Deel 14: Naast hem een man met een dikke zilveren ketting om zijn nek. Dat is de burgermeester.

Mokum op de Gracht is een roman van Lody van de Kamp die in feuilletonvorm verschijnt op De Vrijdagavond

Print Friendly, PDF & Email

10  juni 1938

Het duurt nog twee weken tot mijn barmitswe. De tijd kruipt voorbij. Maar deze avond mag best iets langer duren dan anders. Helemaal aan de rand van Amsterdam, of eigenlijk heet het hier al geen Amsterdam meer, gebeurt er iets bijzonders. Na een lange fietstocht sta ik met papa en mama in de nieuwe sjoel van Nieuwer Amstel 1 Vanavond wordt hier voor het eerst in de geschiedenis sjoeldienst gehouden. En dat wordt niet zomaar een dienst. Chazzen Maroko treedt op.

Een paar dagen geleden vertelde papa mij heel trots ‘Chazzen Maroko heeft mij gevraagd of ik toch nog een keer met hem wil meezingen. En dat ga ik natuurlijk doen!’ Ik geloofde het niet. ‘Papa, echt waar?’ ‘Ja zeker. Omdat het koor niet in de Grote Sjoel zingt maar in deze nieuwe bij-sjoel van de Kille mocht de chazzen mij vragen mee te doen’.

Chazzan Israel Elisaj Maroko Bron JHM

Mama zit in de damessjoel. Ik zit op de derde rij. In een grote leunstoel helemaal voorin de sjoel herken ik de opperrabbijn, meneer Sarlouis. Naast hem een man met een dikke zilveren ketting om zijn nek. Dat is de burgermeester. Een sjieke vent. Ik durf  de opperrabbijn niet aan te kijken. Misschien herkent hij me wel van ons gesprek toen bij de Hortus. Na vandaag weet ik eigenlijk niet of ik nog boos op hem moet zijn. Misschien heeft de opperrabbijn er zelf wel voor gezorgd dat papa weer een keer met chazzen Maroko mag zingen. Meneer Sarlouis kijkt om zich heen. Even zie ik hem ook mijn richting uit kijken. Maar zijn blik glijdt meteen verder.

Eerst zingt papa met de chazzen en nog een paar mannen ‘Ma touwoe’. Het is doodstil. Wat klinkt dit mooi! Na de laatste woorden gaat het koor zitten. De opperrabbijn loopt naar voren en begint aan zijn droosje. Dat duurt gelukkig niet zo lang. Iedereen zegt aan het einde ‘omein’. De deuren gaan open, de Touro-rollen worden de nieuwe sjoel binnengedragen en in de Oroun Hakoudesj 2 gezet. Nu is het koor opnieuw aan de beurt. De dienst is bijna klaar. Ik denk dat nu alleen nog het lied ‘Jigdal’ wordt gezongen. Het koor staat klaar om te beginnen maar dan loopt de opperrabbijn in de richting van de banken vóór mij. Ik kan mijn ogen niet geloven. Zijn vinger wijst echt in mijn richting. Ik kijk naar achteren maar de opperrabbijn schudt  zijn hoofd. ‘Kom hier Simon’, fluistert hij. Ik voel mezelf knalrood worden. De opperrabbijn neemt mij bij de hand en loopt naar papa toe. ‘Nu ga jij naast jouw vader staan en zing je samen met hem mee. Jij kent natuurlijk de woorden van “Jigdal” wel.’ Ik knik heel  verlegen. Zeker ken ik de woorden. We zingen elke vrijdagavond in sjoel “Jigdal”. Ik sta naast papa. Chazzen Maroko tikt drie keer met de voorkant van zijn voet op de grond en daar klinken de eerste tonen. Ik probeer op zijn mooist mee te zingen. Het hoofd van de opperrabbijn gaat op en neer. Precies op het ritme. De laatste woorden op die hoge tonen sterven langzaam weg. Zoals we het ook in sjoel doen. De opperrabbijn legt zijn vinger onder mijn kin. ‘Weet je nog Simon wat ik jou vertelde toen jij mij op straat achterna was gelopen? Er komt een dag dat het weer allemaal goed komt. “En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis van de Eeuwige uitgaan, en zal het dal van de Acacia’s bewateren” zegt de profeet.3 Weet je het nog Simon van Gelder?’ ‘Ja, ja, meneer de opperrabbijn’. ‘Nou dan, vandaag is die dag gekomen’. ‘Dank u wel meneer de opperrabbijn’, hoor ik papa met een schorre stem zeggen. Waarom is papa ineens hees? Net zong hij nog met zo een heldere stem. ‘Meneer de opperrabbijn, over twee weken wordt onze Simon barmitswe. Op de sjabbes van parsjes Kourach.’ ‘Zo jongen, ben jij al zo groot? Barmitswe. Dan weet je ook vast wel wat dat betekent. Vanaf die dag ben jij volwassen. Volwassen voor de Joodse wet. Jongeman, om deze verantwoordelijkheid te kunnen dragen kun je wel wat hulp gebruiken van Hakodousj Boroeg Hoe. Laat mij jou op deze bijzondere avond bensjen.’ Opperrabbijn Sarlouis legt zijn twee gespreide handen op mijn hoofd, net zoals papa dat iedere vrijdagavond doet en prevelt ‘Jeworeggego Hasheim we jismereego,, Moge de Eeuwige jou zegenen en jou behoeden. De Eeuwige doe jou voor Zijn aangezicht lichten en zij jou genadig’. Het eerste wat ik mij voorneem voor mijn barmitswe is om nooit meer boos te zijn op opperrabbijn Sarlouis.

