In de studiezaal van het Nationaal Archief zit ik aan een lange tafel met dossiers over verraad, arrestaties en deportaties.
Ik ben hier om onderzoek te doen naar het verraad van mijn oom, Simon Bacherach, en naar de omstandigheden waaronder hij is verdwenen. Simon was getrouwd met een niet-joodse vrouw en dus (vooralsnog) vrijgesteld van deportatie. Dit archief bevat mogelijk het laatste spoor van hem. Voor mij gaat het niet om geschiedenis, maar om het zoeken naar iemand die er had moeten zijn.
Sinds de opening van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) wil ik het raadplegen, maar een afspraak maken is niet eenvoudig. Afgelopen woensdag was het eindelijk zover. In de trein naar Den Haag probeer ik mijn verwachtingen te ordenen. Ik wil antwoord op één vraag: wie was de vrouw die mijn oom Simon in de val liet lopen?
Zij noemde zich Ansje Wortelboer. In opdracht van de beruchte crimineel en collaborateur Dries Riphagen sprak zij mijn oom aan en luisde hem erin. Was zij Joods en onder druk gezet? Of was zij de niet-Joodse Berendina Dammen en medeplichtig? En wat is er met haar gebeurd?
Potlood zonder gummetje
De studiezaal is groot en licht, maar voelt benauwd. Fluisteren is toegestaan, maar stilte is verplicht. Aan lange tafels zitten bezoekers dicht op elkaar, ieder gebogen over zijn eigen doos. Er liggen twee dozen met dossiers op me te wachten. Zij zijn zichtbaar maar nog onbereikbaar.
Eerst registreren. Alles in een kluisje. Mijn potlood mag geen gummetje hebben. De puntenslijper is verboden. Zelfs mijn schriftje wordt bladzijde voor bladzijde gecontroleerd. Alsof ik iets kom halen wat niet van mij is.
Pas daarna word ik begeleid naar mijn plek aan de lange tafel. Aan dezelfde tafel werken andere bezoekers in dezelfde archieven. Ik voel dat ik klem zit tussen mensen waar ik niet bij hoor. Ze zitten hier met een ander doel dan ik. Geen poging om te begrijpen wat er is gebeurd, maar om excuses te vinden voor wat fout was. Ze buigen naar elkaar toe, fluisteren, wijzen.
Geseponeerd
Ik open voorzichtig de eerste doos: Berendina Dammen. Er zitten maar een paar dunne velletjes papier in. Ik lees ze langzaam, alsof ik anders iets over het hoofd zie. Een handgeschreven briefje uit 1949, boos van toon: ‘die vrouw’ loopt nog steeds vrij rond. Het heeft niets geholpen. Voor op de map staat: Geseponeerd 13-9-1949. Iemand heeft erbij geschreven: “Riphagen zit in Spanje, Argentinië of elders. Is in ieder geval niet ter beschikking. Indien hij ter beschikking komt dan is de algemene indruk dat hij zoveel mogelijk anderen erbij gaat lappen, dus ook wel betrokkene.”
Ik laat de woorden even bezinken. Aan de overkant buigt een man zich naar zijn zoon. “Zo heel belastend is dit nu ook weer niet.” Ik schrijf alles over met mijn dunne potloodje. De surveillanten lopen langs. Hun schoenen maken nauwelijks geluid. Naast me zit een man met zijn vrouw. Zij legt haar arm om hem heen. “Oh,” zegt hij zacht, “dat heeft opa nooit verteld.” “Dat snap ik ook wel,” zegt zij. “Misschien had hij ook geen keus.”
Ik voel hoe mijn kaken zich vastzetten. Ik kijk weer naar mijn papier. Naar mijn handschrift. Naar het potlood dat steeds korter wordt.
Dossier Riphagen
Na een korte pauze — opnieuw controle bij het verlaten van de zaal — open ik doos twee. Het dossier van Riphagen. Mijn hart slaat over als ik een map zie met een geel briefje erop. De naam van mijn oom Simon Bacherach. Alsof iemand hem hier apart heeft gezet. Ik blijf even stil zitten voordat ik de map open. Mijn handen liggen plat op tafel.
Het eerste document is de aangifte van zijn vermissing, gedaan door zijn vrouw Hermine Meidl, gedateerd 16 december 1942. Ik lees het twee keer. Ze weet niet precies wat er is gebeurd. Alleen dat hij op vrijdag 11 december niet meer thuiskwam.
Daarna begin ik aan Simons eigen verklaring. Vijf dicht volgetypte pagina’s. Ik schrijf alles over. Letter voor letter. Ik verslijt zes potloodpunten. Het is alsof ik zijn stem hoor en zijn voetstappen volg door de buurt. “Op vrijdag 11-12-42 verscheen voor mij des middags om ca twee uur op het Thorbeckeplein een mij onbekende blonde dame, die mij vroeg of ik Simon was.”
Ik zie het voor me. Het plein. De middag. Hij beschrijft hoe zij hem “op zeer vriendschappelijke wijze” bij de arm pakt. Hoe vreemd hij dat vindt. “Dat ik op die wijze door een vreemde vrouw zoo werd beetgepakt.” Zij zegt: “God, Simon, ken je mij niet meer.”
