Abraham Sutzkever, dichter met een ‘miljoenig hart’

Wat sidder je, mijn land? Word jij soms net als wij verscheurd?

Enkele maanden geleden maakte ik kennis met de Jiddisch-Litouwse dichter Abraham Sutzkever. Hij bracht als geen ander de overrompeling van het getto van Vilnius onder woorden.

Ik leerde zijn werk kennen dankzij Almut Seiffert, een vijfentachtigjarige vertaalster in Dortmund en werd overweldigd door de poëzie van zijn leven. Met hulp van Almut heb ik me gewaagd aan de vertaling van een veertigtal gedichten.

Twee ervan publiceer ik hier met de nodige schroom. Sutzkever (Vilnius, 1913 – Tel Aviv, 2010) genoot al in de jaren dertig van de vorige eeuw grote faam, in en ver buiten zijn woonplaats Vilnius (Wilna), Litouwen, waar een grote Joodse cultuur bloeide met een rijk verenigingsleven. Dat alles kwam in een klap (‘overnachts’) aan het wankelen door de komst van de nazi’s. Toen de Duitse troepen in juni 1941 zijn stad naderden, schreef hij dit gedicht: 

Gezichten in moerassen

… en grijs geworden zijn onze gedachten in overnachts

De morgenzon strooit gloeiend zout in onze wonden

en witte duiven zijn op slag tot nachtuil omgebracht,

weglachend onze droom, die rokend is verzwonden.

– Wat sidder je, mijn land? Word jij soms net als wij verscheurd?

of vangt jouw neus nu al de geur op van verbranden?

Verslind ons maar! Te veel aan zekerheid heeft ons verbeurd;

verslind heel ons geslacht, zijn vaandels en verbanden.

Dorstig ben jij, dus zullen wij als bronnen, nieuw geslagen,

met het goud van onze lichamen jouw graven vullen.

Een nachtmerrie – gezichten in moerassen – zal ons plagen,

gezichten in moerassen bij de avondval in onze hutten.

(25 Juni 1941)

Getto van Vilnius

Toen Abraham Sutzkever dit gedicht schreef, moest de gruwel van de verwoesting nog beginnen. Die verwoesting beschrijft hij nauwgezet en wanhopig in zijn boek over het getto van Vilnius (Duitse vertaling: Wilner Getto 1941-1944, Zürich 2009). Het gaat over het gestage uitmoorden van bijna alle zestigduizend in het getto opgesloten Joden, ‘het goud van onze lichamen’, waarmee de nazi’s de massagraven buiten de stad vullen. 

Abraham Sutzkever

Adembenemend en wonderbaarlijk

Sutzkevers verhaal is adembenemend en wonderbaarlijk. Zo verbergt hij zich wekenlang tot stikkens toe tussen het plafond en de dakspanten van zijn moeders zolder. Bij een razzia verstopt hij zich in een doodskist. Telkens weer is hij de jodenjagers net een slimme zet voor. Als hij te werk wordt gesteld om de Joodse bibliotheek van Vilnius te ontmantelen – want ook de Joodse cultuur moest worden uitgewist – weet hij talloze kostbare handschriften en documenten mee te smokkelen naar het getto. Hij begroef de documenten – onder andere het dagboek van Theodor Herzl en tekeningen van Marc Chagall – om ze na de oorlog weer op te graven.

Als er plannen zijn voor een opstand in het getto, smokkelt hij wapens in onderdelen naar binnen. Allemaal dingen die bij ontdekking de onmiddellijke dood ten gevolge zouden hebben. Als hij na vele ontsnappingen toch wordt opgepakt en in een groep naar de executieplaats wordt gevoerd, rent hij heel hard weg, verdwijnt tussen de kogels door uit het zicht en valt een willekeurig huis binnen. Daar wordt hij maandenlang liefdevol verstopt en verzorgd. Dan wil hij terug naar het getto, naar zijn moeder en zijn vrouw Freydke.

Als ook zijn moeder is afgevoerd en vermoord, hun pasgeboren zoon door de nazi’s letterlijk in de wieg is gesmoord en het getto steeds leger wordt, weet Sutzkever met zijn Freydke te ontkomen. Ze kruipen uren door onderaardse gangen en smalle riolen en sluiten zich aan bij de partizanen in de omliggende wouden. Ook daar worden ze opgejaagd en velen verdrinken in de verraderlijke moerassen. De nachtmerrie uit het gedicht, waarin de dichter ‘gezichten in moerassen’ ziet verzinken, wordt werkelijkheid.

