Niet begrepen lessen van het monument van erkentelijkheid

Nadat het plaats had moeten maken voor het Namenmonument is na diepgaande beraadslaging binnen de gemeente Amsterdam besloten om het monument van Joodse erkentelijkheid met uitlegbord te herplaatsen. Ik was uitgenodigd voor de her-onthulling op het Weesperplein. Maar ik ben er niet heen gegaan. Ik zal allereerst een terugblik geven over de totstandkoming van het monument, gebruikmakend van tot nu nooit geraadpleegde of geciteerde bronnen, en vervolgens ingaan op mijn besluit om niet bij de her-onthulling aanwezig te zijn. Heeft de gemeente Amsterdam de lessen van die totstandkoming geleerd? De Sjoa en haar nasleep is geen geschiedenis. De betekenis ervan is iets van nu. Zeker in Amsterdam.

niets

Op 21 november 1945 komt de Gemeenteraad van Amsterdam voor het eerst na de oorlog bijeen. De Gemeenteraad was nog niet gekozen maar samengesteld. Zo kon het gebeuren dat een niet-partijafgevaardigde in de Gemeenteraad zat: dr. Maurits, Maup, de Hartogh. Feike de Boer was burgemeester van Amsterdam vanaf onmiddellijk na de bevrijding, een leidende man uit het verzet. De Boer opent de vergadering en houdt een ‘klein overzicht van wat zich hier heeft afgespeeld, voor zover de Raad er bij betrokken is, gedurende de tijd dat de Raad niet in functie is geweest’. De Gemeenteraad werd op last van de Duitse bezetter op 1 maart 1941 ontbonden. De Boer herdenkt Monne de Miranda, die ‘op ellendige wijze de dood vond – in Amersfoort door de nazi-beulen vermoord’. Verder zegt De Boer niets over wat er met de Joden is gebeurd behalve dat al voor het ontbinden van de Raad de acht Joodse leden eruit waren gezet, zoals ook het geval was voor acht Communistische Raadsleden. Over enig verzet daartegen van de andere Raadsleden zegt De Boer niets. Dan vraagt het sociaaldemocratische Raadslid Ben Sajet het woord, het oudste Raadslid in zittingsjaren. Hij is Joods maar markeert dit in zijn bijdrage niet. Wel gaat hij in op het lot van de Joodse bevolking. “Het aantal is nog wel niet precies bekend, maar vaststaat in elk geval dat zeer veel mannen, vrouwen en kinderen zijn vermoord, uitsluitend omdat zij Joden waren.”

diepe erkentelijkheid

Sajet, de nestor, heeft namens de Raad gesproken. Toch neemt het Raadslid De Hartogh het woord en zegt als Jood ‘openlijk zijn diepe erkentelijkheid te betuigen voor alles wat het Nederlandse volk en zeer zeker ook de kerken voor de Joden hebben gedaan. Zeker ons volk heeft niet kunnen verhinderen dat het overgrote deel der Nederlandse Joden buiten het land is gesleept waarvan helaas maar een klein deel is teruggekomen. Hadden echter de Nederlanders niet geholpen bij het onderduiken van vele Joden, hadden zij de maatregelen tegen de Joden niet gesaboteerd, wellicht had geen enkele deze ramp overleefd. Het is hem een behoefte van deze plaats te getuigen van de diepe dankbaarheid die de harten van de Joden in Nederland vervult dat zij in deze vijf bange jaren als Nederlanders beschouwd werden en men zich solidair met hen verklaarde.” Aldus het woordelijk verslag van de eerste Raadsvergadering. Vreemd dat De Hartogh dit nog moet toevoegen. Sajet had blijkbaar niet de behoefte gehad dit gevoelen te vertolken. Het betoog van De Hartogh kwam niet spontaan, maar was een vervolg op wat het NIW drie weken eerder publiceerde, nl. dat zich een comité had gevormd onder leiding van dezelfde De Hartogh, om ‘uiting te geven aan de grote erkentelijkheid bezielt voor het verlenen van hulp in enigerlei vorm aan hun Joodse landgenoten gedurende de bezetting, die vele Nederlanders deze uiting van menslievendheid met gevangenis, concentratiekamp en zelfs met het leven heeft doen boeten’.

juiste snaar

Er gaan 4,5 jaar voorbij, waarna begin februari 1950 een uitnodiging op de mat ploft bij onder meer de Joodse Gemeente (NIHS) Amsterdam en de Permanente Commissie (bestuur) van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap. Een uitnodiging om aanwezig te zijn bij de onthulling en overdracht van het monument van Joodse erkentelijkheid. Gaan de bestuurders van Joods Nederland op de uitnodiging in? Allereerst is er het NIW dat goed de nuance opmerkt voordat het monument wordt onthuld en later, kort na de onthulling, in scherts waarschijnlijk exact de juiste snaar weet te treffen. Op 17 februari 1950 schrijft het NIW in een hoofdredactioneel commentaar: “… dat slechts een zeer klein percentage van het Nederlandse volk ons behulpzaam is geweest en dat het niet aangaat het Nederlandse volk in zijn geheel, hiervoor dank te brengen.”

