Oorlogsherinneringen uit Bergen-Belsen van de zesjarige Izak Salomons

Deel 3

vogels vliegen in blauwe lucht met wolken

In dit derde en laatste deel vertelt Izak Salomons over zijn jaar in kamp Bergen-Belsen. Een ‘Peruaans identiteitsbewijs’ hielp het gezin niet om te worden uitgeruild, het wachten was op de bevrijding. 

Een jaar op appèl

Het leven in Bergen-Belsen was erg eentonig. De mannen moesten overdag werken, maar volgens mijn vader, die in het ‘schoenencommando’ zat stelde dat niet veel voor. Hij zat in een groep met veel bekenden uit Amsterdam. Naast verveling was een groot gedeelte van de dag gewijd aan ‘op appèl’ staan. 

De hele kampbevolking moest zich dan op de appèlplaats, een grote vlakte midden in het kamp, in rijen van vijf achter elkaar opstellen. Daar speelde zich het dagelijkse tel-ritueel af. 

De Joden moesten geteld worden en dat duurde ontzettend lang, want altijd was er wel iets mis met de telling en de hele kampbevolking leed eronder als er bij de Duitsers een paar van ‘hun Joden’ ontbraken.

Zíj telden en wij keken toe

Het appèl was het belangrijkste sociale gebeuren in het kamp. Vervolger en vervolgde hadden er elk een eigen rol. Zíj telden en wij keken hoe ze het deden. En hoewel het lange staan voor velen uitputtend was, had het ook iets kluchtigs te zien hoe slecht de Duitsers konden tellen. 

Ze liepen langs en wezen bij elke rij met hun vinger ‘eins, zwei, drei, vier, fünf!’ met veel nadruk op ‘fünf’.

Waarschijnlijk turfden ze de vijftallen en noteerden het totaal in een opschrijfboekje.

Gemene moffen en menselijke types

Op het appèl leerde je de vijand kennen. Je had gemene moffen, maar ook menselijke types, zoals de beetje malle ‘Hans-koekel-in-die-Loeft’ die altijd schuin omhoog keek en achteraf gezien iets weg had van een kruising tussen Charles de Gaulle en Monsieur Hulot.

In het begin leek Bergen-Belsen minder erg dan Westerbork. Er was hier geen drukte van doorgaande transporten, geen lijsten die ‘platzten’ en pedante bureaucraten van de Joodsche Raad. Het was een soort niemandsland in vijandelijk gebied, waar de tijd verloren ging in zinloos wachten.

Kuch en koolrapen

Het dagelijkse menu bestond uit een stukje vierkant Duits brood, zware ‘kuch’ van tarwe en rogge. Vaak waren er koolrapen waar de stank van honger vanaf kwam. Ze hadden een soort houterig klokkenhuis en ze smaakten naar vuile was. Als oud-kampbewoner wilde je ze later nooit meer eten.

Het kamp was een vlakte met zand in de zomer en modder in de winter.

Het was er kaal, maar in de verte achter het prikkeldraad zag je donkergroene bossen. Wel gebeurde er veel in de lucht: witte wolken tekenden zich in de blauwe lucht af als steeds wisselende figuren van gezichten en dieren. 

Kamelen boven Bergen-Belsen

Soms verschenen er zelfs kamelen boven Bergen-Belsen. We deden in het kamp ook spelletjes als ‘Groene zwanen, witte zwanen, wie gaat er mee naar Engeland varen.’ 

Ik dacht nog lang na de oorlog dat dat nou het beroemde ’Englandspiel’ was waar jarenlang zoveel over te doen is geweest.

In de herfst van 1944 werd de toestand in het kamp zichtbaar slechter. De mensen kregen steeds ergere honger, het was koud en nat, en de barakken vervuilden. Op de vloer van de barak kwam een steeds dikkere laag modder en je begreep dat alles wat op de grond viel verloren zou gaan in de modder. Op het hout van de bedden zag je de luizen of ‘wantsen’ lopen. Ziekte en doodgaan begon gewoon te worden, en ook dat sommige mensen gek werden van honger en pessimisme. 

