Wie is wijs? Sjioer ter gelegenheid van Sjavoeot 

Kleurrijke tkening met rode en witte bloemen

Voordat we beginnen met lernen wil ik graag onderstrepen dat deze sjioer, en ik hoop ook alle overige sjioerim, le’iluy nishmat mijn vader plaatsvindt, dus: le’iluy nishmat haraw Jehoeda ben hechawer Chaïm we Minny Chawa (voor de zielerust van Leo Mock, zoon van Harry en Minny).

Spreuken over de fundamenten

Vandaag wilde ik graag ter nagedachtenis aan mijn vader een paar leringen trekken uit zijn publicaties. Gelukkig zijn er door de jaren heen veel teksten van hem gepubliceerd en is het daarom mogelijk om zijn gedachtegoed in zekere zin in leven te houden. Een goed voorbeeld daarvan is te vinden in het boek ‘Spreuken over de fundamenten’, dat hij samenstelde met collega en vriend Marcel Poorthuis. 

Daarin is een creatieve vertaling opgenomen van Pirkei Avot 4:1, waarvan de (welbekende) Hebreeuwse tekst luidt:

“בֶּן זוֹמָא אוֹמֵר, אֵיזֶהוּ חָכָם, הַלּוֹמֵד מִכָּל אָדָם, שֶׁנֶּאֱמַר (תהלים קיט:צט) מִכָּל מְלַמְּדַי הִשְׂכַּלְתִּי כִּי עֵדְוֹתֶיךָ שִׂיחָה לִּי”

Dit kan (vrijelijk) worden vertaald als:

Ben Zoma zei: wie is wijs? Die van iedereen leert. Zoals wordt gezegd, van al mijn leermeesters heb ik kennis opgedaan.”

In het betreffende boek vertalen (of eigenlijk: interpreteren – immers rust in elke vertaling een zeker gehalte van interpretatie) mijn vader en Marcel Poorthuis de tekst op de volgende wijze:

Ben Zoma zegt: Wie is wijs? Die van iedereen leert, zoals de Zanger zegt:
‘Wie een voortdurende dialoog met de wijsheid houdt, ontdekt een leermeester in iedereen’

Nu vind ik de voornoemde vertaling niet alleen poëtischer, maar ook zeer passend bij de persoon die mijn vader was: middels dialoog kennis delen en vergaren. Iedere situatie en elke interactie niet alleen als leermoment zien, maar als daadwerkelijke leermeester

Zijn zeer uitgebreide kennis, met name ten aanzien van de primaire bronnen en oudere geschriften, maakte mijn vaders Jodendom bijzonder. Zijn diepgaande kennis over zeer uiteenlopende onderwerpen was zeker heel knap, maar nog waardevoller was volgens mij de wijze waarop hij deze kennis overdroeg. 

Het ging namelijk niet louter om het vertellen van feiten, in de hoop dat de luisteraar – of vaak ook de lezer – die informatie zou onthouden. Meer dan dat, bracht mijn vader de kennis over op een wijze die individuen aan het denken zette, zodat er eigenlijk nog een vervolg aan moest worden verbonden. Inderdaad meer in dialoogvorm. 

Reflecteren

Door het gebruik van sprekende voorbeelden, concrete gelijkenissen en scherpe verbanden wist mijn vader mensen te activeren om goed te reflecteren op specifieke materie en een eigen idee te vormen.

Wat wil ik dan vanavond gaan behandelen? De invulling van die wijsheid.

Dit gaan we op twee manieren doen, allereerst op een concreet niveau. Uit verschillende publicaties van mijn vader wil ik vier karakteristieken met jullie bespreken die naar mijn mening hem tot zo’n uitzonderlijke leermeester hebben gemaakt. 

Daarna zou ik op meer abstract niveau willen kijken naar de manier waarop hij keek naar kennisuitwisseling. Hoewel je meestal vanuit het abstracte denken dingen concretiseert, lijkt deze volgorde mij juist goed te passen bij de stijl van mijn vader: aan het einde van de rit meer vragen dan antwoorden. 

Hopelijk biedt het ons weer nieuwe inzichten en tools die we kunnen blijven toepassen bij het leren van Jodendom, of nog breder, bij het benaderen van religieuze vraagstukken of ethische dilemma’s.

Vier concrete handvatten

Vier onderscheidende elementen van de wijze waarop mijn vader de liturgie benaderde wil ik graag uitlichten. Deze lopen natuurlijk enigszins in elkaar over en liggen in elkaars verlengde. Niettemin vind ik het belangrijk om ze apart te benoemen.

I. Allereerst het benaderen van teksten vanuit de context waarin zij plaatsvinden, dus bijvoorbeeld wat betreft tijd, locatie, of specifieke cultuur. Zo schrijft hij bijvoorbeeld in één van zijn vele Crescas columns:

“(…) het idee dat de antwoorden rechtstreeks uit [primaire] bronnen zouden komen, zonder dat deze beïnvloed zouden zijn door plaats en tijd, lijkt me zowel onjuist als fundamentalistisch.

