Unieke Joodse ervaringen
Enkele weken geleden organiseerden we een sjabbatmaaltijd voor studenten. We vroegen iedereen om een unieke Joodse ervaring te delen, of een gebruik van thuis of van de gemeenschap waarin zij opgroeiden.
Vanzelfsprekend had iedereen iets bijzonders te vertellen. Bijvoorbeeld Noa. Zij vertelde hoe haar uitgebreide familie elk jaar voor pesach in Jerusjalaïm samenkomt om hun eigen matzes te bakken. Jeffrey vertelde over zijn woonplaats waar zowel een Sefardische als een Asjkenazische sjoel staan. Opmerkelijk genoeg had op een gegeven moment de sefardische sjoel een asjkenazische rabbijn en de asjkenazische sjoel een sefardische rabbijn. Sara deelde dat in haar sjoel de drukst bezochte dienst van het jaar niet met rosj hasjana of jom kipoer is, maar juist op de avond van hosjana rabba, de zesde dag van soekot. Op die nacht blijft iedereen de hele nacht wakker en wordt ‘sochtends vroeg bij de sjachariet-dienst met de aravot geslagen.
Elke familie, elke gemeenschap heeft zijn eigen minhagiem en gebruiken. Het is deze rijkdom aan tradities die de joodse gemeenschap bijzonder en krachtig maken.
Eén stuk goud
De parasja Beha’alotecha begint met de opdracht aan Aharon, de hogepriester, om de lichten van de menora te ontsteken. Daarna beschrijft de Tora dat de hele menora uit één massief stuk goud gedreven moet zijn en niet uit samengesmolten onderdelen.
De vorm van de menora kunnen we zien als een verwijzing naar het Joodse volk. De basis van de menora is het voetstuk met een schacht, daaruit komen zeven armen. Zo ook is het Joodse volk opgesplitst in meerdere richtingen en gemeenschappen, toch blijft heel het Joodse volk als één geheel – Am Jisraeel – met als basis het voetstuk, de Tora.
Behalve de veelzijdigheid tussen verschillende gemeenschappen, heeft iedereen ook zijn of haar aspecten binnen het joods leven waar die zich sterker mee verbonden voelt. De één is meer intellectueel georiënteerd en wil zich graag verdiepen in de Joodse leer, de ander voelt zich juist verbonden in gebed. Sommigen zetten zich actief in voor mensen in nood en anderen geven gul aan tsedaka. Het zijn allemaal armen van de menora die samen het geheel vormen.
Hef het licht
Dit is de opdracht uit de parasja: Beha’alotecha (בהעלותך) laat het licht heffen, en dan, vervolgd de pasoek: יאירו שבעת הנרות zullen alle zeven lichten (vanzelf gaan) schijnen. Het schijnen geldt zowel voor de lampen van de menora als ook voor het innerlijke licht van het Joodse volk.
Iedereen kan zijn eigen licht vinden. Iedereen kan zijn eigen licht ontsteken. Iedereen kan zijn eigen licht laten schijnen. Alle individuele lichten samen heffen ons allen op en verlichten de wereld.
Zoals rabbijn G. de Lange (1876–1943) het zo prachtig beschrijft:
“…het is ook dat der Menouroh, door menschenhanden ontstoken.
Het gaat met het licht des geestes als met het licht in letterlijken zin…
Het door u ontstoken licht verspreidt zich in de wereld
en wordt daar tot bron van zalig geluk voor honderden en duizenden”.
cover collage Bloom
Geef als eerste een reactie