Misleiding en Bedrog

Toldot

beeldmerk Parasja

Toldot (Beresjiet 25:19 – 28:9) vangt aan met de zin: “Dit zijn de nakomelingen van Isaak, de zoon van Abraham, het was Abraham die Isaak voortbracht”. Toldot is de enige parasja in de Torah die over de patriarch Isaak gaat.

Een man waarover veel minder bekend is dan over de twee andere patriarchen uit de Torah: zijn vader Abraham en zijn zoon Jacob, waaraan de Torah vele passages wijdt. Toch komen we ook in Toldot weinig over Isaak te weten. De centrale figuren van deze parasja zijn Isaak’s vrouw Rebekka (Beresjiet 25:20), hun tweelingzonen Esau en Jakob en de broederstrijd tussen beiden die het lot van de Kinderen van Israël bepaalt. Opvallend vaak zijn eten en ‘lekkere hapjes’ in deze parasja het thema. Zie bijvoorbeeld het bekende verhaal van Esau, die hongerig van een jachtpartij terugkomt en zijn eerstgeboorterecht voor een kop linzen aan zijn broer Jakob verkoopt (Beresjiet 25:29-34).  Toldot staat bovenal bol van allerlei vormen van misleidingen en bedrog: Rebekka die voor zich houdt dat God tot haar sprak en haar vertelde dat van de twee kinderen in haar buik “de oudste de jongste dienen zal” (Beresjiet 25:23). Isaak die zich tijdens een hongersnood in Gerar vestigt en doet voorkomen alsof Rebekka zijn zuster is in plaats van zijn vrouw. Met als klap op de vuurpijl: het verhaal van Jakob, die op instigatie van zijn moeder Rebekka, zijn blinde vader Isaak misleidt door zich als Esau voor te doen en hem aldus de zegen ontfutselt die voor de eerstgeborene, Esau, was bedoeld (Beresjiet 27:1-29). 

Esau verkoopt zijn eerstgeboorterecht aan Jakob, ets Amsterdam, 1712. Bron: WikimediaCommons

Misleiding en bedrog allemaal bedoeld om het gewenste, hogere doel te bereiken. Toldot schijnt ons te willen leren dat in het leven recht-door-zee en het spreken van de waarheid niet altijd de beste strategieën zijn.

Wie was Isaak?

Anders dan zijn vader Abraham en anders dan zijn zoon Jacob, die beiden actief handelend worden voorgesteld en waarover de Torah uitvoerig verhaalt, is Isaak een introverte figuur op de achtergrond. Een man die bidt, gehoorzaam is en een groot godsvertrouwen heeft. Hij leefde in tegenstelling tot Abraham en Jacob, zijn hele leven in het land Kanaän. Een rijke man, dat wel. God zegende hem met kudden kleinvee, runderen en ja, ook “een grote stoet slaven” (Beresjiet 26:14). Het is een man die grenzen trekt, de diepte opzoekt en onder de oppervlakte der dingen graaft. In de taal van de Torah: een man die putten graaft, zo lezen we in Toldot (Beresjiet 26:18-23). En hij heeft voldoende redenen om dat te doen.

We weten dat hij geboren is toen zijn vader Abraham en zijn moeder Sarah al heel erg oud waren. Een midrasj stelt dat men in zijn tijd eraan twijfelde of hij echt hun zoon was. Onze parasja meldt niet voor niets uitdrukkelijk aan het begin ervan “het was Abraham die Isaak voortbracht” (Beresjiet 25:19). 

Isaak had een oudere halfbroer, Ismaël, die zijn vader Abraham bij zijn concubine Hagar had verwekt. Beiden stuurden moeder Sarah weg om de spirituele erfenis van Abraham voor Isaak veilig te stellen. Toch wordt deze voorbestemming pas bij de dood van Abraham duidelijk. We lazen in de vorige parasja “Abraham gaf alles wat hij had aan Isaak” (Beresjiet 25:5) en “het was na de dood van Abraham dat God Isaak, zijn zoon, zegende” (Beresjiet 25:11).

De Torah spreekt niet over Isaak’s gevoelens, maar het is denkbaar dat Isaak lange tijd in onzekerheid heeft geleefd over zijn positie in Abraham’s gezin, zijn rol in de verspreiding van de boodschap van Abraham en zijn verhouding tot God. Te meer na de episode op de berg Moriah – de Akedah – toen zijn vader Abraham hem in opdracht van de Heer wilde offeren. Omdat een Engel tussenbeide kwam, ontsnapte Isaak aan de dood. Zijn moeder Sarah kon het nieuws van haar zoon op de berg Moriah niet aan: haar ziel vloog uit haar lichaam en ze stierf. Wat was de impact van dit alles op Isaak? De Torah zwijgt hierover en onze rabbijnen spreken enkel over het grote godsvertrouwen van Isaak waardoor alles op zijn pootjes terecht komt. Wel weten we dat hij jarenlang om zijn moeder rouwt. Het vinden van een geschikte vrouw voor Isaak was aan zijn vader Abraham voorbehouden die daarvoor zijn meesterknecht Eliezer naar zijn geboorteland Charan stuurde – buiten Isaak’s weten om! Eliezer vond dankzij de aanwijzingen van God, de geschikte vrouw voor Isaak: Rebekka, de dochter van Bethuel, de kleindochter van Nahor, de broer van Abraham. Isaak trouwde met haar, hield van haar en vond in haar troost voor de dood van zijn moeder. 

Het is deze Isaak, met dit levensverhaal, een man die geenszins blind is voor de schaduwkanten van het bestaan, noch naïef is, die aan het begin van Toldot tot God bidt ter wille van zijn vrouw Rebekka die al twintig jaren kinderloos is. God verhoort zijn gebed en Rebekka wordt zwanger van een tweeling. Wat zullen de ouders blij zijn geweest!