Hij vervolgt zijn tekst door te stellen dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ons (als Joden?) alles zou moeten zeggen:

En dat deze Rechten dus terug te vinden zouden moeten zijn in onze manier van omgang met die traditionele bronnen.”

II. Ten tweede, het verenigen van de archaïsche teksten met de moderne tijd, waarbij de nadruk ligt op fluïditeit. Dit kan worden gedaan door het vinden van parallellen, of juist het accentueren van specifieke verschillen. De tijdgebondenheid van teksten erkent mijn vader nadrukkelijk in zijn proefschrift over de Ruach Ra’ah – weliswaar binnen een andere context. Zo schrijft hij dat:

(…) een praxis immers [kan] voortbestaan ook zonder duidelijke verwijzing naar een oorspronkelijke reden, en [dat] eerdere motivaties kunnen veranderen in de loop der tijd door herinterpretatie”.

Flexibiliteit

Deze gedachte speelde (vanzelfsprekend) een grote rol in zijn onderzoek. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat we moeten blijven hangen in archaïsche rituelen. Integendeel, mijn vader had over de flexibiliteit van tekstinterpretatie een duidelijke mening. Zo was hij van mening dat “traditioneel jodendom en moderniteit prima te combineren [zijn].”

Bovendien schreef hij in zijn laatste Crescas column, die toevallig de dynamiek van traditie in het kader van Sjavoeot en de leernacht betrof: 

[Het] moet toch mogelijk zijn om de traditie nieuw en fris te houden?”. Hierbij verwijst hij eveneens naar het concept binnen de Tora: “Laat ze elke dag nieuw zijn in je ogen” (hetgeen lijkt te duiden op Deuteronomium 6:6). Ik denk dat dat een mooie boodschap is om mee te nemen.

III. Daarbij komt dat mijn vader altijd een interdisciplinaire benadering probeerde toe te passen. Zelf ben ik – mede dankzij hem – groot fan van deze wijze van tekstinterpretatie. Hij was natuurlijk hoofdzakelijk theoloog, maar ook historicus. Bovendien had hij onderwijskunde gestudeerd. 

Al met al was hij breed onderlegd en betrok hij graag verschillende disciplines en uiteenlopende bronnen bij het Jodendom. Verwijzingen naar teksten binnen andere religies en culturen, antropologische, filosofische of sociologische theorieën, evenals wetenschappelijke invalshoeken, kwamen dan ook frequent voor in zijn teksten. Ik denk dat dit een waardevolle aanvulling is op de manier waarop de Joodse liturgie wordt begrepen.

Rechtvaardige samenleving

IV. Tot slot dan het overkoepelende idee van rechtvaardigheid en een rechtvaardige samenleving. Dit is een idee dat sterk naar voren kwam in mijn vaders teksten. Een voorbeeld hiervan is zijn lezing van de parasjot Behar en Bechoekotai en de relatie ervan tot Sjavoeot. Hierin herkent hij een nadruk “dat het om de rechtvaardige samenleving gaat in de Tora”, waarin dan ook “vergaande ideeën over eigendomsrechten, bezit, vastgoed, landbezit en sociale zorg [worden] uit[ge]werkt in concrete wetten”. Dit is in mijn vaders werken een terugkerend thema. Zo schrijft hij over de Megillat Ruth: “Ruth is een verhaal over trouw, verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid (en gastvrijheid). Precies de waarden en eigenschappen waaruit het Verbond bij Sinaï bestaat en waarlangs het wordt uitgewerkt in de wetgeving in de Tora.

Bovendien wierp hij graag morele kwesties op in zijn retoriek. Zo stelde hij in het kader van de verplichting om binnen een bepaalde context een ongetrouwde vrouw te huwen, in De Vrijdagavond de vraag: “Wat zou die vrouw daar eigenlijk van vinden?”. En ten aanzien van de verplichting om een persoon, die jouw vijand is, te “helpen wanneer zijn lastdier bezweken is onder de zware bepakking” gooit hij op of dat wellicht toeziet op dierenrechten. Kern is dat mijn vader het Jodendom altijd benaderde vanuit een visie waarin ‘de rechtvaardige samenleving’ centraal staat.

Wijsheid in abstracto

Het voorgaande illustreert op wat concreter niveau de wijze waarop mijn vader zijn kennis deelde. Tegelijkertijd blijft wijsheid – in de breedste zin van het woord – het overkoepelende doel van een ware leermeester. Zodoende deel ik graag enkele inzichten over ‘wijsheid’, als algemeen, wellicht abstract begrip, zoals mijn vader in diverse publicaties heeft vertolkt.

Toeval of niet, in zijn proefschrift stond namelijk het concept van kennis centraal. Zo constateerde hij terecht dat het concept van ‘Ruach Ra‘ah’ “op het snijpunt van empirische kennis en traditionele kennis ligt”. Geheel in die lijn, luiden de eerste woorden van zijn voorwoord dan ook, en ik citeer:

“‘…Zo werd de mens tot een levend wezen’ (Gen. 2:7) – door intellect en mogelijkheid tot wijsheid en kennisverwerving”. Mijn vader licht daarbij toe dat de betreffende pasoek over de schepping van de mens door sommigen op deze wijze wordt geïnterpreteerd. Is intellect dan inherent aan leven? (of wellicht juist andersom?)