Poerimgrap in het NIW, 3 maart 1950

het venijn

Dat de actie van De Hartogh met argusogen werd beschouwd blijkt wel uit de Poerimgrap van het NIW nadat het monument is onthuld. “Naast het monument van erkentelijkheid voor de betoonde hulp, hebben enige Nederlandse Joden een comité opgericht om de Nederlandse bevolking te danken voor het bewaren van gelden en goederen gedurende de bezettingsjaren. Als blijvend aandenken heeft men besloten een bewaarschool aan te bieden. Onder grote belangstelling vond heden de overdracht plaats. De voorzitter van het comité, Dr. Hartog de Moutse, zei in zijn rede dat de Joodse bevolking wel veel heeft verloren, maar dat men nooit mag vergeten, hetgeen men heeft teruggekregen. De bewaarschool werd aanvaard door de heer Puls.” Het venijn van de Poerimgrap is hiermee nog niet compleet maar zit hem in de staart. Het bericht eindigt met: “In de bewaarschool zullen aan de Joodse Nederlanders teruggegeven voorwerpen blijvend worden tentoongesteld. Een bestemming voor de andere lokalen zal nader worden bepaald.” Met andere woorden: er is nog zoveel leegstand in deze fictieve bewaarschool dat er maar één lokaal nodig was voor alle teruggegeven spullen. De rest is in bezit gebleven van de bewariërs die het weigerden terug te geven. Dit, en het commentaar van het NIW verwoordt hoe toen werd gedacht over het monument: afkeurenswaardig.

elite

Een bewaarschool was wat tegenwoordig een kleuterschool heet en Puls was het verhuisbedrijf dat inboedels uit de lege Joodse huizen haalde in opdracht van de Duitse bezetter; een door Joden diepgehate onderneming. Dat aan de naam van De Hartogh ‘de Moutse’ werd toegevoegd en hij zo een dubbele naam kreeg in de grap, lijkt de indruk te wekken dat De Hartogh neer werd gezet als elitair. Het was vanuit de elite dat dit monument gewenst werd terwijl de overgrote meerderheid volstrekt kansloos was afgevoerd. En dan ook in het bijzonder de Nederlands-Joodse elite. De niet-Nederlandse Joden, minimaal een kwart van alle Joden in 1940, werd daar door De Hartogh niet toe gerekend. Bewust niet, zullen we zien.

eenzame uiting

Terug naar de kerkbestuurders van Joodse Gemeente en kerkgenootschap. Op 16 februari 1950 komt de Permanente Commissie in vergadering bijeen, dus kort voor de onthulling. De onthulling stond gepland om samen te vallen met de eerste naoorlogse herdenking van de Februaristaking. De Februaristaking is in de vijf jaar van bezetting en van voortschrijdende uitsluiting en deportatie van de Joden een eenzame uiting geweest van massaal verzet van de bevolking, vooral de arbeidersklasse.

landelijk thema

Dokter Ies Dasberg, voorzitter van het NIHS-bestuur, was als gast bij de PC-vergadering want, blijkt uit de notulen van de PC-vergadering, de Kerkeraad van de NIHS Amsterdam heeft over de kwestie van het monument uitvoerig beraadslaagd maar besloot een definitief oordeel aan de PC van het NIK te laten. Alleen al hierdoor wordt duidelijk dat het monument niet slechts een Amsterdams karakter draagt maar een landelijk thema is. De Hartogh blijkt al te zijn aangesproken over de tekst op het monument. Die tekst luidde: “De Joden van Nederland aan hun beschermers in de bezettingsjaren”. Daartegen bestaat weerstand ‘omdat vrijwel ieder het erover eens is, dat men niet kan spreken van de beschermers van de Joden van Nederland’. De Hartogh stemde erin toe een nieuwe tekst te laten aanbrengen, luidend: ‘aan de beschermers der Nederlandse Joden in de bezettingsjaren’. Die tekst was al beter maar ‘dekte’ niet de niet-Nederlandse Joden. Geprobeerd is nog ook die tekst aangepast te krijgen maar het comité van De Hartogh was daartoe niet bereid, blijkt uit de PC-notulen. Dit is de tekst die dus op het monument staat. Niet-Nederlandse Joden en hun beschermers, zoals de helpers van Anne Frank, dus welbewust uitsluitend.

