April 2009
De baby is dus een zusje. Meteen na de geboorte maakt dat voor mij niet zoveel uit. Of ik er nou een broertje of een zusje bij krijg, het is toch altijd hetzelfde.
De weken voordat de baby er is voelt het alsof ik mezelf als oudste van de kinderen zelf maar moet redden. Mammie ligt veel in bed. Bobbe komt wel eens koken of schoonmaken. En tattie heeft niet veel tijd om naar ons om te kijken. Zijn leren en zijn sjioerim gaan nu eenmaal vóór alles. Wel of geen baby, de achterkamer zit elke avond vol met de mannen om Toire van tattie te leren.
En nu de baby er eenmaal is, heeft mammie ook niet zoveel kracht en tijd voor ons. Natuurlijk begrijp ik ‘t allemaal best. Ik ben niet dom. Maar toch kan ik het gevoel van eenzaam en alleen zijn niet altijd van me afzetten. De buurvrouwen of mijn tantes komen voor mammie en voor de baby. Niet voor mij.
Met de geboorte van de tweeling vorig jaar vond ik het allemaal nog een beetje erger. Ik begreep dat het niet anders kon. Twee baby’s verzorgen is nog lastiger dan een zo’n klein kindje. Maar toch kwam vaak bij mij het gevoel naar boven dat ik vond dat mij tekort werd gedaan. Mammie is toch ook mijn mammie! Dat was ze al lang voordat mijn broertjes en zusjes kwamen.
Even later voelde ik me dan wel weer schuldig. Een nieuw kindje in huis is een nieuw Joods zieltje op de wereld. Dat wordt ook echt wel zo gevierd. En, hoe dan ook, wanneer de baby op komst was of al was geboren, elke ochtend lag er ook in die tijd een stapeltje schone kleren aan het voeteneinde van mijn bed en bij de anderen. Ook stond beneden de warme pap klaar zodat we met een volle maag naar school konden gaan.
Te vaak betrapte ik me er zelf op dat ik me niet eens afvroeg of mammie of tattie midden in de nacht waren opgestaan om onze kleren te wassen, te strijken en netjes neer te leggen. En dan ook nog het ontbijt klaar te maken.
Nu is het weer zover, opnieuw een meisje. Reizele is voorlopig de jongste na de tweeling van vorig jaar, Sjia en Sjulem. Met daar boven Chajele, Sorele en ik als oudste.
Sjia en Sjulem vind ik nog te klein. Chajele die daar dus boven zit, is mijn maatje. We schelen zes jaar. Na school vind ik het leuk om mammie te helpen met Chajele. Ik neem haar op schoot, zorg dat ze haar banaan opeet en vertel haar wat ik die dag op het Cheider heb geleerd. Soms, als ze huilt, pak ik haar op en loop ik met haar de gang in. De hele tijd heen en weer. Ik maak er vaak een wedstrijd van. Wie houdt het langer vol? Chajele met haar huilen of ik met het heen en weer lopen.
Toen ze nog echt een baby was rende ik zo gauw ik thuis kwam eerst naar de wieg of de box toe om haar dag te zeggen. Ze begon altijd meteen te lachen wanneer ze me zag. Mijn lieve zusje Chajele.
Mammie vindt het prima dat ik mij een beetje om dit zusje bekommer. ‘Toli, geniet maar van Chajele zolang ze nog klein is. Als ze groter wordt, net als haar zusjes, kunnen jullie nog lang genoeg ruzie met elkaar maken,’ grapt mammie. Ik weet natuurlijk best wat mammie bedoelt. Want ruzie met elkaar maken, dat duurt nooit lang, maar het gebeurt wel regelmatig. Dat is ook logisch. Met al die broertjes en zusjes bij elkaar kun je iedere keer kiezen met wie je nu weer overhoop wil gaan liggen.
Wanneer tattie thuis is probeer ik niet te lang bezig te zijn met Chajele. Tattie vindt dat maar niks. ‘Toli, laat die kleine toch een keer met rust. Hoever ben je met misjne leren? Heb je hoofdstuk drie al af? Je zusjes kunnen best op Chajele passen. Dat hoef jij als oudste broer niet te doen’. En als ik haar door de kamer draag en liedjes met haar zing is het telkens ‘Reizele of Sorele, pak de baby even aan van Toli. Hij heeft betere dingen te doen. Toli, ga maar vast naar sjoel voor Minche. Ik kom er zo aan.’
