Nol Bueno de Mesquita en andere Joodse verzetsstrijders tijdens de Holocaust

serie joods verzet

illu joods verzet

Het laatste weekend van januari staat al jarenlang in het teken van de Holocaust herdenking. Dit jaar ging dat in Nederland gepaard met kritiek op het geschiedenisonderwijs waarin weinig aandacht is voor de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging. Recent onderzoek toont aan dat de bekendheid daarmee juist in Nederland gering is. Dat kan niet aan Ben Braber liggen. Als historicus publiceert hij al veertig jaar onvermoeibaar over de Holocaust, in het bijzonder over het Joods verzet in Nederland.

In zijn jongste boek verbindt Braber zijn persoonlijke onderzoeksgeschiedenis met dat van het echtpaar Nol Bueno de Mesquita en Tertia Kolthof. Hij ontmoet de binnenhuisarchitect Bueno de Mesquita in 1983 toen hij journalistiek onderzoek deed naar aanleiding van de arrestatie van de Duitse oorlogsmisdadiger Klaus Barbie, de ‘slager van Lyon’. Voor de oorlog werkte Barbie in Amsterdam als spion voor de Duitse politie. Hij verzamelde inlichtingen over Duits-Joodse vluchtelingen. 

Bueno de Mesquita vertelt Braber niet alleen over Barbie, maar ook over het verzet van die vluchtelingen tijdens de bezettingstijd. Zo komt hij ook met hen in contact en leert van het hem tot dan toe onbekende verzet. Joden gelden in de geschiedschrijving over de oorlog ‘als slachtoffers’, niet als verzetsmensen. Het is voor Ben Braber het begin van decennia studie naar het verzet van Joden. 

Nol Bueno de Mesquita
Nol Bueno de Mesquita in 1985 foto Norma Braber-McKinney

Joods verzet naar verhouding groter dan van niet-Joden

Braber biedt in Individuals and small groups in Jewish Resistance niet alleen inzicht in zijn eigen bevindingen, maar ook een overzicht van de relevante literatuur*. Zo attendeert hij op de uitspraak van Jacques Presser dat het verzet van Joden door de bezetter naar verhouding werd overschat en het verzet door Nederlanders werd onderschat. En dat terwijl het Joodse verzet naar de omvang van de bevolkingsgroep groter was dan dat van niet-Joden. Loe de Jong verbindt het Joods verzet met het weigeren van bijvoorbeeld de Ariërverklaring, het negeren van oproepen voor deportatie, het dragen van de Jodenster en het in onderduik gaan. 

Dan Michman (2003) onderscheidt drie categorieën van Joods verzet: het niet-gewelddadige verzet zoals het individuele verzet uit zelfbehoud, zorg voor onderduikers en het gewapende verzet.

Zelf is Braber het verzet van Joden in latere publicaties gaan plaatsen in het kader van de integratie van Joden in de vooroorlogse samenleving. Daarbij stelde hij vast dat de diversiteit in de Joodse gemeenschap erg groot is. Veel Joden noemen zich orthodox, maar gingen minder dan verwacht naar de synagoge of leefden de spijsregels niet na, zo blijkt uit de volkstelling van 1930. Een van de oorzaken daarvan kan zijn de toename van het aantal gemengde huwelijken. Verder noemt Braber het onderscheid tussen Mokum en Mediene, jong en oud, mannen en vrouwen, rijk en arm, ongeletterd en geschoold. Daarnaast zijn er de zionistische beweging en Palestina Pioniers die zich voorbereiden op emigratie naar Palestina. Al die verschillen zijn een gedeeltelijke verklaring voor de uiteenlopende reacties op de bezetting. 

Braber is dan ook huiverig om te spreken van ‘het Joods verzet’. Er zijn individuen, er zijn kleine groepen, maar een overkoepelende, samenbindende organisatie is er niet, met uitzondering van de Joodse Coördinatie Commissie van de gezamenlijke kerkgenootschappen uit de eerste twee jaar van de bezetting.

