Orthodoxe rabbijnen in de clinch met liberale achterban in Joods-Rotterdam van 1850 tot 1940

Eind jaren dertig telde de Joodse gemeenschap van Rotterdam ongeveer 13.000 Joden. Daarmee was de Rotterdamse kehilla na Amsterdam en Den Haag de derde gemeente qua grootte.

 Ondanks de grote economische groei in de tweede helft van de negentiende eeuw, behoorden in de twintigste eeuw nog vele Joden tot de laagste inkomensgroepen. In 1900 was dat percentage nog zestien procent.

Volgens een recente publicatie van Marleen van den Berg waren Joden aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog sociaal-economisch ‘in alle geledingen vertegenwoordigd, van venter tot grossier, van fabriekseigenaar tot kleermaker, van straatmuzikant tot internationaal bekend musicus.’ 

Rond De Boompjes

In tegenstelling tot Amsterdam en Den Haag bestond er in Rotterdam geen uitgesproken Jodenbuurt. Oorspronkelijk woonden de Joden rond de aan de Nieuwe Maas gelegen synagoge ‘De Boompjes’. Deze uit 1725 daterende sjoel, architectonisch uniek om zijn achtkantige klokkentoren, is bij het Duitse bombardement op 14 mei 1940 in vlammen opgegaan. Datzelfde lot trof de in 1891 gestichte sjoel aan de Gedempte Botersloot.

Na 1900 begonnen de Joden zich over de hele stad te verspreiden en werden er talloze nieuwe sjoel(tjs) gesticht.

Het progressieve karakter van de Rotterdamse kehilla versus de benoeming van conservatieve opperrabbijnen.

Van oudsher werd het bestuur van de kehilla van Rotterdam gekenmerkt door een liberale, veranderingsgezinde meerderheid.

Illustratief in dit verband was de uitspraak van de Rotterdamse journalist Herman Heijermans Sr. (1824-1910), lid van de kerkenraad van NIG Rotterdam en vader van de beroemde gelijknamige roman- en toneelschrijver Herman Heijermans (Op Hoop van Zegen):

“Mijn vader (Jeremias L., die 41 jaar lang, van 1814 tot 1855, secretaris van de Joodse Gemeente was geweest) was vrijzinnig op elk gebied, en zo ben ik van zelf geworden en mijn hele leven gebleven.”

Wegens deze liberale oriëntatie was het de intentie van het bestuur om opperrabbijnen te benoemen die open stonden voor nieuwe ontwikkelingen.

Maar het merkwaardige feit deed zich voor dat het bestuur in minstens twee gevallen de plank helemaal missloeg en kandidaten benoemde die verre van gematigde opvattingen aanhingen over de toepassing van de halacha (het Joodse recht). Het onvermijdelijke gevolg was een continue, gespannen relatie tussen de opperrabbijn enerzijds en het bestuur en de niet-orthodoxe leden anderzijds.

Zo werd in 1884 de gematigd geachte Ritter benoemd als opperrabbijn. Het bleek een kolossale blunder.

Ritter: op papier de ideale rabbijn

De kiesvergadering van het Synagogaal Opperrabbinaat van Rotterdam dacht met de in Pruisen geboren Bernhard Loebel Ritter (1855-1935) de ideale kandidaat gevonden te hebben voor de positie van geestelijk leider: hij was namelijk afgestudeerd aan het rabbijnenseminarie van Breslau (het tegenwoordige Wroclaw) dat werd beschouwd als gematigd orthodox.

Ritter was niet alleen een groot Joods geleerde, hij was ook thuis in de moderne wetenschappen en promoveerde aan de Universiteit van Halle. Kortom: op papier leek hij de ideale rabbijn voor de Maasstad, maar niets was minder waar. Ritter, geïnstalleerd in 1885, ontpopte zich vanaf het begin als een ultraconservatieve rabbijn, die weliswaar geliefd was bij de orthodoxe Rotterdammers, maar eindeloos clashte met het bestuur en de grote liberale achterban.

Het bestuur bleek geen lering getrokken te hebben van het verleden toen rabbijn dr. Joseph Isaacsohn in 1850 tot opperrabbijn werd benoemd. Het bestuur, geïmponeerd door zijn retorische kwaliteiten, dacht met Isaacsohn een progressieve rabbijn benoemd te hebben, maar, precies als in het geval Ritter, verzette deze zich juist tegen elke vorm van modernisatie. Na twintig jaar pakte hij zijn biezen.

