‘Ik keer terug naar mijn allereerste begin, van Wagners heidense muziek naar de melodie.’

beeldmerk Poëzie van de twintigste eeuw
Print Friendly, PDF & Email

Joodse poëzie van de twintigste eeuw
Weinig bekende Europees-Joodse dichters uit de vorige eeuw
Ingeleid en geannoteerd door vertaler Kees Kok

Deze aflevering over gaat over een compleet gedicht en enkele fragmenten uit twee lange gedichten van Jacob Glatstein (1896-1971).

WELTERUSTEN WERELD

Welterusten wijde wereld
grote stinkende wereld.
Niet jij maar ik smijt de poort achter me dicht. In een lange regenjas,
met een felgele lap,
met trotse pas,
en omdat ik het wil,
ga ik terug naar het getto,
veeg weg, roei uit elk spoortje van bekering.
Ik wentel me in jouw afval –
jou komt toe alle lof –
gebocheld Joods leven.
Vervloekt, wereld, jouw smerige cultuur.
Ik rol me in jouw stof
hoe desolaat ook,
triest Joods leven.
(…)

Zo begint een woedend gedicht van Jacob Glatstein dat hij in augustus 1938 schreef na zijn terugkeer uit Polen, waar hij vier jaar verbleef om zijn doodzieke moeder te bezoeken en te begraven. In hetzelfde jaar verscheen van hem de roman Wen Jasj iz geforn (Toen Jacob is gevaren), over zijn reis vanuit New York over zee en dwars door nazi-Duitsland. In de vele ontmoetingen tijdens deze reis weerspiegelt zich het antisemitische Europa onder de dreiging van de komende oorlog. Van deze roman verscheen in 2001 een Nederlandse vertaling onder de titel De heenreis (Vassallucci, Jiddische Bibliotheek 8).

Over zijn verblijf in Polen schreef hij vervolgens Wen Jasj iz gekumen. Dat is te lezen als een weergaloos portret van het Oost-Europese Jodendom, vlak voor zijn vernietiging. Beide romans zijn nog niet zo lang geleden samen in het Engels verschenen onder de titel The Glatstein Chronicles (London 2010).

Jacob Glatstein emigreerde in 1914 op zeventienjarige leeftijd naar Amerika onder druk van het toenemende antisemitisme in Polen (Lublin). Het Jiddisch, zijn moedertaal, waarin hij al op vijfjarige leeftijd begon met het vertalen van de Thora, bleef deel uitmaken van zijn identiteit en werd na de Shoah voor Glatstein de verpersoonlijking van zijn verloren volk. Al gauw speelde hij als dichter, romanschrijver en essayist een belangrijke rol in de Amerikaans-Jiddische literatuur. Dat betekende dat zijn publiek aanvankelijk beperkt bleef. Geleidelijk kreeg hij bredere bekendheid, ontving verschillende literaire prijzen en werd in vele talen vertaald.

1.
MIJN BROEDER VLUCHTELING

Ik houd van mijn bedroefde God, mijn broeder vluchteling.
Ik zit graag met hem op een steen vertel hem alles woordeloos
zo zitten we daar, beiden perplex,
onze gedachten stromen in stilte samen.
Een ster licht op, een letter van vuur.
Zijn lichaam verlangt naar slaap.
De nacht ligt als een schaap aan onze voeten.

Mijn arme God,
hoeveel gebeden heb ik niet geprofaneerd,
hoeveel nachten hem geblasfemeerd
en mijn van angst verkilde beenderen
verwarmd aan de kachel van mijn intellect.
Hier zit hij dan, mijn vriend, arm om mij heen,
zijn laatste kruimel delend.

De God van mijn ongeloof is groots,
wat houd ik van mijn ongelukkige God,
nu hij menselijk is en onrechtvaardig. Hoe verheven is deze trotse pauper
nu zelfs elk simpel kind rebelleert
tegen zijn woord.
*
Zachtjes spreek je tegen mij
over jezelf, mijn broeder vluchteling,
maar ik denk na over ons allemaal,
om het maar zo te zeggen:
hoeveel vernietiging kan een volk aan
om nog te kunnen geloven in herstel?

Nu het in stof bijt
is mijn volk goddelijker dan ik.

Naties zullen zich nog buigen
voor hun lijden.

Maar God, mijn broeder,
waarom heb jij mijn volk op die manier verhoogd,
door hun ongeluk zo te sterrenbeelden
over heel het firmament?

