‘Een essay dat me diep heeft getroffen’. Voorpublicatie Brief in de nacht van Chaja Polak

Chaja Polak in haar huiskamer

‘Prachtig en helder van taal. Zo eerlijk ook, op het pijnlijke af. Chaja Polak kijkt achter de muren van haat en onwetendheid, en schuwt het zelfonderzoek niet. Ik ben er diep van onder de indruk.’ – Adriaan van Dis

‘Een essay dat me diep heeft getroffen. Het raakt aan alles waar ik voortdurend over nadenk.’ – Bertien Minco, directeur Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Al snel worden redenaties zwart of wit, ook om de ja-maar-valkuil te omzeilen. Goed te begrijpen, vindt Chaja Polak, maar voor het slepende conflict tussen Israël en Gaza moet er naar andere oplossingen worden gezocht dan die van geweld. De Vrijdagavond plaatst hierbij, met dank aan uitgeverij Cossee, de eerste twee hoofdstukken van Polaks essay Brief in de nacht, Gedachten over Israël en Gaza.

I

Nu ik de eerste zinnen van dit essay schrijf, vallen bommen op Gaza, raketten op Israël, ligt 7 oktober, toen de wereld kantelde, alweer maanden achter ons, en branden in mijn kamer vier argeloze Chanoeka-lichtjes, smeekt mijn familie in Israël om een wonder en blijf ik maar denken aan een artikel in Ha’aretz – een linkse Israëlische krant door slechts vijf procent van de bevolking gelezen –, blijf ik denken aan een artikel dat me niet loslaat. Het verhaalt van twee journalisten, Yuval Abraham, een Israëlische journalist, en Ahmed Alnaouq, een journalist uit Gaza. Twee jonge mannen, twintigers nog maar. Beiden ervan overtuigd dat het kennen van de ‘vijand’, het kennen van ‘de Ander’, vrede dichterbij zou kunnen brengen.

In 2019 lanceerden ze een plan waarbij Gazanen werden uitgenodigd te schrijven over hun dagelijks bestaan, over hun zorgen en beslommeringen, hun verlangens. De digitale brieven zouden onder de naam Across the Wall worden geplaatst op een Israëlische site, bestemd voor Israëlische ogen. En harten. Onmiddellijk na het bekendmaken van dit project via Facebook, boden honderdvijftig Israëli aan de digitale brieven te vertalen van het Arabisch in het Hebreeuws. En zo geschiedde. Het was een bescheiden project, maar het wás er. De brieven openden een kier in het zwart van dat onbekende strookje overbevolkt land, bracht er wat licht en lucht. 

Het waren niet alleen alledaagse zorgen waarover werd geschreven, armoede en dictatuur heerste in dat pijpenlaatje van een land alom, en toch, in die kier van licht, geschapen door woorden en zinnen – door taal – bleken gewone mensen te wonen, mensen die op hun vrije dagen ook graag met familie en vrienden naar buiten gingen, naar zee, naar een park. Mensen die verjaardagen vierden, zich zorgen maakten om de schoolprestaties van hun kinderen, of er juist trots op waren. Mensen die verliefd werden, trouwden, eten kookten en hun kinderen naar bed brachten. Deze brieven veranderden de bewoners van Gaza, in de ogen van de Israëli, van vijandige buren, opgeborgen achter hoge hekken en hoge muren, in herkenbare mensen. 

Ze hadden elkaar ontmoet, de twee journalisten. Ik stel me voor ergens in Europa, wellicht tijdens een conferentie. Ze zijn in gesprek geraakt, toevallig bevonden ze zich bij eenzelfde tafel met pamfletten en boeken, of wachtten tegelijkertijd voor de garderobe. Zo kan het zijn gegaan. Ze raakten in gesprek, al snel verbaasd door herkenning van zorgen, verrast door gedeelde dromen. Ze trokken hun jassen aan en besloten het gesprek voort te zetten in een café. Ik stel me voor hoe ze tegenover elkaar zitten aan een bruin houten cafétafel, ze drinken zwarte koffie, veel zwarte koffie met veel suiker, en terwijl ze praten, bewegen hun magere, verhitte gezichten over de tafel dichter naar elkaar.