Tweelingbroers Esau en Jakob

In Toldot lezen we dat de tweelingbroers Esau en Jakob al in de buik van hun moeder met elkaar vochten. Rebekka beviel als eerste van een harige, rossige baby, die de naam Esau kreeg. De tweede baby hield bij zijn geboorte de hiel van Esau vast en werd Jakob genoemd. Toen de jongens opgroeiden bleken ze in alles te verschillen. Esau was een kundig jager, een man van het open veld, terwijl Jakob een ingetogen man was, een tentbewoner (Beresjiet 25:27), een herder, die zich met spirituele zaken bezig hield. Esau was rossig en behaard, terwijl van Jakob werd gezegd dat hij een glad lichaam had. In de rabbijnse literatuur wordt Esau als het epitoom (personificatie) van het kwaad voorgesteld. Hij was naar verluidt bloeddorstig, leugenachtig en hypocriet, een moordenaar, die respectloos was naar vrouwen en een godloochenaar die alleen om materiële zaken gaf.

Esau trouwde met twee Kanaänitische vrouwen uit het volk van de Chitietten en de Torah zegt “ze waren een bittere kwelling voor Isaak en Rebekka” (Beresjiet 26:34 – 35). Als Esau hoort dat zijn vader Isaak zijn zegen al aan Jacob heeft gegeven, schreeuwt hij het uit en smeekt zijn vader om ook hem te zegenen, maar Isaak heeft hem niets meer te geven. We lezen dan in de Torah: “Esau haatte Jakob om de zegen waarmee zijn vader hem gezegend had” (Beresjiet 27:41) en zweert zijn broer te zullen doden. Als Rebekka dit hoort maant ze Jacob om te vluchten naar haar broer Laban in haar geboorteland Charan. Het zijn hartverscheurende verhalen.

Temeer omdat parasja Toldot ons vertelt: “Isaak hield van Esau want van zijn wild at hij, maar  Rebekka hield van Jakob” (Bereshiet 25:28). Dit is een zinsnede die vele generaties rabbijnen heeft verbijsterd. Waarom wil de Torah dat we dit weten, zo vroegen zij zich af? Hoe is het toch mogelijk dat een zo’n verheven man als Isaak meer van de verderfelijke Esau hield dan van Jakob? of dat hij zich zou laten vermurwen voor een lekker hapje vlees? Hoe kan het dat Isaak de leugens en misleidingen van Esau niet doorzag en geen oog had voor de ware aard van diens karakter – en zijn moeder Rebekka wel? Het traditionele antwoord op deze vragen is, dat Isaak totaal misleid werd door Esau die heel goed kon liegen, en zich naar zijn vader toe altijd gedroeg als de ideale zoon, die hij in werkelijkheid niet was. Isaak die in het heilige gezin van Abraham en Sarah was opgegroeid zou volgens deze rabbijnen nooit iets kwaads of dubbelhartigs zoeken achter de woorden of het gedrag van Esau. Rebekka daarentegen die van een heel ander milieu kwam liet zich niet door Esau in de luren leggen. Zij zag dat Esau niet in staat was om de belofte van het Verbond dat God met Abraham gesloten had verder te brengen – en haar jongste zoon Jacob wel. 

Een ander perspectief op deze kwestie komt van de voormalige Britse opperrabbijn Jonathan Sacks die twee jaren geleden overleed: Isaak was niet blind voor Esau’s fouten, noch keurde hij Esau’s verkeerde gedrag goed. Isaak hield van Esau juist omdat hij heel goed wist wie Esau was en wat de ware aard van zijn karakter was.  Als vader voelde hij een verantwoordelijkheid voor de opvoeding van zijn zoon: hem in de steek laten of verfoeien omdat hij fouten maakte, waren voor Isaak niet aan de orde. Hem liefdevol corrigeren opdat Esau op den duur zijn karaktereigenschappen ten goede zou keren en met Gods zegen de verantwoordelijkheden van het Verbond zou kunnen dragen. Dat was waar hij aanvankelijk op hoopte.

Nog een zegen van Isaak

Uiteindelijk dringt ook bij Isaak het besef door dat Esau deze verantwoordelijkheid niet aankan en dat Jacob daartoe beter geschikt voor is. Als Esau met het lekkere hapje naar Isaak gaat en het tot hem doordringt dat Jacob hem misleidde en hem de zegen heeft ontfutseld die voor Esau was bedoeld, schrikt Isaak hevig (Beresjiet 27:33). Maar: hij neemt de zegen die hij aan Jakob gaf niet terug. Terwijl Isaak tegen een vreselijk teleurgestelde Esau zegt dat hij niet veel voor hem kan doen en geen zegen meer over heeft (Beresjiet 27:37-40), blijkt dat niet helemaal waar te zijn. Isaak heeft nog een zegen voorhanden, maar dan niet voor Esau, maar voor Jacob! Aan het einde van Parasja Toldot lezen we dat Isaak Jacob bij zich ontbiedt om hem te zegenen. Hij geeft hem dan ook de opdracht naar het land van zijn grootouders in Padam-Aram te gaan en zich daar een vrouw te verwerven onder de dochters van Laban, de broer van Rebekka.

Shabbat Shalom 

Over Maria Cuartas 22 Artikelen
Geboren in Havana, Cuba, opgegroeid op Curacao. Familie met Cubaanse, Spaanse, Curaçaosche en Sefardische wortels. Studeerde Nederlands Recht aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Woont en werkt in Amsterdam sinds 1985. Thema’s: het leven in brede zin met aandacht voor het Joodse daarin - maar niet alleen dát.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*