Graag lees ik voor uit het voorwoord van het boek dat hij samen met Marcel Poorthuis creëerde (waar ik ook eerder naar verwees), met de toepasselijke titel: ‘Joodse wijsheid voor de mensheid’. Op poëtische wijze wordt namelijk de waarde van wijsheid geschetst. Het is een lang citaat, maar naar mijn mening krachtig genoeg dat het het voorlezen waard is. Het heeft mij in ieder geval aangespoord om een en ander nog eens te overdenken, hopelijk jullie ook:

Wijsheid is van allen en van niemand. Ze ontstijgt de categorieën van volk, religie, sekse of cultuur. Vrouwen, mannen, en ook kinderen hebben deel aan de wijsheid en delen ervan uit. Zo bezien lijkt wijsheid wel het tegendeel te zijn van een waarheid die het exclusieve bezit is van maar één groep mensen, één volk, één superieure cultuur of één bevoorrechte klasse [over het concept ‘waarheid’ schreef mijn vader ook verscheidene stukken, maar dat is materie voor een andere keer]. Wijsheid is eigen aan de mens als denkend wezen. Echte wijsheid is ook meer dan het pure denken. Wijsheid bloeit op in het leven zelf en draagt de sporen van levenservaring, zoals de rimpels en groeven in een menselijk gelaat dat vele zomers en winters heeft gezien. Het leven zelf reikt de mens deze wijsheid aan. Want iemand die levenswijsheid bezit heeft die niet alleen uit boeken, maar leert ook van zijn medemens en de hele Schepping (…).”

Dit citaat volgt dus uit het voorwoord van een boek dat toeziet op de Pirkei Avot. Vervolgens worden de Pirkei Avot ingeleid door een vrije vertaling van de misjna die wij over het algemeen uitspreken vóór het lernen van Pirkei Avot, namelijk een misjna uit Sanhedrin (10:1):

“כָּל יִשְׂרָאֵל יֵשׁ לָהֶם חֵלֶק לָעוֹלָם הַבָּא, שֶׁנֶּאֱמַר (ישעיה ס:כא) וְעַמֵּךְ כֻּלָּם צַדִּיקִים”

In de zeer creatieve vertaling van voorgaande pasoek, wordt een link gelegd tussen ‘wijsheid’ en ‘rechtvaardigheid’. Het citaat luidt als volgt:

Alle zoekers naar Wijsheid dragen bij aan de Komende Wereld.
Want de profeet zegt:
‘En al jouw mensen zullen weten hoe rechtvaardig te handelen.(…)”

Connectie wijsheid en rechtvaardigheid

Die connectie tussen wijsheid en rechtvaardigheid kan overigens niet alleen in de theologische context worden gevonden; ook in meer praktische zin, bijvoorbeeld binnen het rechtssysteem, zit daar een link tussen (om het even interdisciplinair te houden: zie hoe bijvoorbeeld in de Corfu Channel case, de eerste zaak die bij het Internationaal Gerechtshof plaatsvond, de connectie wordt gelegd tussen het beschikken over bepaalde kennis, en de (juridische) verantwoordelijkheid die daarmee gepaard gaat).

En met deze boodschap wil ik dan graag afsluiten. Want hoewel mijn vader voor mij (en voor vele anderen) hoofdzakelijk een leermeester is geweest in de meest basale zin van het woord, namelijk als verschaffer van kennis, denk ik dat dat voor hem altijd hand in hand ging met het overkoepelende thema van rechtvaardigheid, of in ieder geval de wens, de poging tot rechtvaardigheid (want niet alles hoeft perfect te zijn), zoals ook blijkt uit de voorbeelden die ik eerder noemde. Hij zag de Tora als een bron die een wettenstelsel in het leven roept, en die een samenleving creëert, waarbij regulering plaatsvindt “vanuit de principes van rechtvaardigheid”, wanneer het aankomt op economische thema’s, en waarbij evenzeer ruimte is voor “religieuze wetgeving die (…) de juiste moreel-ethische houding (…) voorschrijft”. 

Idealistische blik

Sommige van die ‘wetteksten’ omschreef hij zelfs als “idealistisch”. Moge zijn scherpe, maatschappijkritische, doch idealistische blik ons blijven inspireren. 

Jehie Zichro Baroech (moge zijn nagedachtenis tot zegen zijn).


cover: Sjavoeot bloemen, art: Sifra Lightstone

Over Sarai Mock 1 Artikel
Sarai Mock (1996) studeerde internationaal en Europees recht, met een specialisatie in internationaal publiekrecht. Ook studeerde zij aan het Pardes Institute of Jewish Studies in Jeruzalem. Zij is momenteel werkzaam als advocaat in Amsterdam. Daarvoor was zij als docent verbonden aan de Tilburg University.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*