Ze trekt de zware deur dicht en ploft neer op een strobaal

illustratie Mokum op de Gracht

15 december 1942

‘Met dit 9 mm wapen moet het gaan lukken. Je hebt nu voldoende ervaring om je slachtoffer ook echt te raken. Precies op de plek wáár je hem wilt raken’. Een week nadat mama was opgepakt en ons huis was leeggehaald polst Luuc me voorzichtig of ik toch niet terug wil keren binnen onze groep. ‘Simon ik zie hoe doelloos je jouw dagen doorbrengt hier op zolder. Niks doen en onderhand wachten tot die moffen verdwijnen is niet goed voor jou.’ Ik ben wel blij dat hij hier zelf over begint. Na een paar dagen alleen maar uit het raam te hebben gestaard, zonder Luuc een antwoord op zijn vraag te hebben gegeven, raap ik vandaag de moed bijeen om eens mijn oude rector van de HBS op te zoeken. Die goede meester Breedevoort. We delen onze wederzijdse verhalen.

Mokum op de Gracht, een roman van Lody B. van de Kamp,
verschijnt in feuilletonvorm in De Vrijdagavond
Aflevering 49

Ook hij heeft het niet gemakkelijk sinds zijn ontslag als rector van mijn school. Hij vertelt dat hij een boterham bij elkaar scharrelt door bijlessen te geven. ‘Maar meer dan een beetje jam op onze boterham verdien ik niet’.

Ik vertel hem dat ik niets om handen heb en mezelf ook niet zover kan krijgen om wat te gaan doen. Zover dat voor mij al mogelijk zou zijn. ‘Simon, jij bent hier gekomen zonder een ster op je jasje?’ Hij kijkt nu naar mijn blonde haardos. ‘Ben jij misschien geen Simon meer?’ Glimlachend haal ik mijn persoonsbewijs tevoorschijn. ‘Zo. Ik heb dus gelijk. Fred’. De meester geeft mij het persoonsbewijs terug. ‘Wees hier voorzichtig mee. Soms worden valse papieren herkend. Enfin, ik denk dat wij ongeveer op dezelfde manier onze dagen vullen, met misschien wel dezelfde vrienden. Maar daar hebben wij het verder niet over.’ Ik begrijp wat hij bedoelt. ‘Hoever was jij ook alweer op school toen je ervan af moest en hier thuis bij mij aan tafel schoof om zelfstandig door te leren?’ ‘Dat jaar zou ik naar de vijfde gaan’. ‘Dus het examenjaar’. Ik knik. ‘Simon, als je toch niets beters te doen hebt, kun je de draad toch gewoon weer oppakken? Ik zorg dat je wel wat boeken krijgt en dan ga je aan de slag. Het spijt me dat je hier thuis niet te vaak kan komen zodat ik jou zou kunnen helpen. Dat is in deze tijden te gevaarlijk. Maar daar vinden we wel wat op. Er zijn andere plekken in de stad waar wij elkaar kunnen ontmoeten om je zo voor te bereiden op het examen. Tegen de tijd dat onze vijanden verslagen zijn en de koningin weer veilig terug in het land is, doe jij examen.’ Ik zie het zelf niet zo zitten om me weer over de schoolboeken te buigen. Maar dat zal ik mijn meester, die het zo goed bedoelt, niet vertellen. Meester Breedevoort doet de deur een klein stukje open en laat mij uit. Ik spring op mijn fiets, zwaai nog even en rij de Overtoom op in de richting van de stad. Ga ik me nu weer over de boeken buigen? Over Willem van Oranje, over die nieuwe Afsluitdijk, over domme stellingen in algebra of meetkunde? Ik geloof niet dat me dit gaat lukken. Ik trap hard op de rem. Een politieagent en een Duitse soldaat springen de weg op. ‘Halt, controle’. In twee seconden gieren de gedachten door mijn hoofd. “Fred Goorhuis, Fred Goorhuis, Monnikendam, Monnikendam. Kaasmakerij. Opa ziek in het Westergasthuis. Verjaardag 8 juni.” Nog geen uur geleden waarschuwde meester Breedevoort me om voorzichtig te zijn met het persoonsbewijs. Voor ik afstap grijp ik zo voorzichtig mogelijk naar mijn broekzak. G’ddank. Luuc heeft me mijn Walther nog niet teruggegeven. Stel je voor dat ze die nu bij me vinden. ‘Afstappen!’ sommeert de agent. Hij grijpt mijn fiets bij het stuur en zet deze op de stoep tegen een boom. De Duitser vraagt om mijn persoonsbewijs. De smeris kijkt over zijn schouder mee. ‘Monnikendam? Ist Monnikendam weit von Amsterdam entfernt?’ ‘Twee uur fietsen‘. Ik zou natuurlijk moeten trillen op mijn benen. Maar het lukt me om me precies aan de regels te houden die mij de laatste maanden in die nachtelijke oefeningen op Zeeburg zijn bijgebracht voor momenten als deze. “Spreek niet meer woorden dan strikt noodzakelijk. Probeer goed om je heen te kijken hoe de omgeving er hier uit ziet. Zijn er mogelijkheden om te ontsnappen?” Half op de stoep staat een Duitse overvalwagen geparkeerd. Die zie ik nu pas.