Aan de hand van het chronologisch verloop van oorlog en bezetting biedt Braber waardevolle inzichten. Zo is het begin van de bezetting in mei 1940 aanleiding voor mensen als Bueno de Mesquita en zijn vrouw direct in verzet te gaan. Ze vrezen dat hun vriendschappen met Duits-Joodse vluchtelingen hen spoedig op de radar van de bezetter kan brengen. Dit echtpaar heeft vanaf hun trouwdag op 12 juni 1940 onderduikers in huis.

Portret van mr.dr. L.E. Visser in de tuinzaal van de Hoge Raad, foto Ruben Vis

Lodewijk Visser en de  Joodse Coördinatie Commissie

In de eerste twee jaar van de bezetting verheffen enkele prominente personen als Lodewijk Visser, de voormalige president van de Hoge Raad, en enkele rabbijnen hun stem tegen onderdrukkende maatregelen zoals de ariërverklaring. Meestal via de ondergrondse media. Als voorzitter van de Joodse Coördinatie Commissie (JCC), een samenwerkingsverband van Joodse kerkgenootschappen, wordt Visser een centrale kracht in het Joods verzet. 

Geleidelijk aan overschaduwt de Joodse Raad, waarvan de oprichting is gestimuleerd door de bezetter, de JCC. Na Vissers overlijden op 17 februari 1942 verdwijnt de JCC. Onder paraplu van de Joodse Raad slagen verschillende mensen – voorzien van een zogenaamde Sperre – er in verzetsactiviteiten te ontplooien. 

Met dit document zijn ze vrijgesteld van deportatie en kunnen ze zich ook binnenlands bewegen. Naar verloop van tijd verliest die Sperre echter zijn betekenis en worden medewerkers van de Joodse Raad ook opgepakt en op transport gesteld.

Offensiever en gewelddadiger 

Het karakter van het verzet van Joden wordt offensiever en gewelddadiger naarmate de onderdrukkende maatregelen, de razzia’s en deportaties worden geïntensiveerd. Het verzet tegen het verplicht dragen van de Jodenster, vanaf mei 1942, wordt aangewakkerd via de illegale pers. Niet veel later raken Bueno de Mesquita en Kolthof betrokken bij sabotage-acties op Duitse voorzieningen, en bij aanslagen op Duitse militairen, NSB’ers en andere collaborateurs. 

Als de geallieerden het Duitse leger weet terug te dringen in de loop van 1944 komen er contacten tot stand tussen organisaties van het algemene verzet en Joodse verzetsmensen en -groepjes. Zoals met bijvoorbeeld de Vrije Groepen Amsterdam, een federatie van verzetsgroepen die eind 1943 tot stand is gekomen. Deze organisatie, bestaande uit circa 350 mensen, van wie zo’n zeventig met een Joodse achtergrond, legt zich vooral toe op de zorg voor onderduikers. Maar helemaal van een leien dakje gaat het niet vanwege anti-Joodse sentimenten in verschillende verzetsgroepen.

Toevertrouwd aan onderduikouders

Braber volgt het gezin Bueno de Mesquita-Kolthof van nabij, van hun huwelijk in juni 1940 tot de geboorte van hun dochters Ruth (2 april 1942) en Marjan (september 1943). Zij zijn vanaf hun geboorte  tot aan de bevrijding toevertrouwd aan onderduikouders. Een gezamenlijk gezinsleven kan dan niet meer tot stand komen. De ouders zelf scheiden in mei 1947. Braber beschrijft de pijnlijke relatie met de dochters sindsdien. Beiden trouwen opnieuw en krijgen met hun nieuwe partners kinderen en kleinkinderen. 

Na de oorlog pakt Nol Bueno de Mesquita zijn beroep van binnenhuisarchitect weer op. Hij wordt onder meer betrokken bij de inrichting van KLM-vliegtuigen. (bron: Algemeen Dagblad, 12 mei 1958)

De oudste dochter Ruth blijft bij haar moeder en ziet haar vader, die zijn beroep van binnenhuisarchitect weer oppakt, regelmatig. Met de jongste dochter Marjan lukt het niet een goede band op te bouwen en te onderhouden. Hoezeer haar ouders daarvoor ook hun best doen. Tot aan zijn sterfbed in 2002 vraagt Bueno de Mesquita aan Ruth of ze nog wat heeft gehoord van haar zus Marjan. Het antwoord is en blijft: neen. Nol Bueno de Mesquita en Tertia Kolthof hebben een hoge prijs betaald voor hun verzetsinspanningen.