Anthonie Golverdingen studeerde in 2014 af op De vroege herdenking van de Jodenvervolging in Amsterdam van 1945 tot en met 1965. Golverdingen schrijft: “Het monument heeft tegenwoordig ten onrechte een slecht imago. … Er is door onvolledige informatie bovendien een verkeerde beeldvorming ontstaan, waardoor het lijkt alsof het doel van dit monument was om het hele Nederlandse volk te bedanken voor de gegeven hulp.” Hij onderbouwt zijn stelling niet. Uit de notulen van de NIK-vergadering blijken heel andere overwegingen. Die notulen zijn door Golverdingen niet geraadpleegd, ze zijn voor zover ik weet door niemand die over het onderwerp heeft geschreven, geraadpleegd.

Emile Schrijver, directeur van het Joods Historisch Museum, zei bij de her-onthulling dat hij denkt dat de abstractie van het monument heeft bijgedragen aan het uitblijven van iedere vorm van acceptatie bij de Joodse gemeenschap. Uit de notulen van de Permanente Commissie komt naar voren dat het niet aan de beelden lag maar aan de tekst, en bovenal aan het hele monument.

uitnodiging

Wat vond de Permanente Commissie van de boodschap die van het monument uitgaat? Dit blijkt uit de tweede vraag die wordt behandeld. Zal worden ingegaan op de uitnodiging om aanwezig te zijn bij de onthulling en overdracht van het monument? De discussie over de tekst op het monument wordt in de notulen gekenschetst als ‘uitvoerig’. De discussie over de vraag of men in moet gaan op de uitnodiging daarentegen als ‘kort’. Daar hoefde men niet veel woorden aan vuil te maken. Besloten wordt geen gevolg gegeven aan de uitnodiging ‘opdat niet de schijn zal worden gewekt dat het hier betreft een officiële dank van het Nederlandse Jodendom aan het Nederlandse Volk voor de hulp die door enkelen is geboden’. PC-lid Max Gans zal het standpunt van het NIK aan de burgemeester overbrengen. Met de twee opperrabbijnen, Justus Tal en Salomon Rodrigues Pereira, en met de Portugees-Israëlietische Gemeente vindt afstemming plaats over het ingenomen standpunt van het NIK. Georganiseerd Joods Nederland is niet bij de onthulling aanwezig. Uit het feit dat een kind van de beeldhouwer en niet een Joodse hoogwaardigheidsbekleder het monument onthulde blijkt ook het ongemakkelijke gevoel rondom alles wat met het monument te maken had.

niet geraadpleegd

Net zo plotseling als destijds plofte bij het NIK er een uitnodiging op het bureau voor de her-onthulling. Een her-onthulling met een context-gevend bord erbij. Binnen de gemeente was diepgaand overleg gevoerd, maar opnieuw geen greintje overleg met ook maar iemand die de Joodse gemeenschap ook maar enigszins vertegenwoordigt. Er is dus niet naar onze opvatting gevraagd, laat staan dat er naar ons is geluisterd. Net zo min als gold voor mijn voorgangers, hoef ik er dan ook niet bij te zijn als de gemeente meent het monument ter her-onthullen op de wijze die het haar goeddunkt.

ergernis

Nu staat het monument er weer. Dit maal met een goedbedoeld context-bord voor de uitleg. Goedbedoeld maar het context-bord is op zichzelf al weer voer voor ergernis. De Engelse vertaling van de Nederlandse tekst is de eerste horde. Het monument van erkentelijkheid is a Monument of Jewish Recognition, waar het woord gratitude zal zijn bedoeld. Want recognition appelleert bij degene die zomaar langs het monument loopt, meer aan erkenning dan aan erkentelijkheid. Erkenning? Het maakt het alleen nog maar erger.
Dan stelt de context-tekst in een poging om uit te leggen wat er nu toch zo mis was met het monument, dat de Nederlandse Joden meer behoefte hadden aan de herdenking van de vele doden, dan aan de uitdrukking van dankbaarheid. Want, zo staat er, meer dan 75 procent van de Nederlandse Joden had de Holocaust immers niet had overleefd. En daarom waren er bij de onthulling geen joodse organisaties vertegenwoordigd. Het context-bord doet – ongetwijfeld onbedoeld – wat in 1950 nog is geprobeerd te voorkomen: de niet-Nederlandse Joden uitsluiten. Dat de Joden in Nederland zo gekant waren tegen het monument van erkentelijkheid omdat zij meer behoefte hadden aan herdenken, blijkt niet uit de NIK-notulen of uit het NIW-commentaar. Daar ging het om iets wat niet op het context-bord staat: er was sprake van hulp van enkelen, niet van het Nederlandse volk. Het gaat niet aan het Nederlandse volk in zijn geheel hiervoor dank te brengen, aldus het NIW destijds. Het context-bord legt de focus op het eigen herdenken en gaat voorbij aan de echte ergernis, nl. de houding van het Nederlandse volk. Wat dat betreft spreekt de Poerimgrap boekdelen. Veel Nederlanders traden op als bewariër, maar de lokalen van het naoorlogse bewaarschoolmuseum bleven leeg.