Onder de indruk van hun eensgezindheid, en herkenning van hoop en bevlogenheid. Het is nog ver voor 7 oktober 2023, vier jaar daarvoor. De jongemannen lijken op elkaar, hun gelijkenis is overduidelijk voor de gasten in het café. Beiden hebben donker haar, donkere ogen onder donkere wenkbrauwen, een van hen heeft een baardje van enkele dagen. Hun kleren zijn verwassen, hun stemmen fluisteren hees. Het moeten broers zijn, denken de gasten. Of neven. 

In mijn verbeelding wordt daar in het café het plan van hoop geboren. 

Een aantal jaren zal Across the Wall, vertaald door Israëli, worden gelezen. Soms met open blik, soms afhoudend, maar het werd gelezen, en voorzichtig namen steeds meer mensen uit beide landen deel aan het project. En dan wordt het 7 oktober, de dag van het sadistische bloedbad door Hamas. Met meer dan twaalfhonderd doden en tweehonderddertig gegijzelden. Voornamelijk jonge linkse vredesactivisten.

En de wereld kantelt. 

En het brievenproject zweeft boven Israël en Gaza, verloren tussen de bommen en raketten, hoog in de digitale lucht. 

En het doet pijn te weten dat, zoals Foreign Affairs (een Amerikaans tijdschrift voor diepteanalyses en debat over internationale betrekkingen) op 25 oktober 2023 schrijft, de grote meerderheid van de Gazanen vlak voor die aanval gefrustreerd was over het Hamas-bestuur en de meesten niet achter hun ideologie stonden.

Die zevende oktober en de weken daarna bevindt Ahmed Alnaouq, de Gazaanse journalist, zich ergens in Engeland. Ik neem aan in Londen. Hij kan niet terug. Dodelijk ongerust als hij is door de alarmerende berichten uit zijn geboorteland wil hij niets liever dan naar zijn familie. Maar de grenzen zijn voor hem gesloten. Dan ontvangt Ahmed Alnaouq het bericht dat zijn hele familie, drieëntwintig mensen, onder het puin van hun huis ligt begraven. Het vredesproject van de twee bevlogen mannen komt tot een abrupt einde. Een einde wellicht ook aan de vriendschap tussen hen. 

Ik zie de jonge Palestijn uit Gaza door de Londense straten zwerven, de avond valt, de nacht valt, hij loopt maar en loopt. Hij probeert de dood van zijn familie tot zich door te laten dringen. Ik ben alleen, herhaalt hij bij elke stap, alleen. Mijn ouders zijn er niet meer, mijn grootouders zijn er niet meer, mijn zusters en broers en hun jonge gezinnen, ze zijn er niet meer, ik ben alleen. 

Het wordt weer licht, de dag breekt aan en hij loopt en loopt.

II

Hoezeer is me dit ontworteld-zijn bekend. Ik leefde gelukkige jaren met mijn tweede man, wiens familie in de oorlog werd vermoord. Hij had geen grootouders meer, geen ouders meer, alle vier broers van zijn vader met hun jonge gezinnen waren vermoord. En hij, mijn man Nol van Dijk, moest door met zijn leven nadat de nazi’s waren verslagen en de vrede getekend. Een kind van nog maar veertien jaar. Slechts zijn kleine zus en de jongste broer van zijn moeder waren ‘teruggekomen’. Van de grote Van Dijk-familie en de kleinere Mouwes-familie waren nog drie splinters over.

De jongen van veertien borg zijn verdriet in een klein maar stevig kistje, hij borg het onder zijn huid, ergens ter hoogte van zijn maag. Zo sprak hij erover. Hij zei dat hij het deksel met een klap had dichtgeslagen. Verdriet opgeborgen en weg. Zijn ouders erin, ook zij weg. Hoewel hij al elf jaar was toen zijn moeder de Jodenster van zijn vestje tornde en die van het vestje van zijn kleine zus, en beide kinderen aan de hand van vreemde ‘ooms’ sterloos hun straat uit liepen, was hij hen ‘vergeten’. Het zusje heeft nog omgekeken en gezwaaid. Maar de jongen keek niet om, zwaaide niet naar zijn vader en moeder die half verborgen achter de gordijnen voor het raam hun kinderen de straat uit zagen lopen, de hoek om en voor altijd uit zicht verdwenen. 