Een aanhouding. De NSB’er Willem Klaarenbeek heeft voor Café Hoppe aan het Spui een man gearresteerd. 1941
BEELD STADSARCHIEF

Mijn angst kan ik overwinnen om in gedachten te houden dat deze smeris en ook deze mof zo gauw ik maar de kans krijg er zelf aan gaan. Door mij of door een van mijn makkers. Wij blijven altijd de baas. ‘Wat kom je in Amsterdam doen?‘ ‘Mijn opa is ziek, ligt in het ziekenhuis’. ‘Welk ziekenhuis?‘ ‚Het Westergasthuis‘.  ‘Wat heeft die opa van je?’ ‘Weet ik niet, hij is oud‘. Ik kijk zo onopvallend mogelijk om me heen. Waar kan ik naar toe als het me lukt om te ontsnappen. De agent loopt achteruit. Hij stapt met mijn persoonsbewijs op een goosen af die ik al wel had zien staan waar van ik niet besefte dat ie ook bij dit geteisem hoort. De twee smoezen wat en komen op mij af. ‘Zo Fred, jij komt dus niet uit de stad.’ De agent grijpt me bij mijn schouder. ‘Doe je pet af!’. ‘Hoezo? Waarom moet ik mijn pet afdoen. Laat mij toch gaan. Ik moet naar mijn opa. Voordat ie de pijp uit gaat’. ‘Ik zeg, doe je pet af!’ Zonder verder af te wachten trekt ie mijn pet van mijn hoofd, knijpt me in mijn schouder en duwt me neer. ‘Zo, nu kunnen we jouw kop van boven beter bekijken. Jij hebt helemaal geen blonde kop. De zwarte haren komen erdoorheen. Het zal me niet verbazen dat je…’ Ik laat hem zijn zin niet afmaken. Mijn vuist treft de smeris midden in zijn ponem. Hij valt als een blok neer. Wat die soldaat doet weet ik niet. Ook wacht ik niet af wat die andere vent van plan. Zigzaggend ren ik de straat op. Tussen de fietsen en de auto’s door. Ik steek recht voor de tram over die al bellend een noodstop maakt. Ik hoor schieten en mensen gillen. Zouden de kogels iemand geraakt hebben? Mij in ieder geval niet. Voordat ik de Prinsengracht opren om me vandaar over de Westermarkt uit de voeten te maken kijk ik even om. Er liggen een paar mensen op straat. De soldaat en de politie worden door de meute belaagd. De tram staat nog steeds stil. Die andere vent zie ik niet staan. Om de hoek van de Keizersgracht sta ik stil, luisterend of ze me achterna komen. Ik denk dat ze me kwijt zijn. Om geen aandacht te trekken slenter ik de gracht af om daarna de steegjes aan de overkant van het water in te duiken. Hier zullen ze me niet zo gauw vinden. Maar nou. Wat moet ik doen? Die kerels hebben mijn persoonsbewijs. Op mijn blonde kop komen de zwarte haren alweer tevoorschijn. Ik rammel van de honger. Het begint donker te worden. Ik ben best trots op mezelf. Als ik die vent niet had neergeslagen was ik nu vast en zeker op weg geweest naar de Euterpestraat en had de Gestapo eindelijk haar prooi te pakken. Nu moet ik alleen maar zorgen dat dit niet alsnog gebeurt. Zonder fiets is het een eind. Maar ik besluit toch maar naar mijn hutje op Zeeburg te gaan. Daar zullen ze me niet zoeken. En als de Zeeuw merkt dat ik vandaag of morgen niet op de gracht verschijnt zal ie daar wel naar toe komen om te kijken wat er aan de hand is. Zelf naar de kazerne te gaan is nu te link. Als de moffen erachter komen wie de echte Fred Goorhuis is gaan ze daar meteen de boel uitkammen.

