‘Jopie, kijk die vier kleintjes. Zouden dat zusjes zijn? Ze houden elkaar zo vast.’

Mokum aan de gracht
tekst: Lody van de Kamp
Print Friendly, PDF & Email

Mokum op de Gracht is een roman van Lody van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op De Vrijdagavond

Deel 21

30 juli 1939

‘Jopie, een resjaffen1 karretje, die nieuwe fiets van jou’. ‘Ja, nou en of. Ik heb hem bij Kromme Sallie op de kop getikt’. ‘Kromme Sallie? Wie bedoel je?’ ‘Ach, die ken je wel. Hij heeft zijn handeltje in de kelder van die lompenvrouw in de Lazarussteeg. Bij iedereen die de pijp uit gaat staat Sallie de dag na de sjiwwe met zijn kar op de stoep om te kijken of er al wat te koop is. Dit was de fiets van de loodgieter die vlak achter ons woont, bij Carré. Je weet toch nog wel toen ie de Joodsche Invalide in ging? Hij is nooit weer thuisgekomen. Ik heb Kromme Sallie vijftig cent aanbetaald. Voor de rest mag ik hem iedere week met drie stuivers bij hem langs.’

De Joodsche Invalide (Foto: Joods Amsterdam)

‘Hee, kijk daar! Wat doet die bus hier! Een bus op de gracht? Hij stopt bij het weeshuis!’ ‘Simon, spring achterop. We moeten zien wat die grote bak hier komt doen!’ Jopie zit al op zijn fiets. Hij klapt het deksel dicht van de mand voor zich op het stuur. ‘Wacht, ik  ben er nog niet’. Ik neem een aanloop en landt op de bagagedrager. Jopie jakkert als een gek tussen de mensen door. Keloles2 van allerlei soort vliegen ons om de oren. Op de stoep naast de bus staat een vrouw met een grote hoed. Met haar paraplu wijst ze naar een stel jochies die om haar heen staan.  ‘Jopie, allemaal Jiddisje jelodiem3. Met hun Poolse petjes. En ook die haarplukken bij hun oren. Die komen van over de grens en gaan natuurlijk naar het weeshuis’.

Schoolklas Joodsch Jongensweeshuis Amsterdam (Foto Herman Kisch)

De vrouw loopt het huis binnen met de jochies op een rijtje achter zich aan. De bus blijft staan. We staan op onze tenen om door de ramen naar binnen te kijken. Binnen in de bus zitten nog meer kinderen. Dat zijn bijna allemaal meisjes. Wat kijken die kinderen treurig. Waar zouden ze vandaan komen? ‘Jopie, ik weet wie die vrouw is. Ze heet Wijs en nog wat. Het is een deftige dame die woont in de stad. Ergens achter het paleis geloof ik. Ze zeggen dat ze stapel mesjogge is. Iedere week gaat ze met de trein naar Moffrika en haalt al die jelodim op. Hier zijn ze veiliger dan daarginds.’ ‘Hou je kop Simon, hoe kun je nu zeggen dat ze stapel mesjogge is? Dit is vast een heel verstandig wijf. Die weet tenminste wat er aan de hand is’. ‘Ík zeg ook niet dat ze mesjogge is, dat zeggen de mensen! Van mijn vader mag ik dat helemaal niet zeggen. En Luuc heeft geloof ik ook wat met haar te maken.’ ‘Wat doen we? Fietsen we door of blijven we hier rondhangen?’ ‘Ik wil wachten tot dat mens weer naar buiten komt. Die meisjes moeten ook nog worden weggebracht’. ‘Ben je plotseling geïnteresseerd in de meisjes? Zoek je sjans4 of zo?’ Ik steek mijn tong uit.

Een smeris komt de gracht op gefietst en stopt bij de bus. ‘Chauffeur, je moet doorrijden. Je mag hier niet staan. Door jou komt al het verkeer vast te zitten’. De chauffeur tikt tegen zijn pet. ‘Nee, agent, ik mag niet doorrijden. Mevrouw Wijsmuller heeft gezegd dat ik hier op haar moet wachten’. ‘Wie zeg je? Mevrouw Reismuller? Die ken ik niet. Jij rijdt nu door. Anders krijg je een bon.’ ‘Ik zeg mevrouw Wijsmuller. Zij heeft heel veel te zeggen in de stad’. ‘Het interesseert me geen ene moer wat die mevrouw van jou zegt. Zelfs als de burgermeester zelf langs komt, trek ik me daar niks van aan. Jij rijdt nu door of anders begin ik te schrijven’. Dreigend haalt hij een boekje uit zijn borstzak. Hij geeft een lik aan zijn potlood en begint te schrijven. ‘Dienstklopper, schrijf maar een eind weg. Ik blijf hier gewoon staan.’ De agent zet zijn voet op de treeplank. Ik geef Jopie een duw. ‘Dit wordt knokken’. ‘Chauffeur, jij blijft hier helemaal niet staan. Ik tel tot drie. Als je dan nog niet weg bent, laat ik je van de bus halen en dan vertel je je verhaal maar op het bureau. Dus…’.  ‘Hee chef, ga eens aan de kant. We moeten verder’. Oom agent draait zich om. Hij staart recht in het gezicht van mevrouw Wijsmuller. Die ziet in één oogopslag wat er aan de hand is. Binnen de kortst mogelijke tijd komt het hele woordenboek van scheldwoorden onder die grote hoed vandaan. ‘O, neem me niet kwalijk, ik weet toch niet dat u dit bent van die jodenkinderen van over de grens. Waarom zegt die chauffeur dat dan niet.’ De diender draait zich om en fietst als een haas de gracht af. ‘Simon, wij hebben weer een hele serie nieuwe woorden geleerd. Gossie, wat kan dat mens te keer gaan!’ De motor van de bus draait weer. Een dikke wolk roet komt uit de uitlaat, recht in ons gezicht. We hoeven niet hard te fietsen. De bus komt maar langzaam vooruit op de gracht. Op de Breestraat gaat het weer vlugger. Daarna draait ie de Rapenburgerstraat in. Daar blijft ie voor het meisjesweeshuis staan.

