Maart 2010
Van kleins af aan loop ik elke dag langs het grijze gebouw op de hoek. Ik weet nog dat ik op weg naar de kleuterschool aan de hand van mammie soms stil bleef staan.
Ik wees op de lange rijen boekenplanken die ik door de grote ramen kon zien. ‘Mammie. Kijk, een beis hamedrasj met al die seforim’ ‘Nee, Toli. In ’t beis hamedrasj leren we Toire. Uit de Heilige Boeken. Hier hebben ze alleen maar niet-Joodse boeken. Kom, doorlopen’.
En nu sta ik op de stoep en kijk goed om me heen. Er lopen geen mensen die ik ken in de straat. Natuurlijk voel ik me een beetje schuldig. Maar vandaag luister ik niet naar dat stemmetje dat van binnen zegt dat ik in dit gebouw, de bibliotheek, niets te zoeken heb.
Het stemmetje dat de hele tijd ‘bitoel Toire’ roept. Er is geen kip te bekennen. Terwijl ik mijn peijes achter mijn oren wegrol duw ik de glazen deur open. Ik sta nu midden in een grote zaal. Langs de muren staan alleen maar boekenkasten. Ook in het midden zie ik lange rijen met boekenplanken. Nog meer boeken dan in ons beis hamedrasj.
Tegenover de deur waar ik ben binnengekomen zit een vrouw achter een tafel met ook allemaal stapeltjes boeken voor zich. Ze kijkt mij vragend aan. ‘Dag jongeman, kan ik jou helpen?’ Ik voel dat ik een kleur krijg. Wat moet ik die vrouw vertellen? Ik mompel wat. Zij kijkt me vriendelijk aan. ‘Zeg het maar. Kom jij boeken lenen? Laat me jouw bibliotheekkaart maar zien.’
‘Nee, mevrouw, ik heb geen kaart. Ik wil alleen maar kijken’. ‘En wat wil je kijken? Ben je op zoek naar iets speciaals? Over een bijzonder onderwerp?’
De mevrouw gebruikt moeilijke woorden. Wat is ‘speciaal’, wat is ‘onderwerp’. Moet ik haar vertellen dat wij thuis en op school alleen maar Jiddisj, bijna nooit Engels praten? ‘Ik zoek een boek’. ‘Ja, dat begrijp ik. Daarvoor kom je hier. Vertel eens, mag ik vragen hoe oud jij bent?’ ‘Ik ben twaalf jaar’.
‘Mooi. En mag ik ook vragen hoe je heet?’ ‘Ik heet Toli.’ De vrouw herhaalt het ‘Toli, Toli. Een mooie naam. Die naam hoort vast bij jouw godsdienst’. Ik knik maar. Geen idee wat ‘godsdienst’ betekent.
‘Toli, vertel eens. Waar moet het boek waar je naar op zoek bent over gaan?’ Terwijl de vrouw met mij praat kijk ik voortdurend naar buiten. Ik hoop maar dat niemand me door het raam hier ziet staan. In dit niet-joodse gebouw.
‘Het boek wat ik zoek moet gaan over zo’n muziekmaker?’ ‘Muziekmaker?’ Ze kijkt me vragend aan? Ik duw mijn linkerarm schuin omhoog. Met mijn rechterhand maak ik op en neer gaande bewegingen voor mijn buik. De vrouw lacht. ‘Je bedoelt natuurlijk een gitaar. Klopt dat?’ Ik knik heftig. ‘Ja, een gitaar.’ ‘Een boek waar gitaren in staan hebben we wel. Met muzieknoten er ook in? Om te spelen?’ ‘Dat weet ik niet. Maar ook een boek met vogels. Zo’n vogel die zwart is met een witte buik en ook een beetje blauw die soms bij ons voor het raam zit.’
De vrouw herhaalt langzaam. ‘Dus Toli, een boek over gitaren en een boek over vogels? Ik knik heftig. ‘Ja, dat bedoel ik’. ‘Ga maar even zitten, daar aan die tafel. Dan haal ik de boeken voor je.’ Ik zie dat ik de enige Jid hier ben. En ook nog de jongste. Aan de lange tafel waar ik moet gaan zitten, hebben ook andere mensen een plekje gevonden. Ze zitten allemaal te lezen. Rebbe Weisz moest me hier eens zien zitten. Thuis zal ik er ook maar niets over vertellen.
De mevrouw komt met twee boeken aanzetten. Ze buigt zich over mij heen. ‘Hier, Toli was het toch?’ Ze praat heel zachtjes. ‘We moeten hier niet hard praten, anders storen we de mensen die hier aan het lezen zijn. Dit is een boek met allemaal muziekinstrumenten. In hoofdstuk zes vind je de gitaren. Daar kun je precies lezen hoe een gitaar gemaakt wordt, hoe deze bespeeld wordt en hoe je zelf ook kunt leren spelen. En hier heb je het andere boek. De vogel die je zoekt staat er vast wel in. Ik mag de boeken niet aan je meegeven, je hebt immers geen kaart van de bibliotheek. Maar hier kun je ze op je gemak bekijken.’ ‘Dank u wel, mevrouw.’ ‘Toli als je nu volgende keer met jouw vader of je moeder komt, dan kunnen we jou inschrijven als lid van de bibliotheek. Voorlopig nog wel voor alleen de jeugdboeken.’
Die vrouw begrijpt er echt niks van. Als ik tattie of mammie vertel waar ik nu zit…. ‘Dank u wel, ik zal de boeken bekijken.’
Ik ga op zoek naar een plaatje van de gitaar. Dat heb ik gauw gevonden. Het vogelboek is veel moeilijker. Er staan zoveel vogels in dit dikke boek. En, ik voel me niet echt op mijn gemak. De man naast me kijkt de hele tijd in mijn richting. Hij zal wel denken ‘wat moet een chassidische bochoer hier?’ En thuis zullen ze zich langzamerhand ook wel afvragen waar ik zit. Ik kan moeilijk gaan vertellen dat ik de bibliotheek ben binnengestapt. Dat betekent dat ik iets anders moet verzinnen.
Maar dat betekent ook dat ik iets heel naars moet gaan doen. Ik moet tegen mammie jokken. Iets wat ik eigenlijk nog nooit heb gedaan.
Ik sla het vogelboek dicht en leg het boven op het gitarenboek. De vrouw zit weer achter haar tafel te schrijven. Voordat ik de straat op loop kijk ik om me heen. Gelukkig komt er ook nu niemand langs. In de verte spelen een paar kinderen maar daar hoef ik met niets van aan te trekken. Onderweg naar huis pieker ik over wat ik ga vertellen waarom ik zo laat ben.
Beis Hamedrasj: Leerhuis, synagoge
Seforim: Heilige boeken
Peijes: Lange pijpenkrullen, behorende bij de chassidische dracht.
Chassidische: Volgeling van het chassidisme
Bochoer: Jongen
Geef als eerste een reactie