Herinneringen aan zijn ouders waren uit het geheugen van mijn man gewist. Herinneringen aan het huis waarin hij opgroeide, ja, die had hij wel, glasheldere beelden van de kamers, van de trappen naar de eerste en tweede verdieping, en vandaar naar de zolderverdieping. In het plafond bevond zich het befaamde luik naar een vliering waar alleen hij zich, staande op de balustrade, aan zijn jongensarmen naar boven kon hijsen en naar binnen kruipen. Waar hij graag speelde, in zijn hol. En waar hij, toen de oorlog uitbrak, op verzoek van zijn ouders enkele koperen voorwerpen en een fotoalbum verborg.

Dat wist hij nog precies, maar de kamers in zijn herinnering bleven kaal en onbewoond, evenals de keuken, evenals de slaapkamers. En de tuin lag er in zijn herinnering verlaten bij. Zijn vader noch zijn moeder kon hij zich voor de geest halen, hoewel hij al elf jaar was toen hij van hen werd gescheiden. Hij wist niet waarom, hij constateerde het alleen. 

Pas enkele dagen voor zijn dood brak het inzicht door. 

Het kost me moeite hierover te schrijven, maar ik dwing mezelf ertoe en ik weet dat Nol het goed zou vinden. Vertel het maar, zou hij zelfs zeggen. Laat het ze maar weten. En dus vertel ik het. 

We hadden net gehoord dat hij niet meer beter zou worden, verzwakt en vermagerd zat hij in zijn fauteuil. Het was stil in huis. Vrienden die afscheid hadden genomen, waren zojuist vertrokken. Hij zei mijn naam. Ik stond in de kamer, hij zat. We keken elkaar aan en toen zei hij: ‘Dan had ik hen moeten zien sterven in de gaskamers.’ 

Schuld. Een vraag komt op. Een onzinnige vraag, maar toch stel ik die vraag. De schuld van de familie van mijn man was ‘dat ze Joden waren’. De schuld van de zes miljoen Joodse doden was dat ze Joden waren. Maar waar lag de schuld van de Palestijnse familie van onze idealistische journalist? Waren ze schuldig omdat ze Palestijnen waren? 

Hamas is schuldig om zijn fanatiek religieus-politieke strijd die erop is gericht Israël te vernietigen, erop is gericht elke kritiek van zijn eigen inwoners te smoren, Hamas is schuldig om zijn dictatoriaal en intolerant beleid, het laat het wel en wee van zijn eigen bevolking ijskoud. De extremistische regering Netanyahu is schuldig omdat ze Hamas’ macht bewust liet groeien en zo tweespalt zaaide tussen Hamas en het meer gematigde Fatah – onder leiding van Mahmoud Abbas –, een ordinaire verdeel-en-heerspolitiek. De regering Netanyahu is schuldig omdat ze een ander volk bezet houdt en van zijn vrijheid berooft, zoals David Grossman niet ophoudt te waarschuwen. Waarmee, zegt de schrijver, Israël de menselijkheid van de ander ontkent.

De kolonisten op de Westbank zijn schuldig om het in bezit nemen van Palestijns land en het belagen van zijn bewoners. En de wereld die zweeg en zich onverschillig afwendde, ook die is schuldig. Nu betalen de Palestijnse burgers met hun leven de schuld van Hamas en de schuld van Netanyahu’s regering én die van de onverschilligheid van de wereldleiders. Betalen ook de Israëlische burgers hun prijs door het failliet van hun veiligheid. Betalen Joden wereldwijd de prijs voor het failliet van ook hun veiligheid.

Chaja Polak Brief in de nacht, Gedachten over Israël en Gaza
Cossee Essay; 96 pagina’s; ISBN 9789464521412


cover foto Erik Smits, Photography

Over Chaja Polak 3 Artikelen
Chaja Polak werd geboren in Den Haag, november 1941. Ondergedoken vanaf 1942 op verschillende adressen. Herenigd met haar moeder, overlevende van Auschwitz. Montessori opleiding, kort gewerkt als Montessori leidster, daarna Avondopleiding Rietveld Academie. Verschillende tentoonstellingen. Debuteerde in 1989 met Zomaar een vrijdagmiddag (Amber), vele verhalen en romans volgden en een gedichtenbundel onder meer: Tweede vader (longlist Librisprijs); Salka, Over de grens (genomineerd voor de Lbrisprijs); De man die geen hekel had aan Joden, non-fictie, waar een theaterbewerking van gemaakt, opgevoerd voor Theater na de Dam. Recent verscheen van haar hand: Het verdriet van de vrede, juni 2023

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*