Joodsch Meisjesweeshuis Rapenburgerstraat (Foto JCK)

‘Ja, Simon, hier gaan jouw meisjes.’ ‘Hou op jij. Weet je wat er met die kinderen is gebeurd? Die worden door hun vader en moeder op het station in Duitsland aan deze vrouw meegegeven. Ze kennen haar niet eens. Maar die ouders hebben in de gaten dat de kinderen met haar de grens overkomen. Hier, of weet ik veel waar ze al die kinderen naar toe brengt, zijn ze in ieder geval veilig. Daar bij Hitler zijn ze hun leven niet zeker’. Jopie knikt somber. ‘Hier zijn ze veilig.’ ‘Zolang als het duurt’ mompelt hij er achteraan. ‘Dit is wel een moedig mens’. Vrouw Wijsmuller komt de bus uit met een hele rits meiden. Ze gaan het huis binnen. Maar er blijven ook nog kinderen achter in de bus. ‘Zullen we wachten op die grote hoed?’  ‘Kom, Simon, laten we bij De Liever langs gaan. Een lekkere bolus, daar heb ik wel zin in.’ Als we met zijn tweeën komen, geeft ie niks. Dat heeft geen zin. Ik ga wel alleen. Dan sjnor ik één bolus en dan delen we hem’. Jopie laat wat geld rinkelen in zijn zak. ‘Ik verdien best wat extra met de fiets. Vlees rondbrengen van het slachthuis. Ik trakteer je. Samen, ieder een hele heerlijke gemberbolus van De Liever’. Ik spring achterop. ‘Karren!’ Maar dan komt mevrouw Wijsmuller naar buiten en stapt de bus in. ‘Rijen chauffeur. Naar het Burgerweeshuis.’ Jopie wenkt me. ‘Kom, spring. Hoor je dat? Burgerweeshuis. Weet je waar dat is?’ Ik haal mijn schouders op en hou me stevig vast om niet van de fiets te vallen. Jopie schiet de Blauwbrug over. Langs de Amstel. Bij de Munt zien we de bus het Singel op draaien. We volgen hem tot op het Spui. Bij het Begijnhof staat ie stil. De grote hoed met die waffel komt naar buiten met de laatste kinderen.

Truus Wijsmuller

Niet alleen meisjes maar ook jochies. Wat een zielige bende eigenlijk. Zouden ze hun papa’s en mama’s niet missen? De madam praat in het Duits tegen ze. Twee aan twee lopen ze achter mevrouw Wijsmuller aan. ‘Jopie, kijk die vier kleintjes. Zouden dat zusjes zijn? Ze houden elkaar zo vast.’ De stoet gaat een grote poort door en dan zijn ze weg. ‘Daar wonen heel veel weeskinderen’. Ik kijk Jopie aan. ‘Joodse?’ Nee, helemaal niet. Ja, nu. Misschien zijn er nog wel wat meer Jiddisje jelodim binnen.  Maar dit is niet voor ons. Wij hebben onze eigen weeshuizen. Daar zitten mijn broertje en zusje. Kom Simon, we gaan naar onze bolussen’.

Ik zwaai naar Jopie en loop de gracht verder op. De “Jan van der Heijden” legt net aan. Luuc staat met de tros in de hand op de kade. ‘Is er brand geweest’? ‘Nee hoor, de boot komt net van de werf. De kiel is geverfd. Waar heb jij vandaag uitgehangen? Heb je nog iets nuttigs gedaan?’ Ik vertel Luuc van mevrouw Wijsmuller. ‘Ja, die vrouw doet goed werk. Heb je met haar gesproken?’ ‘Nee, ik ken haar helemaal niet. M’n vader heeft het wel eens over haar gehad.’ ‘Ik denk dat je binnenkort maar eens kennis met haar moet gaan maken. Je weet nooit waar het goed voor is’. Aan het gerammel van een ketting in ons portiek hoor ik dat papa thuis komt. ‘Tot ziens Luuc, tot gauw’. ‘De mazzel, grote vriend van me. Deze week hebben we weer wat klusjes’.

(Wordt vervolgd

  1. Fraai
  2. Verwensingen
  3. Kinderen
  4. Verkering

Over Lody van de Kamp 40 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*