Heraut der menselijke bewustwording, Joodse journalisten in tijden van antisemitisme en vervolging

zwart6 wit foto van twee mannen die blad bekijken bij pers

De Vrijdagavond kent een vooroorlogse papieren voorloper verschenen van 1924 tot 1932. Dit veelgelezen weekblad is maar één voorbeeld uit de imposante studie van Piet Hagen Dubbel Zondebok, Joodse journalisten in tijden van antisemitisme en vervolging 1920-1945. In ruim zevenhonderd pagina’s bespreekt Hagen de Joodse journalistiek in zowel historisch perspectief als in een internationale context. In vier afleveringen bespreekt de ervaren journalist en genealoog Jeroen Sprenger Dubbel Zondebok voor de huidige De Vrijdagavond.

In 1927 maakt Isaac Santcroos in De Vrijdagavond een serie portretten van in die tijd bekende Joodse journalisten. Onder hen Telegraaf-journalist Albert Moresco die zeer zelfbewust zegt:

“Ik zie de Joden als het sterkst geestelijk levend volk van de beschaafde wereld (…) met als taak de heraut te zijn van elke fase der menselijke bewustwording en de geestelijke bemiddelaar tussen volken en rassen, tussen Oost en West, tussen Zuid en Noord”. 

Woordcultuur als belangrijk kenmerk Jodendom

Joodse journalisten vinden bij tal van media emplooi, niet alleen bij op de Joodse gemeenschap gerichte bladen als De Vrijdagavond, zoals Santcroos in zijn portrettenreeks aantoont. In 1940 telt Piet Hagen tachtig actieve Joodse leden van de Nederlandse Journalisten Kring (NJK) en zestien gepensioneerden. Als ook fotografen, illustratoren en anderszins in de journalistiek actieve medewerkers worden meegeteld, zoals opmakers en vormgevers, dan is de groep veel groter. Dan komt hij op bijna 350 mensen. Dat is een aandeel van ongeveer tien procent van de journalistieke beroepsbevolking, terwijl de Joodse gemeenschap slechts zo’n 1,4 procent van de Nederlandse samenleving omvat. Woordcultuur is een belangrijk kenmerk van het Jodendom, geeft Hagen als verklaring. 

‘Jodenaquarium’

Opvallend in het licht van zijn rol tijdens de bezettingstijd is het grote aantal Joden bij De Telegraaf. Tussen 1893 en 1940 werken daar zo’n vijftig Joodse journalisten en medewerkers. Onder hen Asser Benjamin Kleerekoper, die later overstapt naar Het Volk en David Cohen, later één van de voorzitters van de Joodse Raad. Het redactiegebouw aan de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal wordt daarom door de NSB getypeerd als ‘Jodenaquarium’. 

Veel in de journalistiek werkzame Joden zijn geassimileerd en hebben vaak geen affiniteit met het traditionele Jodendom, hoewel ze in de synagoge zijn getrouwd en mannelijke nazaten laten besnijden. Ze leven en werken in een niet-Joodse omgeving en zijn lid van de confessioneel neutrale Journalisten Kring. de NJK. Niet zelden voelen zij zich pas Joods als fascisten en nationaal-socialisten in de jaren dertig hun Jodenhaat gaan opvoeren.

‘Joodse vraagstukken’ in de breedste zin van het woord komen in de Nederlandse dag- en weekbladen veelvuldig voor. Daarin is niet altijd sprake van een antisemitische ondertoon. Echter, verwijzingen naar de rol van Joden bij de dood van Jezus zijn zelden ver weg. 

Al vanaf 1840 wordt er kritisch aangekeken tegen de invloed van Joden op de parlementaire journalistiek. Abraham Kuyper, hoofdredacteur van De Standaard, spreekt in 1875 van “een oppermachtige, nauwe, aaneengesloten coterie, met verreikende, alomvattende invloed, met name in de wereld van beurs, balie en pers”. Kuyper, ook antirevolutionair politicus en van 1901 tot 1905 minister-president, vreest dat de Joodse liberale pers zich gaat keren tegen het orthodox protestantisme en de ontkerstening van de politiek wil bevorderen.

De Vrede van Versailles in 1918, die in feite Duitsland als schuldige aanwijst voor de Eerste Wereldoorlog en daarvoor draconische herstelbetalingen oplegt, is aanleiding de aandacht naar de rol van Joden te verleggen. De haat tegen de Joodse “leugenpers” wordt vanaf 1920 verhevigd, samen met de Joodse bankiers wordt zij voor de Duitse nederlaag verantwoordelijk gehouden.

‘Weg met de Joodse pers!’

Adolf Hitler roept in 1920 in München op een bijeenkomst uit: ‘Weg met de Joodse pers!’. Zijn optreden, de uitgave van Mein Kampf in 1924 blijven in de Nederlandse pers niet onopgemerkt. Een NRC-verslaggever die een proces tegen hem volgt, stelt vast dat hij zonder tegenwerping van de rechter Joden, marxisten, Franse en Duitse socialisten mag beschimpen. Naarmate zijn rol in de Duitse politiek prominenter wordt, groeit de journalistieke belangstelling voor hem. En in samenhang daarmee de aandacht voor de onderdrukking van Joden. Zij het dat die steeds minder uitdrukkelijk worden genoemd. Hagen: “Zijn aanvallen op marxisten en moderne samenleving zijn gecodeerde verwijzingen naar Joodse invloeden, die door zijn achterban maar al te goed worden begrepen”.

