Maak voor jezelf geen gehouwen beeld of afbeelding van wat er in de hemel boven is, of wat er op aarde beneden is, of wat er in het water is.
לֹא־תַעֲשֶׂה־לְךָ פֶסֶל וְכׇל־תְּמוּנָה אֲשֶׁר בַּשָּׁמַיִם מִמַּעַל וַאֲשֶׁר בָּאָרֶץ מִתַּחַת וַאֲשֶׁר בַּמַּיִם מִתַּחַת לָאָרֶץ׃
De tweede uitspraak van de tien uitspraken (ook bekend als de tien geboden) verbiedt ons om afgodsbeelden te maken van wat er ook in de wereld te vinden is. Of dit nu zaken zijn uit de hemel, de aarde of de zeeën.
De Midrasj Rabba (hoofdstuk 38) vertelt een bekende midrasj over Awraham. Terach, de vader van Awraham, had een winkel waarin hij afgodsbeelden verkocht. Op een dag moest Terach op pad en liet Awraham op de winkel passen.
Beeldje kopen
Er kwam een man binnen om een beeldje te kopen. Awraham vroeg hem hoe oud hij was. De man zei “ik ben vijftig à zestig jaar oud”. Awraham vroeg hem waarom zo’n oude man voor een beeldje wilde buigen dat pas één dag oud was. De man vertrok beschaamd.
Even later kwam er een vrouw binnen die een meeloffer aan de beeldjes wilde brengen. Awraham nam een knuppel en sloeg bijna alle beeldjes kapot. De knuppel deed hij in de hand van het grootste beeldje.
Later die dag kwam zijn vader terug. Geschokt zag hij de ravage en vroeg Awraham wat er in hemelsnaam was gebeurd. Awraham beschreef een wonderlijk tafereel: hij vertelde over de vrouw die het meeloffer kwam brengen. De beeldjes hadden volgens Awraham ruzie gekregen over wie als eerste van het offer mocht eten. Het grootste beeld had daarop de andere beeldjes kapotgeslagen. Terach snapte wel wat Awraham had gedaan en werd woedend: “Hoe kun je dat zeggen, die beeldjes kunnen dat toch niet echt doen?” Waarop Awraham erop wees hoe belachelijk het is om afgodsbeelden te aanbidden.
Strohalmargument
Deze midrasj is een mooi verhaal, maar ook een drogreden. Een strohalmargument. Dit zien we vaker in het jodendom als het over afgoden gaat. We doen alsof de afgodendienaren echt denken dat het beeldje zelf de god is. Terwijl het eigenlijk een symbool is, een manier om verbinding te maken met hun afgod.
Is dit idee totaal vreemd aan het Jodendom? Nee, gek genoeg niet. Zoals we vaker zien in de tora, geeft G’d ons soms opdrachten die ingaan tegen zijn eigen mitswot. Zo moeten we de briet mila op sjabbat uitvoeren en bij de ceremonie van de overspelige vrouw, wordt de naam van G’d uitgewist. Zo ook zien we dat G’d ons op twee plekken de opdracht geeft om een beeld te maken. Dit zijn de cherubijnen, die op de Ark stonden (Sjemot 25:18-22) en de koperen slang die om een stok werd gewonden (zoals een esculaap).
De tora vertelt ons dat G’d tot Mosje spreekt van tússen de cherubijnen, juist in de leegte waar de beelden niet zijn. Rambam wijst er in מורה הנבוכים erop dat het er twee zijn, om duidelijk te maken dat ze geen afgodsbeelden van G’d zijn. De Chizkuni, een dertiende-eeuwse rabbijn, wijst erop dat de cherubijnen naar elkaar keken en dus naar de plek waar G’d vandaan spreekt en niet naar eventuele aanschouwers. Bovendien stonden ze verborgen op een plek waar alleen de kohen gadol één keer per jaar mocht komen. De ‘gewone mens’ zag ze dus nooit.
Brandende slangen
De koperen slang maakte Mosje in opdracht van G’d nadat het volk voor de zoveelste keer had geklaagd bij Mosje over het gebrek aan eten en drinken in de woestijn. Ze werden vervolgens overvallen door ‘brandende’ slangen en alleen een blik op de koperen slang kon de gebeten persoon redden. (Bamidbar 21:4-9)
Deze twee voorbeelden laten zien wat het werkelijke doel is van een beeld: het is een manier om connectie te maken met G’d. De cherubijnen wijzen naar de plek waar G’d zich manifesteert. De persoon kijkt naar de slang en laat daarmee zien te vertrouwen op genezing door G’d.