Inenting tegen of met tyfus

Op een dag liep er een dokter met een witte jas door de barak die de mensen inentte tegen tyfus, of met tyfus – dat kon je bij Duitsers niet zeker weten.

Contact naar buiten toe bestond uit het versturen van een open briefkaart waar met potlood maximaal vijfentwintig woorden op mochten worden geschreven, maar geen klachten. Een van die kaarten is na de oorlog bij mijn oma in Zwitserland aangekomen. Mijn moeder had de kaart geschreven en ondertekend met ‘Abraham’ om aan te geven dat mijn vader nog in leven was. Ze schreef slim: ‘Pakete dürfen wir erhalten.’

Uitgeruild of niet

In januari 1945 bleek het gerucht dat er een transport in de maak was van Zuid-Amerikaanse Joden die zouden worden ‘ausgetauscht’ tegen machines, voor de verandering op waarheid te berusten. Wij kwamen er als Peruanen voor in aanmerking, en mijn vader deed erg zijn best om op de lijst te komen.

De kinderen werd ingeprent dat we, als de Duitsers ernaar zouden vragen, moesten zeggen dat we een oom in Lima hadden die in machines handelde.

Beelden bevrijding Bergen-Belsen, met dank aan NOS bevrijdingsjaar

Bevrijding als verjaardagscadeau

Het vertrek was zondagochtend. Het was 21 januari, de verjaardag van mijn moeder. De bevrijding uit het kamp was haar verjaardagscadeau. De trein reed een week lang dwars door Duitsland, en kwam ook door Berlijn, dat al goed in puin lag. Uiteindelijk bleek de treinreis te voeren naar Weingarten bij Friedrichshaven in het zuiden van Duitsland. Doel van de reis bleek de legerkazerne te zijn, een gebouw dat nog doortrokken was van de zelfverzekerde nazisfeer uit de eerste oorlogsjaren. Er was in de kazerne een schitterende eetzaal met spiegelende vloeren en in het wit gestoken serveersters die met hun wagentjes heerlijke ‘Kartoffelsalat mit Würstchen’ serveerden.

Na een paar dagen verhuisden we naar Biberach in dezelfde streek waar de kazerne lag. 

Daar was in het begin van de oorlog een interneringskamp gevestigd van Engelsen die in Duitsland waren gestrand. We zagen het eind van de oorlog in Biberach pas heel laat in april. Vanuit Biberach organiseerde mijn vader een rode open bestelauto, en een chauffeur die op een slaperige broer van Adolf Hitler leek bracht ons naar Sankt Margrethen aan de grens van Oostenrijk en Zwitserland. 

Opnieuw in een kamp

In Sankt Margrethen kwamen we opnieuw weer in een kamp terecht, om op de goede papieren te wachten.

Eindelijk, na lang wachten, was er contact met Zwitserland, en kwamen de vereiste papieren. Op een zaterdagmiddag verscheen oom Oscar, de jongere broer van mijn moeder, aan de andere kant van de grens, om ons af te halen en naar Zürich te brengen. Maar mijn ouders vonden dat ze zó lang op de vrijheid hadden moeten wachten, dat er ook nog wel kon worden gewacht tot de sjabbat voorbij was.

En dus vertrokken we pas ‘s avonds laat met de trein.


Dit was het derde en laatste deel van de voor De Vrijdagavond ingekorte tekst van mijn  boekje: ‘IN BLAUWE TRAMS EN GROENE BARAKKEN’ 

ISBN 978-1-38-851856-1

De Oorlogsherinneringen van Izak Salomons in De Vrijdagavond:

Deel 1 Het vertrouwde geluid van de tram

Deel 2 Herinneringen uit Westerbork

cover wikimedia commons Clouds in New Jersey 

Over Izak Salomons 4 Artikelen
Izak Salomons (1938), architect, was architectuurmedewerker van Het Parool en docent aan de T.U. Delft. Hij restaureerde samen met zijn onlangs overleden vrouw Cootje Salomons onder andere de Gerard Dousjoel in Amsterdam en de sjoel in Alkmaar. Zijn herinneringen als kind publiceerde hij in eigen beheer in het boekje ‘In blauwe trams en groene barakken’ (Engelse editie ‘In blue trams and green barracks’).

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*