Lijden, bloed, doorboorde handen,
de triestheid van bloedeloze aderen –
een kinderlijke fabel in dwaze bewoordingen.

Dat heb ik vermenigvuldigd met zes miljoen,
ik heb de fabel een moraal gegeven.
Mijn volk, mijn zoon, mijn droom zal bloeien

voor altijd gekruisigd aan een lichtende boom.

Mijn God slaapt terwijl ik de wacht houd,
mijn vermoeide broer droomt de droom van mijn volk.
Hij is klein als een kind
en ik wieg hem binnen in de droom.
Slaap, mijn God, mijn broeder vluchteling,
slaap, en ga op in onze droom.

De dichter zit op een steen, naast zijn bedroefde God, beiden perplex en sprakeloos om wat is gebeurd, de moord op de zes miljoen. God deelt zijn laatste broodkruimel met hem. Hij is uit zijn hemel afgedaald naar de aarde en is vreemdeling op aarde geworden, net als zijn volk, ‘mijn broeder vreemdeling’. De dichter houdt van die ontgoddelijkte, ongelukkige, ja onrechtvaardige mensengod. De oude God die hij eerder vaak had geprofaneerd en geblasfemeerd, rationeel afgezworen, terwijl hij zijn ‘van angst verkilde beenderen / verwarmd(e) aan de kachel van zijn intellect’, – die God is nergens meer.

De ontgoddelijkte god zit naast de dichter en praat zachtjes tegen hem, over zichzelf. Hij mompelt waarschijnlijk iets als: wie ben ik nog, waar was ik toen mijn volk stierf? Maar de dichter vindt dat gepraat over God na Auschwitz, dat getheologiseer, niet zo interessant, hij denkt liever nuchter na over de vraag ‘hoeveel vernietiging een volk aan kan / om nog te kunnen geloven in herstel’.

En dan ontspint zich een merkwaardige dialoog. God zegt dat zijn volk nu goddelijker is dan hijzelf, ‘Naties zullen zich nog buigen voor hun lijden’. Maar waarom, vraagt de dichter, ‘waarom heb jij mijn volk op die manier verhoogd, / door hun ongeluk zo te sterrenbeelden’ – door dat lijden als een sterrenbeeld tentoon te spreiden aan het firmament? Dan roept God het bekende beeld op van de Pietà, Jezus van het kruis afgenomen, liggend in de schoot van zijn moeder: ‘Lijden, bloed, doorboorde handen /… bloedeloze aderen’. Dat noemt hij een ‘kinderlijke fabel in dwaze bewoordingen’, kinderspel vergeleken met het lot van de zes miljoen. Want wat betekent de dood en het lijden van die ene ‘zoon van God’, tweeduizend jaar geleden, waar alle christelijke naties zich voor buigen, tegenover dat van die miljoenen andere dochters en zonen? Hij heeft, zegt hij, die fabel ‘vermenigvuldigd met zes miljoen’ en van een moraal voorzien. En wat kan die moraal anders inhouden dan ‘dit nooit meer’. Daar kan de wereld niet omheen, zou je denken, zou je hopen, zou je dromen. Dat is Gods wrange droom: ‘Mijn volk, mijn zoon, mijn droom zal bloeien / voor altijd gekruisigd aan een lichtende boom.’ Het gekruisigde Joodse volk als een vermanend licht voor de volkeren. Met die droom eindigt het gedicht. God valt in slaap, ‘Hij is klein als een kind’. De dichter wiegt hem zijn droom in. ‘Slaap, en ga op onze droom.’

In Glatsteins roman Jasj iz gekumen komt de oude profetische en wijze rabbi Steinman uitvoerig aan het woord. Hij zegt onder andere: ‘Elke Jood – van de hoogste tot de laagste, van de rijkste tot de armste – moet een hogepriester worden. De anderen vonden één Christus uit aan één kruis, maar wij die eeuwenlang gekruisigd zijn, wij kunnen en moeten de belichaming worden van de hoogste zuiverheid, zo dat wij hen overwinnen met louter morele kracht, zonder geweren, artillerie, of vliegmachines, met de wederopgestane stem van onze eeuwige profeten (The Glatstein Chronicles, blz.333).