Wat is dan het probleem?
Het strohalmargument van de rabbijnen laat zien wat er mis kan gaan: waar de oorspronkelijke maker misschien begreep dat het beeld slechts een symbool was, gaan latere generaties ermee ‘aan de haal’ en krijgt het beeld zelf goddelijke eigenschappen toegekend. Dit zien we bijvoorbeeld bij de koperen slang. Deze werd eeuwenlang bewaard totdat koning Chizkija de slang kapotsloeg. De slang had tegen die tijd een naam gekregen: ‘Nechoesjtan’. Rasji noemt het een scheldnaam, maar het is ook denkbaar dat het laat zien dat de slang een eigen leven was gaan leiden als afgod. Dat verklaart misschien extra waarom Chizkja deze slang wilde vernietigen.
Een aanwijzing voor deze gedachte zien we in het tweede deel van de tweede uitspraak:
לֹא־תִשְׁתַּחֲוֶה לָהֶם וְלֹא תׇעׇבְדֵם כִּי אָנֹכִי ה’ אֱ-להיךָ א-ל קַנָּא פֹּקֵד עֲוֺן אָבֹת עַל־בָּנִים עַל־שִׁלֵּשִׁים וְעַל־רִבֵּעִים לְשֹׂנְאָי׃
Buig er niet naar en dien het niet, want ik ben De Eeuwige je G’d, een vasthoudende [conform Ibn Ezra] G’d die zonden van de vaders opzoekt bij de kinderen tot in de derde en vierde generatie, bij zij die mij afwijzen.
Nakomelingen en straf
Deze zin is in eerste instantie problematisch: zegt G’d hier nu dat hij je nakomelingen zal straffen voor jouw fouten? In Dewariem leren we expliciet dat dit niet het geval is:
לֹא־יוּמְתוּ אָבוֹת עַל־בָּנִים וּבָנִים לֹא־יוּמְתוּ עַל־אָבוֹת אִישׁ בְּחֶטְאוֹ יוּמָתוּ׃
Ouders zullen niet sterven [eigenlijk: gedood worden] worden vanwege hun kinderen en kinderen zullen niet sterven vanwege hun ouders: ieder zal sterven voor zijn eigen zonde. (Dewariem 24:16)
Ibn Ezra legt uit dat het niet betekent dat nakomelingen voor de zonde van hun ouders worden gestraft, maar het gaat om kinderen die in de zondige voetsporen van hun ouders treden. G’d zal de zonde van de ouders onthouden en pas de vierde generatie straffen als de zonde generatie op generatie wordt volgehouden.
Voor ons verhaal is dit concreet te maken: deze tweede zin benadrukt het probleem met een beeld: de vader had het misschien nog goed bedoeld en begreep dat het beeldje alleen symbolisch was, zoals Terach begreep dat het beeldje niet echt een god was. De kinderen zouden op het idee kunnen komen om ernaar te gaan buigen of het te gaan dienen, net zoals Awraham zag dat de mensen om hem heen deden. Ook al had de vader het misschien nog niet zo bedoeld, hij zorgt ervoor dat de kinderen, kleinkinderen of achterkleinkinderen alsnog de fout ingaan.
De paragraaf eindigt echter met:
וְעֹשֶׂה חֶסֶד לַאֲלָפִים לְאֹהֲבַי וּלְשֹׁמְרֵי מִצְוֺתָי׃
En hij is liefdevol voor duizenden (generaties), voor hen die van hem houden en zich aan zijn mitswot houden.
Want uiteindelijk is G’d vasthoudend als het om zonden gaat, maar vergevingsgezind en liefdevol als we voor hem en zijn tora kiezen.
Goed ouderschap
We leren hier het belang van dat ouders het goede voorbeeld moeten geven aan hun kinderen. Niet alleen door de mitswot te doen en door het jodendom ‘voor te leven’, maar ook door goed na te denken welke gevolgen keuzes kunnen hebben die je maakt.
cover: beeldcollage Bloom, 2021
Geef als eerste een reactie