Tattie leert met de mannen in de achterkamer. Mammie zit met Chajele op schoot, ik ga naast haar zitten. Mammie zegt er nooit wat van als ik met mijn kleine zusje speel.
‘Chajele, weet je wat Toli vandaag allemaal heeft gedaan?’ Ze giechelt. ‘Toli is eerst naar school geweest bij rebbe Weisz. Weet je wat ik daar heb gedaan?’ Chajele haalt haar schouders op. ‘Stout geweest’. Mammie strijkt mij over mijn haar. ‘Toli, vertel maar verder. Chajele vindt het vast leuk als je vertelt wat je vandaag hebt geleerd’.
Iedere keer weer, ook nu, vraag ik mezelf af waarom mammie wel samen met mij geniet van deze gezellige momenten, terwijl tattie dat gespeel met de baby zonde van de tijd vindt. ‘Toe maar Toli, vertel het haar’. ‘Chajele, Toli heeft bijna een hele bladzijde choemesj gedaan. En in de middag optelsommen gemaakt bij meneer Morris. En voordat we naar huis gingen hebben we allemaal samen gezongen’.
Mammie vraagt: ‘Gezongen? Wat hebben jullie gezongen? Met rebbe Weisz?’ Ik knik en kijk Chajele aan. ‘Zal ik het voor jou ook zingen?’ Heel zachtjes begin ik. ‘Ani, ma’amin, ani ma’amin, ik geloof, ik geloof in de komst van de Mosjiach’Mammies hoofd wiegt zachtjes op de wijs mee. Dan hoor ik tatties stem op de achtergrond. ‘Ani ma’amin, ani ma’amin…’. Ik heb helemaal niet gemerkt dat tattie binnenkwam. Hij pakt Chajele op van mammies schoot en loopt op de wijs van mijn liedje met haar door de kamer. Samen zingen we verder, Chajele lacht. ‘Genoeg nou Toli. De dag is al bijna voorbij. Nog één misjne leren om daar de dag mee af te sluiten. Spelen heb je vandaag genoeg gedaan. Zorg wel dat je morgenochtend weer op tijd op bent voor sjacharis. Een mooi voornemen voordat je naar bed. ‘Sjlaf gesund, steh oif gesund, slaap in goede gezondheid en wordt ook gezond weer wakker. En nu naar boven.’
In slaap komen gaat niet zo makkelijk. Het is best leuk om thuis de oudste te zijn. Maar met zo’n strenge tattie die maar één ding belangrijk vindt, is het niet altijd zo gezellig. Natuurlijk wil ik de beste in de klas zijn en me ook niet stout gedragen. Als oudste thuis moet ik het voorbeeld geven. En Toire leren is natuurlijk heel belangrijk. Maar altijd maar leren? Altijd maar choemesj en misjne!? En straks als ik groter ben nog veel meer Gemore? Er is toch nog wel meer in de wereld om te doen? Wat we in de middag bij meneer Morris aan niet-Joods les meekrijgen is vaak leuk. Ik kan nu al bijna ook niet-Joods lezen. En moeilijke sommen maken vind ik spannend. Dat is toch ook belangrijk?
Soms vertelt meneer Morris mooie verhalen over verre landen of over steden in ons eigen land. Meteen na het verhaal krijg ik dan zin om naar die stad of naar dat land te gaan. Maar dat zal tattie nooit goed vinden. “Bittoel Toire”.
Het is altijd zo leuk om mijn Chajele bezig te houden. Maar ja, ook dat is ‘Bitoel Toire’. Mammie lijkt dat niet zo te vinden. Als tattie er niet bij is laat ze ons tweeën rustig onze gang gaan. Maar zo gauw tattie binnenkomt is de pret voorbij: “Zonde van je tijd Toli”.
Soms vraag ik me weleens af waarom mammie nooit eens tegen tattie zegt: “Laat Toli en Chajele gewoon even hun gang gaan. Ze hebben het toch leuk samen?”
Blijkbaar hoort ‘t zo dat mammies niets tegen tatties zeggen over dingen waar tatties het niet mee eens zijn.
Met die uitkomst probeer ik dan toch maar in slaap te vallen.
Misjne: Korte citaten uit de Mondelinge Leer
Minche: Het middaggebed
cover: Orthodox-joodse jongen in Londen, Tali Kahn. talikahn21@gmail.com Beeldkeuze auteur.
Geef als eerste een reactie