Het is eindelijk donderdag. Het voelt vreemd maar alle mensen vinden het heel gewoon dat ik vanavond, de officiële avond van mijn barmitswe, thuis aan het hoofd van de tafel mag zitten. Gewoonlijk is dit de papa’s plaats. Nu zit papa op de hoek van de tafel naast mij. Op de andere hoek zitten opa en oma die net verhuisd zijn naar de Joodsche Invalide. Naast hen mijn andere opa en oma. Deze zijn uit Amersfoort gekomen. En natuurlijk zijn oom Levie en tante Selma er ook. En rebbe De Wolff.

Midden op tafel branden de kaarsen in mama’s koperen kandelaars. Om ruimte te maken voor mijn barmitswefeest hebben mama en papa vanmiddag de oude bruine leren bank rechtop op de veranda gezet. De buren hebben stoelen aan ons geleend. Aan de ene kant is de tafel gedekt met ons eigen sjabbosservies. Op de andere kant van de tafel herken ik de bloemetjesborden van tante Selma. Op mijn plaats ligt een hele grote challe die ik voor iedereen moest aansnijden. Mama brengt nu samen met buurvrouw Gompers van de overkant uit de keuken grote dienbladen met glazen schoteltjes binnen. Ik ga staan. Mijn lievelingshapje, huzarensla! Ik zie meteen dat mama er extra veel rooie bietjes in heeft gestopt! ‘Ja, Simon, extra bietjes. Het is jouw simche vanavond. ’Recht tegenover mij aan de andere kant van de tafel zit mijn vriendje. Ik was zo blij toen mama mij vertelde dat Jopie ook was uitgenodigd voor mijn feest. Eigenlijk was ik bang dat als hij zou komen iedereen de neus voor hem op zou trekken. De schrage van het slachthuis en Jopie zijn één geworden. Maar toen hij vanavond binnenkwam en mij feliciteerde was het de lucht van groene zeep die hem omringde.  Dat was een hele verademing voor mij. Papa staat op. ‘Hartelijk welkom allemaal. Fijn dat u gekomen bent voor deze simche, de barmitswe van onze oudste zoon.’ Aan het einde van papa’s droosje roept iedereen ‘wenoumar omein’ en word ik door de oma’s, de tantes en natuurlijk ook door mama stevig gezoend.  Ook Jaap en Brammetje komen mij nu omhelzen. Het is tijd voor de soep. Deze stond de hele middag al in twee grote pannen op de petroliestellen te pruttelen. Onwillekeurig moest ik toen ik dit zag aan mijn brandweervriend Luuc denken. Als er vandaag nou maar niets gebeurt met die petroliestellen! Rebbe de Wolff vraagt om stilte. Aan zijn verhaal over die boze Kourach lijkt geen einde te komen. Oom Levie fluistert me toe ‘Wacht maar. Zo direct zakt die rebbe net als Kourach de grond in en dan kunnen we eindelijk gaan genieten van die heerlijke kalkoen die vast zo uit de keuken komt binnenvliegen.’ Kalkoen? Ik bijt me op mijn tong om niet in lachen uit te barsten. Ook hier klinkt weer een luid ‘Wenoumar Omein’. het wordt geen kalkoen. Papa krijgt een grote kip met een vleesmes en vleesvork voor zich om aan de ene kant van de tafel uit te delen. Oom Levie doet hetzelfde aan zijn kant van de tafel. Jaap en Brammetje krijgen meteen van mama elk een kippenpootje op hun bord. Dan kunnen zij vast beginnen te eten. En uit de keuken van de bovenburen komt een grote dampende pan tevoorschijn met perekugel. Het is al laat wanneer voor mij de tweede ronde van kussende oma’s en tantes op me af komt. Iedereen wenst elkaar welterusten, ‘slaap gezond en gezond weer op’ en ‘we zien elkaar sjabbes weer in sjoel’.  ‘Ja’, zegt tante Selma tegen mij, ‘vanavond heb je niet één keer je  mond open gedaan. Sjabbes is dat wel anders. Dan komt iedereen naar jou in sjoel luisteren hoe jij de parsje voorleest. Jongen, ga nu gauw naar bed. Mazzel en broche’. Jopie komt nog even naar me toe, geeft me een hand, zegt ‘goed sjabbes’ en loopt naar buiten, de trap af. Wat jammer, ik heb Jopie vanavond helemaal niet gesproken en hij was nog wel mijn gast. Mama roept Jopie terug. ‘Nee, zo ga je niet de trap af’. Jopie kijkt mama vragend aan. ‘Heb je lekker gegeten? Heb je wel genoeg gehad?’ Jopie wrijft over zijn buik. ‘Het was heerlijk buurvrouw, echt mechaje!’ 4 ‘Wacht even, dan kun je nog wat mee naar huis nemen’. Mama loopt de keuken in en komt terug met een van de pannen die op het petroliestel stonden. ‘Hier, deze pan zit nog half vol met perekugel. En hier’, mama draait het deksel van de kugelpan ondersteboven, ‘Zo nu  past deze schaal met huzarensla er boven op’. Stap voor stap loopt Jopie naar de trap. ‘Als de pan en de schaal leeg zijn na sjabbes, breng ze dan maar weer terug’. ‘Ja buurvrouw, dank u wel, hartelijk bedankt’.