Het zijn de Berlijnse correspondenten, onder wie verschillende van Joodse afkomst, die de ontwikkelingen kritisch volgen. Onder meer wordt door NRC-correspondent Simon Koster het vermoeden uitgesproken dat de Rijksdagbrand in 1933 door de nazi’s zelf is aangestoken. Die berichtgeving blijft niet onopgemerkt. Verschillende malen wordt er door de Duitse gezant bij de regering geklaagd over de “door Joodse elementen doordrenkte Nederlandse pers”.

Colijn spreekt boodschapper aan

Minister-president Colijn spreekt in een vertrouwelijk overleg de hoofdredacteuren daar op aan en vraagt hen de toon wat te matigen. Het gesprek lekt naar de Britse pers, hetgeen weer de woede van de Nederlandse pers opwekt. Woede die zich niet richt op de Duitse gazant, maar op de boodschapper de pers…

Vanaf Hitlers machtsovername in 1933 vluchten veel Joodse journalisten naar Nederland. Eén van hen, Fritz Heymann, zegt over de Nederlandse pers dat “zij zich al laat neutraliseren nog voor het land wordt aangevallen”. Die Presse wimmert (red.: bibbert) von Angst. Dat geldt niet voor correspondenten als Jacques Gans en Marcus van Blankenstein. Gans was, voordat hij naar De Telegraaf overstapt, actief voor het communistische dagblad De Tribune. Als een soort van participerende journalist vecht hij letterlijk met Berlijnse partijgenoten tegen nationaalsocialisten en doet daarvan verslag in zijn krant.

Van Blankenstein ondervindt echter toenemende tegenwerking van de leiding van zijn krant de NRC waarop hij in 1936 ontslag neemt. Zijn berichtgeving uit Berlijn zou tot een advertentie boycot aanleiding hebben gegeven van Duitse bedrijven. 

Marcus van Blankenstein vindt journalistiek onderdak bij het Utrechtsch Nieuwsblad waarvan Gerrit Jan van Heuven Goedhart dan hoofdredacteur is.

Tussen ‘het doordrenkt zijn van Joodse elementen’ en ‘het bibberen van angst’ zijn er ook journalistieke activiteiten die de Nederlandse samenleving bewust willen maken op wat er bij de Oosterburen plaatsvindt en wat er mogelijkerwijs deze kant op zou kunnen komen. Een voorbeeld daarvan is het weekblad “Vrijheid, arbeid, brood”, dat door de SDAP en NVV wordt uitgegeven. De leiding ervan is in handen van Meyer Sluyser. Een ander is de oprichting van de “Joodse Perscommissie voor Bijzondere Joodse Belangen”. Deze commissie, onder leiding van Mozes Salomon Vaz Dias, geeft persberichten uit om de Duitse antisemitische berichtgeving van een weerwoord te voorzien.

Militair is Nederland niet voorbereid op een Duitse inval. De gedachte van een neutraliteitsbeleid overheerst. Van de verschrikkingen van een mogelijke nationaalsocialistische overheersing betreft, zouden goede lezers kennis kunnen hebben genomen. Dat valt in ieder geval af te leiden uit het eerste deel van Dubbel zondebok, waarin de periode van de hetze van Hitler tegen gevestigde media in het algemeen en de Joodse in het bijzonder aan de orde is.


Dit is het eerste deel van de bespreking van Dubbel zondebok van Piet Hagen. In deel twee wordt de gelijkschakeling van de Nederlandse media in de eerste periode van de bezettingstijd beschreven en de onderdrukking en vervolging van Joodse journalisten. Het derde deel gaat over de bezettingstijd en het verzet van Joodse journalisten. Het laatste deel gaat over de terugkeer van Joden in de Nederlandse media.

Piet Hagen, Dubbel zondebok, Joodse journalisten in tijden van antisemitisme en vervolging 1920-1945, Arbeiderspers 2022, ISBN 9789029542623, € 39,99 (hardcover).

Piet Hagen (1942)j begon zijn journalistieke loopbaan bij Trouw, daarna werkte hij als docent en directeur aan de Utrechtse School voor Journalistiek. Aansluitend was hij hoofdredacteur van De Journalist/Villamedia (1995-2002) en columnist van NRC Handelsblad (2003-2005). Sindsdien is hij fulltime auteur, onder meer van het overzichtswerk over koloniale oorlogen in Indonesië (2018).

cover: Jonas Salomon Joachimsthal en Isaac de Vries controleren nummers van Het Joodsche Weekblad. alle beelden: met dank aan uitgeverij de Arbeiderspers

Over Jeroen Sprenger 22 Artikelen
Jeroen Sprenger was van 2016 tot zomer 2022 voorzitter van de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie (NKvJG). In die hoedanigheid was hij eindredacteur van 'Gezichten van Joods Verzet' (2020). Van 1999 tot 2015 was hij werkzaam voor de rijksoverheid, eerst als directeur Communicatie van het ministerie van Financiën (1999-2009). Als zodanig was hij verantwoordelijk voor de voorlichting over de invoering van de euro. Daarna was hij directeur Overheidscommunicatie Nieuwe Stijl voor bouwprojecten van de Rijksoverheid. Vóór zijn werk bij de Rijksoverheid was hij voorlichter bij de FNV. Jarenlang was hij binnen de NVJ voorzitter van de sectie Voorlichters. Sinds 2012 is hij webmaster van de website Het geheugen van de vakbeweging.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*