Oral History

De werkwijze van Braber is in belangrijke mate gebaseerd op ‘oral history’, op het verzamelen van informatie door middel van lange mondelinge gesprekken met direct betrokkenen. Het is een niet geheel onomstreden onderzoeksmethode. Braber onderkent de valkuilen ervan. Het kent een grote mate van subjectiviteit, want het is gebaseerd op de persoonlijke herinneringen van de geïnterviewden. Hun geheugen is niet onfeilbaar. En hebben zij verschillende voorbijgaande gebeurtenissen wellicht tot een samenhangend geheel gevormd? Braber meent die valkuilen te kunnen vermijden door steeds naar het volledige levensverhaal te vragen, waardoor de oorspronkelijke herinneringen weer boven komen. Daarnaast heeft hij die verhalen gecontroleerd en aangevuld met intensief dossier- en archiefonderzoek.

Tegen de achtergrond van de kritiek op de gebrekkige aandacht voor de Holocaust in het Nederlandse geschiedenisonderwijs is het van belang dat dit boek van Ben Braber snel in een Nederlandstalige editie beschikbaar komt.


*vorig jaar publiceerde De Vrijdagavond de Nederlandstalige inleiding van dit boek door Ben Braber

Besproken boek

Individuals and Small Groups in Jewish Resistance to the Holocaust; A Case Study of a Young Couple and their Friends

Paperback, 162 pagina’s , ISBN: 9781839988288, januari 2023, £25.00, $35.00 – Ook verkrijgbaar met harde kaft en als e-book

Ben Braber

Ben Braber is historicus, Honorary Research Fellow aan de School of Humanities van de University of Glasgow en deskundige op het gebied van Joods verzet tijdens de Holocaust, een onderwerp waarover hij sinds 1983 publiceert. Hij is lid van het forum Jews Saving Jews van de Faculty of Jewish Studies aan Bar-Ilan University, en heeft in 2008 gewerkt als onderzoeker aan het NIOD.

cover: Joods Verzet, illustratie Evelina Kvartunaite

Over Jeroen Sprenger 22 Artikelen
Jeroen Sprenger was van 2016 tot zomer 2022 voorzitter van de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie (NKvJG). In die hoedanigheid was hij eindredacteur van 'Gezichten van Joods Verzet' (2020). Van 1999 tot 2015 was hij werkzaam voor de rijksoverheid, eerst als directeur Communicatie van het ministerie van Financiën (1999-2009). Als zodanig was hij verantwoordelijk voor de voorlichting over de invoering van de euro. Daarna was hij directeur Overheidscommunicatie Nieuwe Stijl voor bouwprojecten van de Rijksoverheid. Vóór zijn werk bij de Rijksoverheid was hij voorlichter bij de FNV. Jarenlang was hij binnen de NVJ voorzitter van de sectie Voorlichters. Sinds 2012 is hij webmaster van de website Het geheugen van de vakbeweging.

2 Comments

  1. Een boeiend verhaal.

    Uit overlevering heb ik vernomen dat mijn oom Hans (Henri) het huis Diepenbrockstraat 24 door een Bueno de Mesquita (studievriend?) en hemzelf is ingericht.

    Na de oorlog heeft mijn vader daar gewoond met zijn gezin, waaronder ik.

    De inrichting ben ik later achter gekomen was erg bijzonder. Met ingebouwde gezwarte kasten met bronzen elementen. En twee halfronde bronzen hangende schuifdeuren met gebogen glas als separee tussen voor en achterkamer.
    Hoe die de oorlog overleefd hebben is me een raadsel.

    Nadat mijn vader was overleden in 1968 zijn wij in 1970 verhuisd.

    Later heb ik gezien dat het hele interieur gesloopt was en de deuren als grof vuil in de voortuin lagen.

    Mijn oom heeft me uiteindelijk een boekenkast, een bureau en enkele kledingkasten nagelaten…

    Heb me altijd afgevraagd wie ze ontworpen zou hebben…

    Zou dat Nol zijn geweest?

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*