Het gebeurde daar. In dat huis.
Ze biedt briljanten aan, maar weigert naar juwelier Jonkers en Groen te gaan. Ze wil ook niet dat hij iemand erbij haalt. Uiteindelijk gaat ze mee naar het huis van zijn moeder. En ineens begrijp ik het. Waarom mijn twee jongste tantes getuige waren. Het gebeurde daar. In dat huis.
Dan volgt een vreemde, haast onwerkelijke scène. De vrouw stelt voor naar hotel Higentlich te gaan, aan de Nieuwe Hoogstraat. Simon wijst haar erop dat het een Joods lokaal is en dat zij daar als christen niet mag komen. Op zijn verzoek toont zij haar persoonsbewijs: niet-Joods. “Dat is geen bezwaar,” zegt zij, waarna zij haar handtas opent en daaruit een jodenster haalt. Ter plaatse naaide zij die ster op haar Persianer bontjas.
Simon Bacherach met bloemen, portret op basis van bewaarde zwart/wit foto, beeldproductie Simone Haller
Onderhandeld
Ik voel hoe mijn gezicht warm wordt. Mijn hand stopt even met schrijven. Aan de overkant vang ik weer gefluister op. “Maar wij weten natuurlijk niet wie dat is die tegen hem getuigt.” “Er staat hier wel een naam bij.” “Ja maar wat zegt dat nou.” Ik dwing mezelf weer naar de tekst te kijken.
Er wordt onderhandeld. Jonkers koopt de juwelen en regelt het geld. En als alles rond is, vraagt Simon haar naam. “Ik heet Ansje Wortelboer en woon in de Staalstraat, bij de Verversstraat.”
De slotscène speelt zich af in de juwelierszaak. Dries Riphagen stapt binnen, draait de deur op slot en eist de diamanten. Maar Simon heeft niets. Een scheldpartij volgt.
“Zoo parg, nu heb ik je eindelijk te pakken.”
“Dries denk om mijn vrouw en kinderen.”
“Ik heb daar niets mee te maken, rot jood. Nu ga je naar Mauthausen.”
Ik leg mijn potlood neer.
Dit verhoor is afgenomen in Westerbork, op 8 januari 1943. Twee weken later is hij vergast in Auschwitz. Ik kijk naar zijn naam. Voor mij gaat het niet om geschiedenis. Ik had hem graag gekend.
Nooit gestraft
Om me heen hoor ik weer gefluister. “Dat moest hij doen om z’n baan te kunnen houden.” “Eigenlijk valt het nog wel mee.” Ik kijk zo boos op dat een suppoost schrikt en om stilte vraagt. Ik zeg niets. Ik doe de papieren terug in de map. Ik lever de doos in. En ik loop, zonder om te kijken, naar buiten.
Heb ik antwoord gekregen op mijn vraag? Nee. Er zijn alleen mogelijkheden bijgekomen. Misschien was het Berendina Dammen. Misschien de Joodse Ansje Wortelboer. Misschien iemand die zich voordeed als een ander. We zullen het nooit weten. Wat ik wél weet: Dries Riphagen en Berendina Dammen zijn nooit gestraft.
Onnodig zwaar
Het bezoek aan het Nationaal Archief was onnodig zwaar. Niet door de medewerkers, maar door het systeem. Deze dossiers zijn grotendeels gedigitaliseerd, maar wie ze wil inzien moet alsnog naar een studiezaal komen, onder strenge regels: registratie, kluisjes, gecontroleerde schriftjes, schrijven met potlood onder toezicht.
Het gaat hier soms om het laatste teken van leven van mensen die niet zijn teruggekomen. Toch moeten nabestaanden dat lezen in een openbare ruimte, tussen gefluister dat het allemaal wel meeviel. Ik vraag me af voor wie dit systeem eigenlijk is ingericht.
cover: schilderij Simone Haller met foto van haar oom Simon Bacherach
Simone, wat goed dat je de zoektocht gemaakt hebt en vooral dat je het beschreven hebt
Wat een nare ervaring in het archief. Ze zouden het digitale archief openbaar moeten maken.
Ja, gewoon digitaal toegankelijk.
Graag een cc naar het nationaal archief in Den Haag
Inderdaad, het zou veel beter zijn als je dit soort afschuwelijke feiten kon lezen in de privacy van je eigen huis, met iemand erbij die om je geeft, in plaats van omringd te zijn door nakomelingen van foute types.
Goed geschreven, Simone! Je weet het nare gevoel wel over te brengen. Ellendig dat het zo moet.
Goed om dit op deze manier aan de orde te stellen, Simone. Inderdaad een CC naar het Nationaal Archief. Ik zal kijken waar ik dit onder de aandacht kan brengen.
Dank je wel. Dat is een goed idee. Het is al doorgestuurd en het antwoord was begripvol maar ze kunnen er blijkbaar niet veel aan doen. Misschien kan jij de druk een beetje opvoeren en helpt dat.