18 december 1942

Luuc is meteen weer vertrokken richting Mokum. Het was een ingewikkelde reis. Voordat we naar Zeeland vertrokken moest ik eerst in allerijl nieuwe papieren krijgen. Nu ben ik Wil Boshuizen uit Oostzaan. Met weer een hele blonde kop waarin nu even geen zwarte haren te bespeuren zijn. Achter in een vrachtauto van Van Gend & Loos werden Luuc en ik naar Utrecht gebracht. Vandaar met paard en wagen langs allerlei dorpjes naar Gouda. Toen weer met een vrachtauto naar het zuiden afgezakt om zo uiteindelijk door een boer opgehaald te worden die me afleverde op een hoeve bij het gehucht Capelle, niet zo ver van Ouwerkerk.

In de verste verte is er geen andere boerderij te zien. Alleen maar het vlakke Zeeuwse land. Het vee staat op stal. Het is winter. Mocht er ooit iemand naar mij op zoek zijn dan kan ik iedere auto die over de dijk aan komt rijden van mijlen ver al aan zien komen. En dan heb ik voldoende tijd om in de polder in het riet te verdwijnen.

Ik weet niet of ik hier nu tot rust kom. De overvalwagens bij mama’s werk, de bruine kaarten waar alles op staat wat er met de familie allemaal gebeurt, de verhuiswagens van die meubelrovers op de gracht, de fluitende kogels op de Overtoom, die beelden gieren door mijn hoofd.

Ik help hier de boer met zijn knechten bij het binnenhalen van de bieten van het land of met het uitdiepen van de sloten. De oorlog lijkt ver weg. Ik staar naar de overvliegende ganzen die rustig met die mooie regelmaat hun vleugels op en neer bewegen.

Vliegende ganzen (Foto Raphaël stichting)

Dit geeft een vredig gevoel. Of ik zit aan de oever en luister naar het ruisen van de wind over de rietvelden. Ook dat kalmeert me een beetje. Maar toch komt dan mijn binnenste in opstand. Er moet een strijd worden gevoerd tegen die moffen en ik zit hier opgeborgen. Mij hebben ze weggestuurd. Diep steek ik de spade in de grond. Hopelijk komt er gauw een eind aan dit gedwongen verbannen zijn. En mag ik weer in Mokum meedoen.

‘Willem, wat doe nu eigenlijk? Vanochtend bij het mestruimen in de stal ging het zo snel. En nu je grote en kleine aardappels uit elkaar moet halen schiet het niet op.’ Ik kijk naar de twee kleine stapeltjes die voor me liggen. Links de grote aardappels en rechts de kleintjes. Naast me is die zak met aardappels die nog aan de beurt moet komen en die nog bijna helemaal vol zit. ‘Willem zit je hier in de stal te dromen?’ ‘Ach boer, vanochtend bij het mest ruimen, iedereen kan met stront gooien. Maar aardappels sorteren is kiezen. En keuzes maken is veel moeilijker.’ Papa zou me vast een tik over mijn vingers hebben gegeven voor dit taalgebruik. De boer staart me verwonderd aan. In zijn ogen ben ik maar een vreemde vogel. Een stadsmens.

De deur van de schuur piept. Er komt iemand binnen. Ik spring op. ‘Jopie! Gré! Ik omhels mijn vriendje. ‘Jopie, jongen! Wat brengt jou hier?’ Gré legt haar vinger op haar mond. ‘Ssstt, jongens!’. Ze trekt de zware deur dicht en ploft neer op een strobaal. Wat een verrassing.

(Wordt vervolgd)

Over Lody van de Kamp 97 Artikelen
Lody B. van de Kamp is rabbijn, schrijver en publicist. Naast het schrijven van historische romans (thema vooral ‘de Jood in de Tweede Wereldoorlog’) publiceerde hij ‘Over Muren heen’, over de kennismaking tussen de Moslim en de Jood in Nederland. Hij publiceert regelmatig in landelijke dag- en weekbladen en is actief binnen de stichting Said & Lody. Hij is één van de oprichters van Yalla!, een stichting die de beeldvorming in onze samenleving wil doorbreken. Lody is lid van ‘Amsterdam Inclusief’, negen meedenkers over het beleid van deze gemeente.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*