Conflicten met dr. Ritter

Het eerste en grootste twistpunt tijdens Ritters ambtsperiode had betrekking op de regels van het rituele slachten, de sjechieta. Rav Ritter hanteerde namelijk andere, strengere regels dan in Nederland gebruikelijk was. Dit resulteerde in ernstige wrijvingen met de koosjere slagers, omdat Ritter er niet voor terugdeinsde om vele slagers een verbod op te leggen om nog langer koosjer vlees te verkopen. 

Ooit is de spanning, aldus dr. David Hausdorff, auteur van het boek Jizkor over de geschiedenis van Kehillat Rotterdam, zo hoog opgelopen dat, ’toen hij eens met zijn rijtuigje het abattoir bezocht, de slagers het paard grepen en trachtten hem in het water te rijden.’

Vrouwenkiesrecht en briet mila 

Er lijkt in de NIG Rotterdam sprake te zijn geweest van een patroon volgens welke de progressief getinte kerkenraad tot tweemaal toe een ultraconservatieve opperrabbijn benoemde en daarna keer op keer de rabbinale besluiten naast zich neerlegde. Als voorbeeld noem ik het voorstel van de kerkenraad om het vrouwenkiesrecht in te voeren. De kerkenraad wendde zich tot de opperrabbijn om advies in deze kwestie. Op basis van sterke halachische argumenten concludeerde Rav Ritter dat dit recht in strijd is met de Joodse traditie. Desondanks besloot de kerkenraad om het vrouwenkiesrecht in te voeren. Dit keer slikte de opperrabbijn de bittere pil.

Zo heeft Ritter zich ook verzet tegen het verzoek van de kerkenraad om nieuwe medische richtlijnen te hanteren bij het uitvoeren van de briet mila (de rituele besnijdenis bij jongetjes van acht dagen oud). De nieuwe instructies hadden tot doel de hygiene van de besnijdenis drastisch te verbeteren. Maar Ritter lag opnieuw dwars en negeerde het feit dat vele prominente rabbijnen deze nieuwe richtlijnen al hadden geadopteerd. Het leek erop dat Ritter zich tegen welke innovatie dan ook verzette.

Na 43 jaar barstte de bom

In 1928, toen de kerkenraad opnieuw een rabbinaal besluit naast zich neerlegde, was voor Ritter de maat vol. Dit keer ging het om een zaak die Ritter nauw aan het hart lag: de strijd tegen het gemengde huwelijk. De opperabbijnen hadden namelijk besloten om de rechten van gemengd-gehuwden in de synagoge te beperken. Rav Ritter drong er bij de kerkenraad op aan om dit besluit in te voeren. De kerkenraad vreesde dat dit niet zou leiden tot een afname van de gemengde huwelijken maar tot een derving aan inkomsten en wees daarom het rabbinale advies af. Hierdoor zag Ritter geen andere uitweg dan zijn ontslag aan te bieden. Hij wijdde zijn verdere leven aan Torastudie in Antwerpen.

Bronnen
Jaap Colthof: “Bernhard Loebel Ritter (1855-1935): de zeer geleerde maar omstreden opperrabbijn van Rotterdam”, Stadsarchief Rotterdam, Rotterdams Jaarboekje, 2023. Marleen van den Berg, Joods Rotterdam, Vervolging, ontrechting, terugkeer en rechtsherstel, Querido, Amsterdam-Antwerpen, 2025.


cover: Reconstructie van het interieur van de Rotterdamse Synagoge aan de Boompjes, 1725-1940. Met dank aan Bart Wallet (UvA), het Joods Historisch Museum, het Stadsarchief Rotterdam en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ©Timothy De Paepe

Over Jaap Colthof 24 Artikelen
Dr. Jaap Colthof, geboren in Den Haag, woont sinds 1979 in Jeruzalem. De laatste jaren doet hij historisch onderzoek naar de geschiedenis van het Nederlandse Jodendom in de 19de en begin 20ste eeuw. Hij publiceerde een boek met markante verhalen uit Joods Amsterdam rond 1800 en een biografie over de Amsterdamse opperrabbijn Jozef Zvi Dunner. Verder publiceerde hij artikelen in het Nederlands, Hebreeuws en Engels, onder andere over de Rotterdamse opperrabbijn Bernhard Loebel Ritter.

2 Comments

  1. Informatief artikel. Vergelijkbare zaken of conflicten als in Rotterdam speelden met het Amsterdamse rabbinaat na WOII. Niet goed voor het ledental van de NIHS.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*