2.
DE THORA RETOUR

Glatstein schreef ook een lang gedicht over de Shoah onder titel ‘De doden prijzen God niet’, een verwijzing naar Psalm 115, vers 17. Hier een fragment:

Wij ontvingen de Thora op Sinai
en gaven haar terug in Lublin.

De doden prijzen God niet,
de Thora is aan de levenden gegeven.
En zoals we daar stonden tezamen
bij de gave van de Thora,
zo stierven wij allen tezamen in Lublin.

Heel ons denkbeeldige volk
stond bij de berg Sinai
en ontving daar de Thora.
De doden, de levenden, de ongeborenen
iedere ziel onder ons gaf antwoord:
wij zullen doen en horen.

In dit epische gedicht laat Glatstein heel het Joodse volk van alle eeuwen – van grootvader Abraham tot en met beroemde Poolse rabbijnen – in Lublin, in de gaskamers van Majdanek, bijeenkomen om zich te voegen bij hun volksgenoten en daar gezamenlijk en eendrachtig te sterven. ‘…zelfs Mozes, die zo graag niet wilde sterven / toen zijn tijd gekomen was / stierf nu opnieuw.’ En daarbij geeft het volk ‘onder het zingen van gebeden en psalmen’ de Thora die zij op Sinai ontvangen hadden, plechtig terug aan de gever.

In het gedicht speelt een kind ‘met warrige haren, heldere ogen en trillende mond’, een centrale rol. Het staat tussen het volk bij de Sinai en in Lublin. En op het eind van het gedicht wordt het geïdentificeerd met de teruggegeven Thora. Op de top van de Sinal schreeuwt hij naar ‘een dode wereld. / Van begin tot begin tot begin’. Dat laatste zinnetje komt in het gedicht vier keer voor. Alsof de dichter een nieuw begin wil bezweren, tegen alle dood in. Zoals het in den beginne is begonnen met het scheppen van licht en leven uit de levenloze chaos, tohoe wa bohoe.

En jij, lieve jongen, jij was daar ook, (…)
toen heel jouw verbeelde volk
verdween in de gaskamers van Lublin.
En boven de gaskamers
en de heilige dode zielen
hulde een verlaten berg Sinai zichzelf in rook.
Kleine jongen met je warrige haren, heldere ogen, trillende mond, dat was jij, toen – de rustige, onooglijke, verloren
teruggegeven Thora.
Jij stond op de top van de berg Sinai en schreeuwde,
je schreeuwde je schreeuw naar een dode wereld.
Van begin tot begin tot begin.

En dit is wat je schreeuwde:
wij ontvingen de Thora op Sinai
en gaven haar terug in Lublin.
Niet de doden prijzen God.
De Thora is aan de levenden gegeven.

3.
TERUGGEGEVEN?

Het aan het begin geciteerde gedicht ‘Welterusten wereld’ uit 1938 eindigt zo:

Ik keer terug naar mijn allereerste begin,
van Wagners heidense muziek naar de melodie, naar het neuriën.
Ik kus jou, slonzig Joods leven,
ik schreeuw het uit van vreugde terug te zijn.

Na de Shoah laat Jacob Glatstein met zijn romans en zijn poëzie zien dat hij een van de (over)levenden is aan wie de Thora die hij als jongen in 1914 mee naar Amerika nam, in goede handen is.

De hier geciteerde (fragmenten van) gedichten zijn vertalingen van de Engelse versie, verschenen in The selected Poems of Jacob Glatstein. Translated from the Yiddish and with an Introduction by Ruth Whitman, New York 1972. Die vertaling werd door Glatstein hoog gewaardeerd. Het boek was in voorbereiding toen Jacob Glatstein plotseling overleed, op 19 november 1971, in de kracht van zijn leven.
De volledige versie van de geciteerde poëzie-fragmenten is te vinden in Paradijs gezocht, ‘Joodse’ poëzie voor en na de Shoah, vertaald en ingeleid door Kees Kok, 132 blz.

Eigen uitgave, hier te bestellen voor vijftien euro.

Over Kees Kok 13 Artikelen
Kees (C.G.) Kok (1948) is onafhankelijk theoloog en sinds 1980 verbonden aan Ekklesia Leerhuis Amsterdam; medewerker, vertaler (Duits) en uitgever van het werk van Huub Oosterhuis; voorzitter van de Stichting Huub Oosterhuis Fonds. Hij is gehuwd, heeft drie kinderen en vijf kleinkinderen.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*