komen. Het ruikt hier lekker naar vers gras. In de verte hoor ik het geluid van de grasmaaier. De eendjes zitten aan de overkant van het water. Dikke oranje vissen schieten vlak voor mijn voeten dwars door het ondiepe water. Ik geniet altijd van het geritsel van de wind door de rietstengels hier aan de waterkant. Ik weet niet waarom, maar het geeft me rust.
Er klinkt hier vandaag ook een ander geluid, muziek. Ik kijk om me heen maar zie helemaal niets. De muziektent midden in het park is leeg. En toch hoor ik mooie klanken. Ik loop langs de waterkant tot bij de bomen waarvan we altijd de Arowois snijden voor Soekes. Het geluid komt dichterbij en nu zie ik waar het vandaan komt.
Een man leunt met zijn rug tegen een van de bomen. Hij draagt een gekleurde trui. Lang haar hangt tot op zijn schouders. Hij heeft hoge laarzen aan met lange veters. Een man met echt gojse kleren. Op zijn schoot houdt hij zijn muziekinstrument vast. Met gesloten ogen gaan zijn vingers over de snaren. Het klinkt mooi. Het lijkt wel alsof hij op de maat van de wind speelt. De ene keer langzaam, de andere keer ineens veel sneller. Vlakbij waar ik sta, ligt een boomstam half over het pad. Ik pak m’n schooltas op en ga op de stam zitten.
Mijn schouders gaan heen en weer met de muziek. De man stopt met spelen. ‘Vind je het mooi?’ Ik knik. ‘Jij bent toch Joods?’ Weer knik ik. Wat heeft dat er nou mee te maken? Daarom mag ik toch wel van zijn muziek genieten?
‘Hoe heet je?’ ‘Toli. En jij?’ ‘Oliver. Zo noemen ze me.’ ‘Ben jij ook Joods?’ ‘Nee, nee dat ben ik niet, ik ben katholiek.’ ‘Katholiek? Wat is dat?’ ‘Nou, dat is net als Joods, maar dan anders.’ O, dat zal dan wel. Net als Joods? Oliver ziet eruit als niet-Joods. Ik begrijp niet precies wat hij bedoelt.
‘Zal ik een stukje Joodse muziek voor jou spelen?’ ‘Ja, dat is leuk.’ Oliver sluit zijn ogen weer. De wind speelt met zijn lange haar. Zijn vingers gaan opnieuw over de snaren. Is dit Joodse muziek? Dit heb ik nog nooit gehoord. Niet wanneer we op school zingen of wanneer er muziek is bij een chassene. Ook niet op Poeriem in sjoel.
Het klinkt heel mooi, maar ik ken het niet.
‘Toli, waarom heb je niet meegezongen? Ken je dit niet?’ ‘Nee, ik heb het nog nooit gehoord. Is dit Joodse muziek?’ Wat weet een niet-Jood nou van Joodse muziek. ‘Meen je het echt, dat je dit niet kent?’ ‘Ja, echt waar Oliver. Nooit gehoord.’ ‘Het is het Volkslied van Israël. Het land van de Joden.’ ‘Volkslied, wat is dat?’ Dat is een lied dat bij het land hoort. Elk land heeft een eigen lied.’ ‘Echt waar? Engeland ook?’ Oliver knikt. ‘Laat eens horen, het lied van Engeland.’ Oliver gaat wat meer rechtop zitten en begint opnieuw te spelen. Na de laatste tonen klap ik voor hem. Dat heb ik op sjabbesmiddag wel eens gezien hier in het park, dat mensen dat doen wanneer de trommels en de trompetten in de muziektent klaar zijn met spelen. Oliver springt op en maakt een diepe buiging. Samen moeten we lachen.
‘Kom je hier vaker?’ ‘Nee, niet zo vaak. Ik zwerf de hele stad door, de ene dag hier, de andere dag daar. En overal speel ik.’ ‘Hoe heet dat waarop je speelt?’ Dit is een gitaar.’ Ik probeer het woord te onthouden, een gitaar. ‘Dank je wel Oliver, je speelt mooi maar moet nu naar huis. Kom je gauw terug?’ ‘Misschien volgende week Toli of de week daarna. Of de week daarna.’
