‘Help me. Ik kan dit niet alleen.’

brief deel 2

Kindertekeningen bij Lieve dochters

Vorige week eindigde Ava’s brief met: “Uit de speakers klonk La yiddishe mama van Aznavour.” Deze week gaat de brief verder en zien we hoe Ava door het lint gaat in het bijzijn van haar kinderen. Ze moet denken aan de dag waarop haar Joodse grootmoeder net was overleden en ze haar vader probeerde te troosten. Maar hoe troost je iemand die niet huilt? Ze volgt haar vader naar zijn werkkamer.

Ik bleef staan en keek. Mijn kleine papa hing met zijn neus boven de wortelsalade die ik had meegenomen. Hij ademde diep in, met zijn ogen dicht, zoals hij dat vroeger ook deed boven de tafel van zijn ouderlijk huis. Alleen keek hij niet stralend op. De geur deed hem ineenkrimpen. Een haperende zucht kwam zijn mond uit. Wees. Mijn vader was wees. Zijn schuddende hoofd liet hij zakken in zijn handen.

Die bruine handen met die harde zwarte haartjes op de rug en die handpalmen. Handpalmen die ik als klein meisje vaak als hoofdkussentjes had gebruikt aan het eind van een lange maaltijd. Hoe hij daar zat, krom, met zijn grijze krullen tussen zijn vingers in een landschap van oorlogsboeken. Ik zag zijn gezicht niet maar wist dat hij huilde. Ik voelde me schuldig dat ik zag wat ik zag. Hij dacht dat hij alleen was. Ik stond te gluren. Zonder te kijken reikte hij naar zijn glas wijn. Hij nam een paar slokken achter elkaar, veel te veel om de smaak te kunnen proeven. Ik was jaloers op dat glas. Dat glas mocht mee naar zijn kamer, mocht wel zijn gezicht zien.

Hij draaide zijn hoofd naar de deur. Het licht van zijn computerscherm scheen in zijn gezicht en ik zag dat het inderdaad zo was. Zijn oogwit was rood en zijn wangen nat. Onze vragende blikken kruisten. De mijne vroeg: Kan ik iets doen? Zijn ogen smeekten: Doe iets. Hij wendde zijn gezicht af en schraapte zijn keel. Het bleef stil.

Anouk Dorfmann schrijft een autobiografische roman
De Vrijdagavond plaatst verhalen uit het leven van haar personage Ava Baumgarten

‘Ik kwam alleen even…,’ stamelde ik. ‘Kom je zo ook een toetje eten?’

‘Ja ja.’

‘Er is ijs.’ Ik zag dat het vochtig was onder zijn neus. Ik had mijn vader nooit zien huilen, laat staan met snot. Met zijn gezicht naar beneden gericht, sloot hij de deur. Ik schaamde me. Hoe kon ik denken dat ik hem kon troosten? Hoe haalde ik het in mijn hoofd dat ik zijn moeder kon vervangen?

Toen ik beneden kwam deed ik heel onaardig tegen mijn moeder. 

‘Ava, wat heb jij?’ 

Hoe kon ze gewoon ijs in bakjes scheppen? Jezus, mens, dacht ik, waarom ga je je man niet helpen? Hij heeft verdriet. Ik at mijn bakje ijs niet leeg maar schoof het woedend over de tafel. ‘Hier, vreet jij maar op!’

‘Nou, Ava.’ Hoe kon mijn moeder toch altijd zo kalm zijn? ‘Is het niet je lievelingsijs?’

‘Nee,’ gromde ik. Dat was het wel. Pecannoten en karamel.

‘Het is koosjer, hoor,’ probeerde ze nog. 

‘Nou, lekker boeiend.’

‘Ach, kom even lekker zitten, Aaf.’ 

Ik ging toch zitten.

Mijn vader kwam niet meer voor het toetje. Ik heb nog altijd spijt als ik denk aan toen. Alleen weet ik niet precies waarvan. Omdat hij hulp nodig had, maar het niet vroeg? Omdat ik hem met een glimlach de wortels had voorgeschoteld? Had ik het toetje naar boven moeten brengen? Had ik mijn hand op zijn schouder moeten leggen? Had ik misschien beter moeten zien dat mijn moeder wèl zag waarom ik de worteltjes had meegenomen? Had ik tegen haar sorry moeten zeggen? Had ik mijn hoofd op haar zachte schouder moeten leggen? Ik huilde die avond ook pas toen ik alleen in bed lag.

Jullie zijn ondertussen met lego onder tafel gaan zitten en jullie vader, Benny Katz, mijn grote liefde, is naar zijn kantoortje boven vertrokken. Mijn gezicht verberg ik in mijn handen. Ik voel een van jullie aaien over mijn pantoffel. Jullie warme lijfjes tegen mijn been. Van onder de tafel komt een bol handje tevoorschijn. ‘Rozijntje voor het pijntje, mama?’. En dan moet ik huilen. ‘Ik heb geen pijn, hoor,’ snik ik. ‘Welles,’ hoor ik van onder de tafel.

Ik hou zo pijnlijk veel van jullie. En natuurlijk wil ik niet weg. Zeker niet van waar mijn meisjes zijn. Toch, als ik eenmaal begin met tieren, dan kan ik vaak niet meer terug. 

Ik ben zwak en ween als een baby. Wie laat zich nou troosten door haar kinderen? Ik ben degene die sterk moet zijn. Ik heb niemand nodig, dat heb ik geleerd. En toch voelt het goed. Gek hè? Jullie vragen niet eens waarom ik huil.

Ik eet het rozijntje. ‘Dankjewel,’ zeg ik, ‘en sorry, schatjes. Ik ben niet boos op jullie.’ Ik meen het. 

‘Kan gebeuren, dropveter.’ Ik hoor mezelf in jullie terug en merk dat het nat is onder mijn neus. 

Dan sluip ik de trap op en ga even op schoot zitten bij jullie vader. Ik huil heel lelijk, met snot, en zeg dan dat het me spijt. Dat lukt me altijd nog gemakkelijker dan dat ik het gewoon voor ben door te zeggen dat ik…

Hoe kan ik verwachten dat jullie het mij wel zeggen als ik het zelf niet eens durf? Ik hoop zo dat ik het jullie kan leren zeggen: ‘help me. Ik kan dit niet alleen.’ Niet omdat je niet sterk genoeg bent. Juist niet. Help zeggen is juist moedig. Dat zei paard ook tegen het jongetje, toch? Dus ik ga oefenen dit jaar, dropveters.

Liefs, Mama

Over Anouk Dorfmann 11 Artikelen
Anouk (1989) is zangeres en theatermaakster. In 2006 won ze de publieks- en juryprijs van het Concours de la Chanson in De Kleine Komedie, Amsterdam. Ze studeerde in juni 2013 af aan de academie voor cabaret, Den Bosch.​ Anouk zong bij het kleinkunst-ensemble Andermans Veren en speelde samen met Johan Hoogeboom een ode aan het Franse lied in haar programma Parler aux Canons. ​Momenteel speelt Anouk, samen met multi-instrumentalist Martijn Bos, een nieuw Frans liedjesprogramma. Daarnaast speelt ze met het Charivari trio een Joodse muziektheatervoorstelling. Anouk schreef een twaalfdelige serie voor het NIW over haar gioer, het toetredingsproces tot het orthodoxe Jodendom.

2 Comments

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*