geschiedenis

De gemeente zit met het monument in haar maag en ik begrijp dat natuurlijk ook. Maar wat ik niet begrijp is het kader waarin de gemeente Amsterdam deze steen op de maag plaatst. Het monument van Joodse erkentelijkheid wordt vergeleken met de herinneringen in Amsterdam aan Jan Pieterszoon Coen, voorman van de Verenigde Oostindische Compagnie. Tegen diens gedragingen wordt nu kritisch aangekeken maar ooit zijn er een straat, een tunnel, een gebouw, een hele haven, naar hem genoemd. Dus hoe gaan we met die naamgevingen om. Hoe moet de gemeente Amsterdam zich verhouden tot dat onderdeel van de geschiedenis? De gemeente meent dat het ‘wegmoffelen van de onwelgevallige geschiedenis niet juist zou zijn’, als het over het Monument van Joodse erkentelijkheid gaat. Maar de Sjoa is niet de 17e-eeuwse koloniale tijd. Jan Pieterszoon Coen gaat over een ver verleden. Het monument van Joodse erkentelijkheid gaat over de Sjoa, iets wat nog zo kort geleden is gebeurd, dat het nog geen geschiedenis is. De monument van Joodse erkentelijkheid-discussie wordt nu in de rubriek geschiedenis geplaatst. Dat is het niet, nog niet, en maak het er ook niet van. De Sjoa-overlevenden zijn nog onder ons. En de uitwerking van de Sjoa is nog tast- en voelbaar in de Nederlandse samenleving. Het lijkt wel alsof men bij de gemeente Amsterdam niet begrijpt dat de Sjoa iets van nu is, en niet zoals de VOC een stuk geschiedenis is. Ook die les heeft de gemeente Amsterdam niet begrepen.

uitkomsten

Het zou passend zijn geweest als de gemeente Amsterdam nog even had gewacht met de her-onthulling. De gemeente heeft een onderzoek gelast naar het eigen handelen in de oorlogsjaren. Had dan op de uitkomsten daarvan gewacht. Dan zou de her-onthulling ook in dat perspectief plaats kunnen vinden. Maar de gemeente draait het om; eerst de her-onthulling en dan de uitkomsten van het historisch onderzoek. Ook dit is niet doordacht geweest. Three strikes = out.

schaamte

Alles overdenkend, kon ik geen goede argumenten vinden om hier nu toch wel naar toe te gaan. Ook de Joodse Gemeente Amsterdam, de Liberaal-Joodse Gemeente Amsterdam en de Portugees Israëlietische Gemeente besloten verstek te laten gaan. Het monument is destijds door burgemeester D’Ailly in ontvangst genomen en die zei er wel bij: in schaamte. Burgemeester Halsema zei dat de Joodse gemeenschap weinig had om dankbaar voor te zijn en de Amsterdamse bevolking veel had om zich voor te schamen. Goed gezegd, niettemin denk ik dat de gemeente toch nog eens goed de tijd moet nemen om zich te bezinnen op het eigen handelen nu.

Over Ruben Vis 19 Artikelen
Ruben Vis in het dagelijks leven alg. secretaris van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, meende in de zomer van 2020 dat het goed zou zijn wanneer het Nederlands taalgebied een platform zou krijgen waar serieuze, beschouwende en opiniërende artikelen op worden gepubliceerd met een Joodse inhoud. Hij trof medestanders en hieruit is De Vrijdagavond ontstaan. Ruben deelt op De Vrijdagavond zijn grote kennis van de Joodse wereld, zijn visie op het Joodse leven en de opbrengst van zijn onderzoekingen naar uiteenlopende, vaak historisch-Joodse, onderwerpen.

2 Comments

  1. Dank. Heel goed! Wat me raakt is dat er in deze tijd door de Gemeente Amsterdam zonder raadpleging wordt gehandeld. Lessen niet geleerd …

  2. Het monument is misleidend. In Nederland werden de Joden niet beschermd, maar grotendeels verraden door Nederlanders en afgevoerd door de Nederlandse politie en de Nederlandse Spoorwegen. Dat het monument niet op zijn plaats kon blijven is een uitgelezen gelegenheid het naar de schroothoop te voeren. Dat kan alsnog. Is het niet tijd voor een verzoek van het CJO aan de gemeente Amsterdam, eventueel ondersteund door een handtekeningenactie?

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*