Ik hang mijn schooltas op mijn rug en loop naar de uitgang van het park. Een paar keer kijk ik achterom en zwaai naar Oliver. Hij speelt nog steeds. Nu herken ik het wijsje. Het Joodse liedje van Erets Jisroeil. Oliver noemt het Israël. Dat woord mag ik van tatti niet zeggen. Het is een woord van de zionisten. Dat liedje is vast ook van de zionisten. Maar het klinkt wel mooi.
‘Toli, wat vertel je me nou. Je bent in het park geweest? En je hebt naar een goj geluisterd die muziek maakt? Wat is er toch met jou aan de hand? Gojse muziek is slecht voor je nesjomme! En het verstopt je hersens! Als je daar naar luistert raak je al je Toire die je geleerd hebt kwijt!’ ‘Maar tatti, die meneer speelde speciaal voor mij een Joods liedje.’ Tatti kijkt me verbaasd aan. ‘Een niet-Jood die een Joods liedje voor jou speelt? Wat voor liedje was dat dan?’ ‘Ik weet het niet, ik ken het niet maar hij zei dat dit het Joodse lied is van Erets Jisroeil, net als Engeland een eigen liedje heeft.’
Nu kijkt tatti me helemaal met afschuw aan. ‘Hij heeft jou dat lied van de zionisten laten horen? Dat zit nu in jouw Jiddisje hoofd? Wat moet er van jou terecht komen Toli?’ ‘Tatti, U moet zich niet zoveel zorgen maken. Rebbe Weisz was juist vandaag heel erg tevreden over mij. U hebt het zelf gehoord. Ik heb de hele Gemore, de machloikes van Rovo en Abaye, aan de klas uit kunnen leggen. Niemand anders kon dat.’
Tatti legt zijn hand op mijn schouder. ‘In de achterkamer wordt op mij gewacht. Mijn sjioer gaat beginnen. Ik wil dat je meegaat en naast me komt zitten. Het is een moeilijk stukje Gemore dat wij nu behandelen. Waarschijnlijk begrijp je dat nog niet.’ Ik onderbreek tatti. ‘Maar als ik het niet begrijp, waarom moet ik daar dan bij zitten?’ ‘Ik wil dat je daar bij zit om te luisteren naar de stem van de heilige Toire. Als je die stem hoort verdwijnt de toeme, de onreinheid, van die gojse muziek die vanmiddag in jouw hoofd is gaan zitten. En dan ook nog die zionisten-muziek.’
Ik luister naar tatti. Rond de tafel tel ik acht mannen. Ik ken ze. Deze komen allemaal elke dag in onze sjoel. Ze staan allemaal op wanneer we binnenkomen, om pas weer te gaan zitten als tatti op zijn eigen plaats aan het hoofd van de tafel zit.
Hij wenkt mij om naast hem te komen zitten. Iedereen opent zijn Gemore, tatti begint met zijn sjioer. En dat doet hij natuurlijk op de bekende wijs die bij het leren hoort. De anderen neuriën zachtjes mee. Het is ongeveer dezelfde melodie als die van rebbe Weisz. Net zoals de anderen sjokkel ik. Tatti kijkt zo nu en dan even opzij in mijn richting. ‘Noe, gaat de gojskeit er alweer een beetje uit?’ Ik knik maar.
Toch was Olivers muziek heel mooi.
Rovo, Abaye
Twee Talmoedgeleerden
Ji’oes sjeloi mida’as
Talmoedische term. Onderwerp van discussie tussen de hierboven genoemde Rovo en Abaye
Arowois
Wilgentakken die gebruikt worden voor de eredienst tijdens Soekes, het Loofhuttenfeest (zie Leviticus 23:5)
Gojse
Niet-Joodse
Chassene
Huwelijksfeest
Poeriem
Lotenfeest
Nesjomme
Ziel
Machloikes
Discussie, meningsverschil
Toeme
Geestelijke onreinheid
Sjokkelen
Het heen en weer bewegen met het bovenlichaam tijdens het gebed.
cover: Orthodox-joodse jongen in Londen, beeldkeuze auteur
We lezen: ‘ ….. met jou Gemore leren.’ Ook de Eiberste en rebbe Weisz zullen vinden dat hier moet staan: ‘ ….. met jouw Gemore leren.’ Anderzijds Toli, ongetwijfeld zal ‘de Eiberste heel tevreden zijn om met jou Gemore te leren.’
Uiteraard heb ik – Wim Neevel – als gojse geen serieuze machloikes met rabbijn Lody van de Kamp.
Beste Wim, ik sta altijd open voor jouw corrigerende opmerkingen. Een hartelijke groet.