Na het gedicht met die nachtmerrie zullen nog veel gedichten volgen waarin Sutzkever de dood van het getto huiveringwekkend documenteert. Drie jaar later schrijft hij, met een laatste blik op het nu brandende getto, een gedicht over zijn roeping als dichter. 

Daarin spelen de tranen van zijn moeder een belangrijke rol, net als in latere gedichten:

Gezang van een jiddische dichter in het jaar 1943

Ben ik in Europa de laatste poëet?

Zing ik voor lijken of kraaien, die zwarte?

Ik verdrink in vuur, in moeras, in vet zweet,

gevangen in uren, vergeelde, opgelapte.

Met dierlijke tanden verbijt ik de leegte,

gesterkt door mijn moeders tranen. In haar huilen

hoor ik het miljoenige hart van de beenderen,

die mij bestormen in galop uit hun kuilen. 

Ik ben dat miljoenige hart, de behoeder

van al hun nagelaten gezangen.

En God, van wie de mens heeft verbrand al het goede,

verstopt zich in mij – zon in bron opgevangen.

Ga open, mijn hart! en zie hoe herleven

heilige uren in toekomstvisioenen.

Verhaast en versterk hun machtige streven

en wees in jouw leed hun profeet, hun sermoenen.

En zing uit moerassen en zing uit de groeven

tot de laatste traan aan je moeder is ontgleden!

Laat horen jouw stem aan je knokige broeders,

aan het brandende getto, aan jouw volk over zeeën…

(Getto van Wilna 22 juni 1943)

Russische grens

Abraham Sutzkever heeft de ‘nagelaten gezangen’ van het ‘miljoenige hart van de beenderen’ die hem in zijn dromen nog lange tijd uit hun kuilen hebben bestormd, in talloze gedichten en andere getuigenissen klank en stem gegeven. 

Sutzkever was zo beroemd dat zijn Russische dichter-vrienden – waaronder de schrijver Ilya Ehrenburg – in 1944 van het Kremlin een vliegtuigje konden afsmeken om hem en zijn vrouw op te pikken bij de Russische grens. Daarvoor moesten ze wel tussen mijnen door laveren. Ook dat overleefde hij. ‘Loop over woorden als over mijnen,’ adviseerde hij later aan alle schrijvers. 

Toen Stalin na de oorlog prominente Joodse schrijvers, dichters, acteurs en andere intellectuelen begon te executeren, nam hij de wijk naar Israël. 

Rina en Mira

Abraham en Freydke kregen twee dochters, Rina en Mira en twee kleinkinderen. Freydke stierf in 2003, Abraham in 2010, op zesennegentig-jarige leeftijd. Hij hoefde 7 oktober 2023 gelukkig niet meer mee te maken. En ook niet de dodelijke gevolgen daarvan voor meer dan zeventigduizend Gazanen… 

P.S. Franz Murer, de Oostenrijkse moordenaar van Sutzkevers moeder en zoon en talloze anderen, werd in 1946 voor het Neurenberg-tribunaal gebracht en, mede op getuigenis van Sutzkever veroordeeld tot 25 jaar Russisch strafkamp. Op verzoek van de Oostenrijkse regering werd hij al in 1955 vrijgelaten. In 1963 bracht Simon Wiesenthal hem alsnog voor de rechter die hem vrijsprak. In 1980 waren er plannen van de Mossad om hem te liquideren, maar dat ging om diplomatieke redenen niet door. Hij stierf in 1994, in Oostenrijkse vrijheid.


cover: Vilnius getto, screenshot uit bovenstaande video

Over Kees Kok 36 Artikelen
Kees (C.G.) Kok (1948) is onafhankelijk theoloog en sinds 1980 verbonden aan Ekklesia Leerhuis Amsterdam; vertaler (Duits) en uitgever van het werk van Huub Oosterhuis; voorzitter van de Stichting Huub Oosterhuis Fonds. De rode draad in zijn theologie is de veelal geloochende en verraden joodse oorsprong van het christendom. Hij schrijft veel over joodse literatuur en vertaalde Duits-joodse poëzie onder andere van Hilde Domin. Hij is gehuwd, heeft drie kinderen en vijf kleinkinderen.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*