Ruth Feigenbaum houdt van Israël. Haar hele leven reist ze op en neer. Nu verschijnen er voor het eerst scheuren in de relaties met haar vriendinnen en hun kinderen.
De zoon van een goede vriendin trouwt. Daarom ben ik in Israël. Het voelt deze keer anders en ik vraag me af of ik net als voorheen jaarlijks heen en weer zal blijven vliegen.
Vragen over de toekomst van Israël spoken door mijn hoofd. Gaat het een ultra-orthodoxe samenleving worden, waarin ik helemaal niet thuis zal zijn? Wat moet ik in een land dat normen en waarden die voor mij belangrijk zijn, aan z’n laars lijkt te lappen?
Ik zie mijn vrienden. Ze demonstreren zich suf. Ze zien wat er gebeurt en vinden het vreselijk. Hun kinderen verlaten het land. Mijn vrienden informeren naar de mogelijkheden. Ze zijn verbijsterd dat ze hier überhaupt mee bezig zijn. Tegelijk zijn sommigen boos dat de buitenwereld niet begrijpt dat ze vechten voor hun bestaan.
Welk bestaan, vraag ik me inmiddels af. Een bestaan waarin kolonisten niet worden berecht als ze olijfbomen van Palestijnen op de Westbank vernietigen? Een bestaan waar de ene burger meer waard lijkt te zijn dan de andere en meer rechten en minder plichten lijkt te hebben?
‘Misschien kunnen we naar het Anne Frank Memorial, dat ken jij geloof ik niet,’ hoor ik mijn ene vriendin door de telefoon zeggen. Even later zegt de andere vriendin dat ze voor alle bruiloftsgasten kaarten heeft geregeld voor een bezoek aan een nieuw museum. Het vertelt de geschiedenis van de Joodse soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Ik hoor bij de generatie die alles las wat ze kon vinden over de oorlog van onze ouders. Ik ben een specialist geworden in de behandeling van oorlogsgetroffenen en hun (klein)kinderen en trauma in het algemeen. Hoeveel musea hebben wij nog nodig, hoeveel musea heb ik nog nodig? Is dit echt waar mijn vrienden, behalve het trauma waar ze nu in leven, alsmaar mee bezig willen zijn. Is dit hun raison d’être?
De eerste twee dagen logeer ik bij Miriam. We zijn meer dan vijftig jaar bevriend en waren samen op reis op 7 oktober 2023. Tijdens die vakantie bleek al dat het niet zo gemakkelijk was om over de situatie te praten, hoewel Miriam ook niets van de huidige regering moet hebben. Ze werd boos toen ik opmerkte dat de wereldopinie zou draaien zodra Israël hard terug zou slaan. ‘We moeten wel. Dat is de taal die daar wordt verstaan. Jij woont daar niet. Je kunt het niet begrijpen.’
Voor het eerst van ons vriendinnenleven werd het ingewikkeld. Ik voelde me monddood gemaakt. Het voelde als bij onze ouders. Hadden wij recht van spreken of voelen? Wij hadden die vreselijke oorlog toch niet meegemaakt?
‘Volgend jaar is deze situatie voorbij. Dan hebben we een nieuwe regering,’ zegt Miriam.
‘Laten we het hopen,’ antwoord ik. ‘Maar het is niet ondenkbaar dat deze regering weer aan de macht komt. Als dat gebeurt zal de intelligentsia het land nog harder verlaten dan nu al gebeurt. Als alleen de ultra-orthodoxie blijft, gaat het hier net zoiets vreselijks worden als in Iran met Khomeini.’
‘Dat klopt niet. Er komen veel meer mensen terug dan er weg gaan. Na 7 oktober kwam iedereen terug om te vechten voor ons land. Dat gebeurt nergens anders. Je hebt bovendien geen idee van de kracht van de civil society.’
‘Die civil society is inderdaad fantastisch en die was hard nodig ook toen de regering het liet afweten. Ik zou willen dat je gelijk hebt over de aantallen mensen die vertrekken en terugkomen Miri, maar ik ben bang dat het niet klopt. Er zijn echt heel veel mensen vertrokken.’
‘Jij snapt het niet, je woont hier niet. Voor jou is Israël een veiligheidsgarantie, voor als jullie het niet meer uithouden door al het antisemitisme in de wereld. Verder heeft Israël geen betekenis voor jou. Je moet echt een heel bijzonder mens zijn om Israëli te zijn, Ruth.’
Ik val stil. Ik weet niet wat ik hoor. Hebben we het nu over ‘Übermenschen?’ We zijn op weg naar de moeder van de bruidegom en ik ben blij om afscheid te nemen.
Sindsdien denk ik er steeds aan. Ik spreek met de andere vriendin over een etentje met z’n drieën van ruim een jaar geleden. Toen wilde Miriam ook niet praten over de situatie en verweet ze ons dat we teveel nieuws keken. Is dit wat trauma met je kan doen, vraag ik me af. Moet je zo van je afbijten omdat het te angstig wordt om de werkelijkheid onder ogen te zien?
‘Hoe is het met het antisemitisme,’ vraagt bijna iedereen. Het lijkt alsof het hier in Israël groter wordt gemaakt dan het al is. Als de vreselijke beelden van de aanslag uit Melbourne op tv getoond worden, komen ook eerdere aanslagen op Joodse doelen voorbij. Dat we maar zullen begrijpen hoe vreselijk de boze buitenwereld met ons omgaat, denk ik bij het zien van die beelden.
Bij mijn andere vrienden en de moeder van de bruidegom, met wie ik meega naar de demonstratie tegen de regering Netanyahu, is geen enkel onderwerp taboe. Er is zorg over de situatie in Israël zowel als in Gaza. Een van mijn vrienden vertelt over een gezamenlijk vredesinitiatief en congres van Israëli’s en Palestijnen en Arabische Israëli’s. Hij is orthodox, maar van een kaliber waar het land vol mee zou mogen zijn.
De avond voordat ik naar huis ga, praten we weer over de situatie. Opeens zegt mijn vriendin iets belangrijks. Ze benoemt, naast alle shit die er nu is, hoe fijn het is om in een land te zijn waar geen antisemitisme is. Waar de meeste mensen zijn zoals wij, waar we geen uitzondering vormen. Ik was het bijna vergeten. Dat is inderdaad heerlijk, zolang ik geen last heb van plaatsvervangende schaamte.
cover: uit de installatie By the Rivers, Ariel Hacohen, 2025. Two-channel video installation; Tel Aviv Museum, Courtesy of the artist.
Geef als eerste een reactie