Mama drukt de nog brandende kaarsstompjes uit. Papa brengt de stoelen terug. Samen staan mama en ik nog even voor mijn  bureautje. De nieuwe grote atlas die ik voor school nodig heb en voor mijn barmitswe van opa en oma cadeau heb gekregen staat nu op de plank naast de woordenboeken. Ik trek mijn laatje open. Daar ligt mijn andere nieuwe aanwinst. Een echte vulpen met een gouden nip. Ik kan echt niet wachten om hiermee een mooie bedankbrief te schrijven aan meneer Asscher. Zijn chauffeur kwam dit cadeau gisteren persoonlijk langs brengen.  ‘Kom jongen, nu kun je ook naar bed gaan. De kleintjes slapen al.’ ‘Ja, ik ga’. Op het dressoir streel ik in het voorbijgaan nog even met mijn hand over het zachte fluweel van mijn talliszak waarin behalve mijn gloednieuwe tallis 5 ook mijn tefillien 6 keurig zijn opgeborgen. ‘Kijk, mama. Heb je dit gezien?’ Ik sla mijn tefille open die ik van de Kille heb gekregen. Mama leest over mij schouder mee. “Dit gebedenboek wordt aangeboden door de Opperrabbijn en het Dagelijks Bestuur van de Nederlandsch-Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam aan de jongeheer Simon van Gelder ter gelegenheid van zijn Kerkelijke Meerderjarigheid op 26 Siewan 5698.”

Afbeelding Bibliotheca Rosenthaliana

‘Wie is deze meneer Sluys die zijn naam hier onder heeft geschreven?’ ‘Dit is de secretaris van de kille, meneer D.M. Sluys, een heel deftige meneer. Maar kom, nu echt naar bed. Morgen moet je weer op tijd op school zijn, ik moet ook weer vroeg aan het werk en morgenavond is het alweer sjabbes. Jouw barmitswe-sjabbes.’ Ik omhels mama. ‘Het was zo mooi vanavond. Echt heel mooi.’ Papa zet de leren bank weer neer. ‘Fijn jongen, ik zag je genieten. Slaap nu maar lekker en morgen gezond weer op. Voor school moet je al geoord 7 hebben. De eerste keer als een volwassen man’.

(Wordt vervolgd)

  1. Het huidige Amstelveen
  2. De Heilige Arke in de synagoge
  3. Joël 3:18
  4. Heerlijk!
  5. Gebedsmantel
  6. Gebedsriemen
  7. Het gebed verrichten
Over Lody van de Kamp 36 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*