Af en toe gaf ik het juiste antwoord op zo’n vraag, wat hij dan nauwelijks kon verkroppen. Ik las de minachting in zijn ogen als hij me aankeek en voor zichzelf volhield dat zijn eigen kind superieur was aan mij, aan ons. Dat was wat ik in zijn ogen las, in zijn stem hoorde: wij, met ons gedrag, onze beperkte intelligentie, waar nooit iets van terecht zou komen.
In deze roman van Menno Schokker maken we kennis met Mendel. Hij balanceert op de rand van realiteit en waan. Heeft Mendel (Amsterdam, 1960) een stoornis of is er een geheimzinnige verbinding tussen hem en zijn oudoom Esriël?
In zo’n situatie ging meester Cohen op zijn bureau zitten en pakte de foto van zijn mooie dochter. Hij keek ernaar en toonde haar aan ons. ‘Ach, mijn dochter Judith, ze is zó begaafd.’
Hij keek even de klas rond om te zien of we wel luisterden. ‘Ik denk dat ze hoogbegaafd is. Niet alleen in schoolse vaardigheden, dat is wat jullie allemaal zo moeilijk vinden: rekenen, taal, aardrijkskunde. Ze is vooral zo goed in creatieve vakken en muziek. Ze speelt sonates op de piano en och, de fijnheid van haar tekenwerk. Haar meester op school zegt dat ze absoluut naar de kunstacademie moet, maar dat ook een weg in de wetenschap voor haar een mogelijkheid is.’
Hij nam even de tijd om te genieten van wat hij zojuist gezegd had. Hij glimlachte voor zich uit en richtte zich toen weer tot ons.
‘Meisjes en jongens, niet iedereen is hetzelfde. De één is mooi, de ander lelijk, de één is rijk, de ander arm en tot mijn spijt kan de één goed leren en de ander niet.’ Hij wachtte even om ons trage verstand de kans te geven mee te sloffen met zijn uiteenzetting. ‘Piet, blijf je erbij, lieve jongen?’
Piet had de aandacht allang verloren en probeerde zijn neus via zijn onderarm wat op te knappen, een voor iedereen zichtbaar plakkerig spoor achterlatend. ‘Oh laat maar, Piet, ga even je handen, eh, je armen wassen en snuit je neus, man. Oh ja, en de één is chronisch verkouden en de ander niet,’ grinnikte de meester in zichzelf.
Piet was weer gaan zitten. ‘Wij hier, op de Professor Ovide de Decrolyschool, zijn een beetje de pechhebbers. Niet zo mooi, niet zo slim, niet zo sociaal, maar meestal wel erg lief, hoor. Op de school van de professor zal niemand het tot professor schoppen.’ Zo sprak hij grinnikend, zelfingenomen, denkend dat niemand zijn intellectuele taalgebruik begreep. Dat ik zijn diskwalificatie begreep, begreep hij niet.
Zijn minachting voor ons vond hij terug in mijn blik, in mijn houding, elke keer dat hij mijn schooltas door de klas schopte en me vernederde.
In antwoord op zo’n uitbarsting zoog ik dan even hoorbaar op mijn tanden, liet mijn ogen naar boven wegrollen. ‘Is het goed als ik even mijn tas opruim, meester?’ zei ik dan vrolijk, met een hoog, deemoedig stemmetje. Ik wachtte niet op antwoord, wél op zijn duw, waarmee hij me in mijn tweepersoonsbank terug probeerde te krijgen. Ik viel dan schreeuwend, liefst eerst tegen het andere kind aan en dan, als het kon, hard op de grond.
Waarna, zoals verwacht, de kinderen uit de klas als apen op een apenrots begonnen te schreeuwen, rennen en vechten. Ik kon dan, terwijl Cohen in het kader van de alom aanwezige flowerpower tierde en schreeuwde, mijn spulletjes bij elkaar rapen en stiekem het klaslokaal uitglippen. Een klein gloeiwormpje van trots keek gloriërend vrolijk in mijn persoontje rond.
Heel even voelde ik me meester van de situatie en durfde ik trots door de klas te kijken. Ik ving de bewonderende blik van sommige kinderen. Piet lachte hard achter zijn hand, Mieke wierp me met haar blik een kusje toe. Maar Ingo, bang, huilde dikke tranen over zijn wangen. ‘Ik zou straks wel met hem gaan spelen,’ dacht ik. Ingo had het gezicht van een engeltje, zijn kleine gezichtje zo symmetrisch mooi, nog als van een kleuter, terwijl bij de rest van de kinderen hun uiterlijk al door de puberteit werd bezocht.
Zijn huid was gaaf, teer, en er schemerden fijne blauwe bloedvaten door die je bij een ander niet zag. We moesten rustig met Ingo omgaan, zo had Cohen verteld: ‘Ingo is anders, niet zo sterk en gezond als wij. Hij zal niet gaan puberen en niet zo oud worden,’ had de meester als voorbeeld van erfelijkheid bij de seksuele voorlichting verteld.
Ingo zat er onbewogen bij, maar ik voelde zijn ontreddering, zijn boosheid, die ik graag van hem overnam. Jonny zat vlak voor me. Zijn bank was tegen het bureau van de meester aangeschoven zodat de meester hem goed in de gaten kon houden. Hij was de moeilijkste van de klas: groot, sterk, pukkels, gestoord, met te veel ongeremde drive richting de meiden.
De agressie van Jonny kon opkomen zonder kenbare aanleiding, maar in ieder geval als je de achterkant van zijn nek aanraakte of hem daar kriebelde. Ik zat achter Jonny en zag mijn kans schoon. Cohen was Ingo al lang vergeten terwijl hij breedsprakig een erectie op het bord aan het tekenen was. Ik kneep Jonny in zijn nek en dook meteen onder mijn bank. De beuk die over me suisde, raakte Dennis op de schouder. Dennis, ook niet misselijk wat agressie betreft, beukte meteen terug, Jonny vol op zijn pukkelkop rakend.
Ik kneep er stiekempjes tussenuit, terwijl de twee jongens schreeuwend elkaar probeerden te raken waar ze konden en de andere kinderen eromheen stonden te juichen. Ik liep naar Ingo, die stilletjes in zijn bank zat, en ging naast hem zitten. ‘Jou gebeurt niks, Ingo, ik pas op je.’
Zijn pony voor zijn ogen wegvegend, lachte hij even naar me. ‘Ochenebbisch kleyn ingl.’ ‘Wat, Mendel?’ vroeg Ingo. ‘Oh, dat je niet bang hoeft te zijn, vriendje.’
Lees hier de vorige delen van deze feuilleton
cover: Françoise Nick
Geef als eerste een reactie